Home / Dossier / De lange kijk op de geschiedenis. Brochure door George Novack (deel 1)

De lange kijk op de geschiedenis. Brochure door George Novack (deel 1)

De Amerikaanse trotskist George Novack schreef in 1956 de brochure “The Long View of History”, een bundeling van twee toespraken die hij hield op een scholingsbijeenkomst in de buurt van Los Angeles. Die toespraken hadden als doel om een beeld te geven van de ontwikkeling van de mensheid. Het vormt een nuttige tekst om kennis te maken met de marxistische methode bij het bestuderen van de geschiedenis.

Deel 1 van de brochure door Novack, morgen deel 2. 

1. Hoe de mensheid tot de beschaving kwam

Ik stel voor om eerst de grote lijnen van de menselijke ontwikkeling te schetsen, van onze verre dierlijke voorgangers tot vandaag, een ogenblik dat de mensheid heerser van de wereld is geworden maar nog geen meester van haar eigen creaties, laat staan haar eigen sociaal systeem. Daarna zal ik ingaan op de centrale aspecten van de specifieke ontwikkeling van de samenleving die het grootste deel van Noord-Amerika omvat en deel uitmaakt van de meest ontwikkelde vorm van kapitalistische samenleving.

Ik zal proberen aan te tonen dat onze nationale geschiedenis niet alleen verbonden is met de wereldgeschiedenis, maar ook hoe we – zowel collectief als individueel – deel uitmaken van dit verhaal. Dat is een breed geheel en een uitdaging, het is een vorm van een supersnelle tocht doorheen de stratosfeer van de wereldgeschiedenis. Het wordt ons opgedrongen door de dringendheid om een beeld te krijgen van de ontwikkeling van gebeurtenissen en onze specifieke plaats daarbinnen, en ook door de dynamiek van de wetenschappelijke theorie van de sociologie die haar hoogste uitdrukkingsvorm vindt in het marxisme. De beweging gebaseerd op het wetenschappelijk socialisme bereidt zich enthousiast voor op de toekomst, en moet daartoe ook diep gaan graven in het verleden.

* * *

Ik zal beginnen van de politieke geschiedenis van een individu. In januari 1935 verscheen een boek dat de norm zou stellen voor een reeks van reflectieverslagen van de trends in onze tijd. Het had een grote invloed op radicaliserende intellectuelen voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. Dit boek, “Persoonlijke Geschiedenis”, was geschreven door Vincent Sheean. Het is een autobiografie met een ernstige poging om na te gaan waar de geschiedenis van zijn generatie heen leidde, en wat zijn houding was tegenover de belangrijkste tendensen en andere stromingen.

Sheean legt uit hoe hij begon als onwetende student aan de universiteit van Chicago op het einde van de Eerste Wereldoorlog. Hij wist toen even weinig van de fundamentele krachten in de wereld als miljoenen anderen die ook vandaag nog opgesloten zitten in een gelijkaardige vorm van provincialisme. Hij merkt op:

“Het burgerlijk systeem beschermt al haar kinderen zoveel mogelijk tegen een kennis van de processen van menselijke ontwikkeling, en in mijn geval slaagden ze opvallend goed in die doelstelling. Weinig Hottentotten of eilandbewoners uit de Stille Zuidzee kunnen minder voorbereid zijn op het leven in de grote wereld dan ikzelf op 21-jarige leeftijd.”

Deze onschuldige Amerikaan trok naar buitenland als journalist en werd geleidelijk aan op de hoogte gesteld van de grote gebeurtenissen van de jaren 1920. Hij observeerde de gevolgen van de Eerste Wereldoorlog en de Russische Revolutie, hij zag de opstoten in het Nabije Oosten, Marokko en Palestina – voorlopers van verregaande koloniale onrust na Wereldoorlog Twee. Hij was ook een toeschouwer en speelde een toevallige rol in de mislukte tweede Chinese Revolutie van 1926. Zijn ervaringen bereikten een hoogtepunt met de economische ineenstorting van het kapitalisme na 1929 en de opmars van het fascisme in Europa.

Deze opstoten deden Sheeans ogen openen en zorgden ervoor dat hij naar het marxisme werd geleid en de revolutionaire socialistische beweging. Hij werd meegesleept in de kolkende stroom van gebeurtenissen van de eerste fase van barsten in de kapitalistische beschaving, en hij begon dit ook als dusdanig te herkennen. Belangrijke sociale, economische en politieke gebeurtenissen toonden het failliet aan van de opvattingen over de wereld die hij had opgedaan via zijn onderwijs in de Midwest. Hij besloot deze opvattingen te verlaten.

Sheean vond in het marxisme de meest overtuigende verklaring van de processen van sociale ontwikkelingen en de oorzaken van beslissende gebeurtenissen tijdens zijn leven. Hij was onder de indruk van de wijze waarop het marxisme in staat was om antwoorden te geven op vragen waarmee ieder denkende persoon wordt geconfronteerd: wat is de verhouding van mijn leven tegenover dat van mijn voorgangers op deze aarde, tegenover alle mensen en tegenover de ontelbare generaties die na mij zullen volgen?

Wetenschappelijke, politieke en morele overwegingen trokken hem aan tot de wetenschap van de socialistische beweging. Sheean bewonderde het marxisme, omdat dit in zijn woorden een “lange kijk” bood. Dat is geen frase die hij zelf uitvond, hij ontleende het aan een deelnemer aan de strijd. Hij merkte op dat marxisten zich niet mogen laten leiden door gedeeltelijke visies en beperkte overwegingen, maar door een zo volledig mogelijke kijk op de biologische ontwikkeling en de menselijke verworvenheden.

De allesomvattende synthese van de geschiedenis door het marxisme, stond in een schril contrast met de enge kijk die hij kreeg aangeleerd in de Midwest. In het binnenland van de Verenigde Staten waren de meest moderne gadgets aanwezig, maar was er tegelijk een dominantie van ouderwetse opvattingen over sociale evolutie.

Sheean was in de ban geraakt van één van de belangrijkste aspecten van het denken dat de naam draagt van haar schepper, Karl Marx. Het wetenschappelijk socialisme biedt de meest consistente, veelzijdige en verreikende doctrine van evolutie en revolutie. “De lange kijk” dat het vertegenwoordigt, is de ontwikkeling van de mensheid in haar volledige context, haar huidige realiteit en haar uiteindelijke gevolgen, althans in de mate van wat met de huidige beperkingen kan worden voorzien.

* * *

Wat was deze lange kijk dat Vincent Sheean aantrok en zowel voor als na hem zoveel miljoenen anderen? Wat kan een blik op de ontwikkelingsprocessen, zoals geanalyseerd door de marxistische methode, ons leren over hoe de zaken veranderen in deze wereld?

We kunnen vier kritische keerpunten aanduiden in de tijdstabel van de ontwikkeling. Het eerste keerpunt was de oorsprong van onze planeet zo’n drie tot vier miljard jaar geleden. Het tweede was de ontwikkeling van het leven in de vorm van eenvoudige ééncellige organismen die in de zee leefden zo’n 2,5 miljard jaar geleden (deze tijdsaanduidingen zijn loutere benaderingen maar momenteel algemeen aanvaard). Ten derde was er het verschijnen van de eerste dieren met een ruggengraat zo’n vier tot vijf honderd miljoen jaar geleden. Tenslotte was er de creatie van de mensheid zowat een miljoen jaar geleden. Laten we beginnen bij het derde keerpunt in dit historisch panorama – de eerste vissen. Het Amerikaans Museum van Natuurgeschiedenis heeft een overzicht gemaakt met de belangrijkste ontwikkelingen in de organische evolutie van de eerste vissen tot de mensheid, de hoogste vorm van zoogdieren. De ruggengraat van de vissen was het begin van de basisstructuur voor daaropvolgende verdere ontwikkelingen.

Astraspis, zoals één van de eerste gewervelde specimen wordt genoemd, leefde in het Paleozoïcum in de buurt van Cannon City in Colororado waar haar overblijfselen werden gevonden. Deze oorspronkelijke Amerikaan van vier tot vijf honderd miljoen jaar geleden was erg revolutionair voor die tijd. Dit is wat een gekende expert, Brian Curtis, over deze ontwikkeling zegt in “Het levensverhaal van de vis”:

“Een dier met een ruggengraat komt vandaag niet raar over voor ons. Maar op het ogenblik dat de eerste vis op aarde verscheen, waarbij we beschikken over geologisch onderzoek dat deze ontwikkeling op zowat 500 miljoen jaar geleden dateert, moet dit een miraculeuze verschijning zijn geweest. Het was het allernieuwste model van een dier, een radicaal en misschien op dat ogenblik zelfs roekeloos experiment van de kracht die wij vaak personaliseren als Moeder Natuur.”

Waar bestond dit “radicalisme” dan uit?

“Voor dit ogenblik was er nooit een schepsel dat intern over harde stukken beschikte, in plaats van uitwendig… De natuur had wellicht een brainstorm, verliet alle vroegere methoden en schakelde opeens over naar iets nieuw dat nog nooit gezien was.”

De vis behield een deel van de oude externe pantser, maar het doorslaggevende aspect vanuit het standpunt van de evolutie was toch het verwerven van een ruggengraat. Dit vormde de vis om tot een wezen dat anders was dan alles wat tot dan had bestaan. Het nieuwe wezen met een ruggengraat groeide uit de oude schepsels en ontgroeide het. Maar dat is niet alles. Het ging verder en bereikte nieuwe terreinen van bestaan en activiteit. Het meest revolutionaire aspect van de vis was het feit dat het zorgde voor het startpunt van de volledige hiërarchie van schepsels met een ruggengraat wat uiteindelijk heeft geleid tot de mens zelf.

Deze eerste gewervelde dieren ontwikkelden vanuit de vis, doorheen de amfibieën (die tegelijk in het water en op het land leefden) en de reptielen om uiteindelijk de eerste warmbloedige wezens te vormen: vogels en zoogdieren. De mensheid is het hoogtepunt van de ontwikkeling van zoogdieren. Dit aspect van de dierlijke ontwikkeling wordt erkend door alle wetenschappelijke experts.

Maar deze ideeën en feiten die vandaag gemeengoed zijn, waren in het verleden subversieve opvattingen. We hebben deze wetenschappelijke visie van de organische evolutie geleidelijk aangenomen zonder te beseffen dat deze aanvaarding een onderdeel is van een ommekeer in het menselijke denken over de wereld en de schepsels. Deze ommekeer is pas de afgelopen eeuw op grote schaal gebeurd. Kijk maar hoe enkele generaties geleden de Bijbelse mythen over de creatie van de Westerse wereld nog dominant was.

Twee aspecten van de feiten over gewervelde dieren verdienen bijzondere aandacht. Ten eerste vormde de transfer van de knokige delen van de vis van het uitwendige naar het inwendige een kwalitatieve nieuwe vorm van organische structuur, een breuk in de continuïteit van de ontwikkeling tot dan toe. Het leidde tot een hoger niveau van leven. Iedere bioloog erkent dat feit. Maar dit feit heeft een diepgaander belang dat ons meer zegt over de methoden van evolutionaire verandering in het algemeen. Het toont aan hoe op kritieke punten in de accumulatie van veranderingen buiten en binnen een organisme, de conflictueuze elementen de oude vormen van bestaan opbreken en de progressieve vorming sprongsgewijze overgaat naar een kwalitatief nieuwe en historisch hogere vorm van ontwikkeling. Dat geldt niet enkel voor organische soorten, maar ook voor sociale vormen en denksystemen.

Deze radicale ommekeer kan niet ontkend worden in het geval van het ontstaan en de evolutie van de vis en haar uiteindelijke omwenteling tot hogere soorten. Het is echter veel moeilijker om een dergelijke conclusie te trekken als het gaat om de omvorming van een lagere vorm van sociale organisatie tot een hogere sociale organisatie. Deze aarzeling om de conclusies van de evolutieleer op andere zaken toe te passen, en vooral op het sociale systeem waarin we lezen, vindt haar oorsprong in de vastberadenheid om zoveel mogelijk de nauwe klassenbelangen te verdedigen tegen alle mogelijke tegengestelde krachten en rivaliserende ideeën die erop gericht zijn om een nieuwe orde te vestigen.

Het tweede element dat moet worden benadrukt, is het feit dat de vis als eerste gewervelde dier, een specifieke plaats inneemt in de opeenvolging van organismen. Het is een schakel in een keten van uitdrukkingen van het leven van de eerste ééncellige oerdiertjes tot de meest complexe organismen. Dit eerste schepsel met een ruggengraat kwam voort uit en na een reeks van schepsel die nooit een dergelijke structuur van skelet kenden. Het leidde op zijn beurt tot de ontwikkeling van hogere vormen die veel sterker ontwikkeld waren.

Het lijkt tegenstrijdig, maar veel wetenschappers aanvaarden de ontwikkeling van organische wezens, terwijl ze zich koppig verzetten tegen het uitbreiden van dezelfde wetmatigheden tot de verandering van sociale organismen. Ze zullen niet toegeven dat er een welomlijnde en waarneembare opeenvolging is in de ontwikkeling van de mens, waarbij er gelijkenissen zijn met de stappen in de vooruitgang van de ongewervelde schepsels tot de vis, en doorheen de reptielen en zoogdieren tot de mens.

Dit scepticisme in de sociologie is vooral in deze eeuw uitgesproken aanwezig, en zeker in ons land en haar universiteiten. Dit soort denkers weet natuurlijk dat er heel wat veranderingen zijn geweest in de geschiedenis en dat er heel wat diverse formaties waren op terreinen als de antropologie, archeologie, geschiedenis, sociologie en politiek.

Wat ze echter ontkennen, is dat deze typische uitingen van sociaal leven kunnen – en zelfs moeten – in een bepalende orde van historische ontwikkeling worden geplaatst. Daarbij heeft elk fenomeen een bepaalde plaats in de ontwikkeling van begin tot einde, van lager tot hoger. Ze leren ons dat alle verschillende vormen van cultuur en levenswijzen enkel verschillend zijn van elkaar en dat het onmogelijk of onnodig is om een logische opeenvolging of wetmatige ontwikkeling te zoeken in hun totstandkoming in de sociale realiteit.

Deze visie en methode gaat in tegen een evolutionaire visie, het is onwetenschappelijk en bovendien reactionair. Maar het is verklaarbaar. Het ontkennen van de mogelijkheid om een logica te vinden in de vooruitgang van sociale structuren komt voort uit het verzet van de ongewervelden vandaag – als we de vergelijking doortrekken – tegen de opkomende gewervelden die een hogere organisatievorm vertegenwoordigen. De ongewervelden zijn vastberaden om hen te bestrijden in hun eigen overlevingsstrijd.

De evolutionaire ontwikkeling zelf, met het begin van de opgang van de vis, is het meest effectieve antwoord op deze conservatieve visie. De eerste gewervelden werden gevolgd door zes opeenvolgende progressieve types van vissen in de daaropvolgende honderd miljoen jaar. De meest ontwikkelde vorm was een middelgrote en vleesetende zoetwatervis wiens fossielen werden gevonden in Canada. Dit schepsel bracht de meest tijd door in het water, maar had heel wat functies verworven die nodig zijn om op het land te leven. Vissen zijn gewoonlijk thuis in water, ademen door kieuwen en hebben vinnen. Het was niet normaal tegenover de gevestigde aard van de vissen dat de eerste amfibieën uit het water opstonden, ademden door longen en rondtrokken op poten.

Beeld je nu eens een vis in die eerder achterwaarts keek dan voorwaarts, zoals sommige vissen het doen. Deze achteruitkijkende vis zou tegenover de vooruit bewegende amfibieën zeggen: “Wij vissen, de oudste bewoners, hebben nooit zoiets gedaan; zij kunnen dat dus ook niet doen, ze mogen het niet doen.” Als de amfibieën aandringen, stellen ze: “Dit mag niet gebeuren, het is subversief tegenover de goede oude orde.” Het verzet van de inertie stopte de ontwikkeling echter niet en sommige waterbewoners trokken naar het land en werden landdieren.

Het dierenleven bleef stappen vooruit zetten naarmate de schepsels zich aanpasten en omvormden als reactie op beslissende veranderingen in hun genetische samenstelling en natuurlijke habitat. De amfibieën werden reptielen, met sterker ontwikkelde breinen, ze ademden via hun ribben, legden eieren, hadden ledematen die konden bewegen en sterk ontwikkelde ogen. Het rijk van de reptielen leidde geleidelijk aan naar het rijk van de zoogdieren met overgangstypes die elementen van beide hadden, tot er een volwaardige nieuwe orde de wereld in handen nam.

Zowat 135 miljoen jaar geleden kwam het prototype van dier tot stand dat aan de basis lag van onze voorouders die in bomen leefden. Dit was een schepsel dat op een knaagdier leek en een nieuwe belangrijke stap vooruit betekende in de evolutionaire aanpassingen en activiteit door het land te verlaten en in de bomen te leven. Het feit dat 600.000 jaar in de bomen werd geleefd, veranderde onze dierlijke voorouders van kop tot teen. Ze leerden nieuwe functies aan, hun tanden veranderden, ze ontwikkelden verder tot vormen van apen. De bloedverwantschap tussen die laatsten en de mens is zo nauw dat het moeilijk is om een onderscheid te maken tussen een embryo van de hoogste apenvormen en dat van de mens.

De natuurlijke omstandigheden waren uiteindelijk aanwezig voor het ontstaan van de mensheid. Het is waarschijnlijk dat veranderingen in het klimaat en geografische omstandigheden verbonden met de eerste ijstijd sommige primaten uit de bomen en de bossen hadden gehaald om op vlaktes te gaan leven. Een reeks van belangrijke anatomische ontwikkelingen bereidden de weg voor de ontwikkeling van de mens voor. Het feit dat het been in het bekken korter werd, maakte het voor de primaten mogelijk om rechtop te staan, het leidde tot een verschil tussen de voorste en de achterste ledematen en een ontwikkeling van de handen. Het brein werd groter. Een binoculair gezicht en vocale organen maakten het menselijke zien en spreken mogelijk.

Het centrale biologische orgaan voor de creatie van de mensheid was de hand. De hand stond tegenover de voeten en de duim stond tegenover de vier andere vingers. Deze tegenstelling tussen de duim en de andere vingers was een van de meest vruchtbare en dynamische eenheden van tegengestelden in de ontwikkeling van de mensheid. De mogelijkheden van de duim om zichzelf tegenover de andere vingers te plaatsen, gaven de hand uitzonderlijke mogelijkheden om zaken vast te pakken en dingen te manipuleren met een extreme flexibiliteit en gevoeligheid. Deze verworvenheid maakte de biologische combinatie van handen, ogen en brein mogelijk. Samen met een langere periode van zorg door de moeder voor haar kinderen, waren de natuurlijke vereisten voor sociaal leven voor handen.

* * *

Op dit punt moet er iets gezegd worden over het meest gehoorde argument tegen socialisme: “Je kan de menselijke natuur niet veranderen”. Wat is er aan van dat argument?

Eens de ontwikkeling van de organische evolutie wordt aanvaard, komt er minstens één logische conclusie uit voort: de natuur van vissen kan worden veranderd. Het werd veranderd in een amfibie, reptiel, vogel, zoogdier en uiteindelijk in de menselijke natuur. Het zout in ons lichaam is één van de vele herinneringen in ons lichaam van onze afkomst van onze overgrootvader vis in de oceanen zoveel millennia geleden.

Dit leidt tot de volgende pertinente vragen over sociale verandering: als vissen kunnen veranderen, of zo sterk veranderd zijn, op welke basis worden dan strikte beperkingen opgelegd als het over de veranderlijkheid van de mens gaat? Verloor onze soort haar vervormbaarheid, haar potentieel voor radicale verandering in de lijn van de transitie van de primaten naar de mens?

Het tegendeel is waar. In de overgang naar de mensheid, behield onze soort niet alleen alle capaciteiten voor progressieve verandering die inherent zijn aan de natuur, maar bovendien werden deze mogelijkheid vermenigvuldigd tot een onooglijk hoger niveau tot een volledig nieuwe dimensie omdat voorheen ongekende manieren en middelen voor evolutionaire vooruitgang tot stand kwamen.

Het duurde vier tot vijf honderd miljoen jaar om de biologische voorwaarden te creëren die nodig waren voor het totstandkomen van de eerste voormenselijke wezens. Deze omstandigheden kwamen niet tot stand door de vooruitziendheid of het inzicht van iemand, of volgens een plan met de bedoeling om een vooropgesteld doel te bereiken. We kunnen stellen dat het gebeurde als een logisch resultaat van een reeks van toevallige gebeurtenissen in het natuurlijk leven, vooruitgestuwd door de strijd om te overleven, om uiteindelijk haar hoogtepunt te bereiken in de ontwikkeling van een bijzondere vorm van primaat met de capaciteit om verder te gaan dan dierlijke machten.

Op dat keerpunt, zo’n miljoen jaar geleden, zagen we de meest radicale verandering van het leven op deze planeet. De opkomst van de mensheid omvatte iets totaal anders dat de basis zou worden van een unieke ontwikkelingslijn. Wat was zo anders? Het was de overgang van het dierlijke alleen-zijn naar het menselijke collectivisme, van een puur biologische gedragswijze tot het gebruik van verworven sociale mogelijkheden.

Van waar kwamen deze nieuwe kunstmatige mogelijkheden die het begin betekenden van de opkomst van de mensheid als anders dan alle andere diersoorten en onze soort boven de anderen plaatste met de mensheid als dominante levenswijze? Onze dominantie vandaag is onbetwistbaar aangezien we de mogelijkheid hebben om onszelf en alle andere vormen van leven te vernietigen, alsook om deze te veranderen.

De fundamentele nieuwe mogelijkheden die de mens verworven heeft, waren de productiekrachten waarbij de mens erin slaagde om in zijn onderhoud te voorzien door het gebruik van gereedschap en gezamenlijke arbeid, waarbij het resultaat werd gedeeld. Ik zal vier belangrijke factoren in dit proces aanhalen.

Het eerste bestond uit samenwerking bij het zoeken van voedsel en het verdelen ervan. Het tweede was het gebruik en later het maken van hulpmiddelen voor het eerste aspect. Het derde was de ontwikkeling van de spraak en het redeneren dat voortkwam uit en gestimuleerd werd door het samen leven en werken. Het vierde was het gebruik en het onder controle krijgen van en bijhorende eigen productie van vuur. Vuur was de eerste natuurmacht, het eerste chemische proces, dat aan het sociaal nuttig gebruik van de opkomende mensheid werd onderworpen.

Dankzij deze nieuwe machten, was de opkomende mensheid in staat om bijzonder snel veranderingen op te nemen in de ontwikkeling van haar soort en later van de wereld rond ons. De geschiedenis van de afgelopen miljoen jaar is in essentie deze van de vorming van de mensheid en haar aanhoudende veranderingen. Dit heeft op zijn beurt geleid tot de verandering van de wereld rondom ons.

Wat heeft het de mens mogelijk gemaakt om zo’n omvangrijke veranderingen te veroorzaken bij zichzelf en zijn omgeving? Alle biologische veranderingen van het afgelopen miljoen jaar vormden samen geen prominente factor in de vooruitgang van de menselijke soort. In deze periode heeft de mensheid echter het ruwe materiaal dat het erfde van ons dierenverleden opgenomen, het heeft het gesocialiseerd, vermenselijkt en gedeeltelijk, maar niet volledig, beschaafd gemaakt. De as van de menselijke ontwikkeling, tegenover deze van de dieren, draait rond deze sociale processen en niet zozeer rond biologische processen.

De drijfveer van dit proces komt voort uit de verbetering van de productiekrachten, wat werd verworven naarmate de menselijke behoeften groter werden. Door het ontdekken en het gebruiken van diverse middelen en kenmerken van de wereld rond zich, groeide het begrip van de mens over zijn mogelijkheden om levensmiddelen te produceren. Terwijl deze ontwikkelden, werden ook alle andere sociale krachten – de kracht om te spreken, te denken, kunst, wetenschap,… – versterkt.

Het beslissende verschil tussen de hoogste diervormen en onszelf bestaat uit onze ontwikkeling van de middelen en krachten van productie en vernietiging (twee aspecten van eenzelfde fenomeen). Dit is niet enkel verantwoordelijk voor het kwalitatief verschil tussen de mens en andere dieren, maar ook tussen specifieke verschillen van niveaus van menselijke ontwikkeling. Wat de mensen van het Stenen Tijdperk onderscheidt van deze in het IJzeren Tijdperk, en het barbaarse leven van de beschaafde samenlevingen, is het verschil in de totale krachten van productie waarover deze mensen beschikten.

Wat er gebeurt als twee verschillende niveaus van productieve en destructieve krachten de confrontatie met elkaar aangaan, zagen we op dramatische wijze toen de Spaanse veroveraars de Westelijke hemisfeer binnenvielen. De Indianen waren gewapend met pijl en boog, de indringers hadden musketten en buskruit. De Indianen hadden kano’s en peddels, de Spanjaarden grote zeilschepen. De Indianen droegen leer of opgevulde jasjes om zich te beschermen tijdens gevechten, de Spanjaarden hadden ijzeren beschermingsmiddelen. De Indianen hadden geen getemde dieren om zich voort te bewegen, maar trokken te voet verder. De Spanjaarden hadden paarden. De superieure uitrusting van de Spanjaarden leidde tot terreur en zorgde ervoor dat de conquistadores hun tegenstanders konden verslaan met minder manschappen.

Dit uitgangspunt van het historisch materialisme is makkelijker te begrijpen voor ons omdat we het privilege hebben om de eerste fase van de technologische revolutie mee te maken, waardoor we heel wat verder staan dan pakweg bij het bedwingen van het vuur een half miljoen jaar geleden. We hebben de controle verworven over het proces van nucleaire splitsing en fusie. Deze nieuwe energiebron heeft nu reeds de verhoudingen tussen regeringen drastisch veranderd en heeft geleid tot nieuwe methoden van oorlogsvoeren. Het zal de industrie veranderen, net als de landbouw, medicijnen en andere vormen van sociale activiteit.

Van waar kwam deze technologische revolutie? De mensheid onderging geen fundamentele biologische veranderingen in de afgelopen periode. Er waren ook geen plotse veranderingen in de menselijke denkwijze, hun gevoelens of hun morele opvattingen. Deze enorm machtige kracht van productie en vernieling komt voort uit de volledige voorgaande ontwikkeling van de productiekrachten in deze samenleving en alle wetenschappelijke kennis en middelen die daarmee gepaard gingen. Atoomkracht is momenteel de laatste schakel in de keten van verworven krachten die allen teruggaan op de eerste elementen van sociale productie: samenwerking van menselijke arbeid in het voorzien van levensmiddelen, het gebruik en aanmaken van gereedschap, het ontwikkelen van spreken en denken, het bedwingen van vuur. Kernenergie is de meest recente vrucht van de zaden die werden geplant in de oude samenlevingen, die opgroeiden en verbeterd werden door de mensheid in haar opwaartse klim.

* * *

Laten we nu even terugkomen op dat opmerkelijke orgaan van ons: de hand. De hand diende onder primaten aanvankelijk enkel om voedsel naar de mond te brengen. Het werd door de mens omgevormd tot een orgaan om zaken mee vast te grijpen, om materiaal te gebruiken en uiteindelijk gereedschap te maken. De hand is een biologisch prototype van een hulpmiddel, het is een vereiste en een noodzaak om arbeid te verrichten. De overgang van de hand tot een vorm van gereedschap viel samen met de creatie van de samenleving en de progressieve ontwikkeling van de mens en zijn latente krachten.

De samenhang tussen de meest rudimentaire gereedschappen en de complexe instrumenten van de productie in het actuele industriële systeem, werd grafisch geïllustreerd in een grafiek van de Do-All Corporation van Des Plaines, Illinois, de sponsor van een rondtrekkende tentoonstelling dat beweerde de “de allereerste poging” te zijn om “de volledige geschiedenis te brengen van het menselijke gereedschap”. Deze tentoonstelling brengt de verschillende fasen van de vooruitgang van technologie.

De eerste bekende vormen van gereedschap, dateren volgens sommige wetenschappers van zo’n miljoen tot anderhalf miljoen jaar geleden. Het ging om delen van een gebroken steen met uiteinden die nuttig waren om vlees te snijden, het schaven van huiden of het opgraven van wortels. Deze gereedschappen waren niet veel meer dan eenvoudige extensies van de hand. Ze waren niet gericht op specifieke functies, maar waren nuttig om op iets te slaan, te werpen, het schrapen, boren, snijden,…

In een volgende stadium onderging het gereedschap verbeteringen langs twee grote lijnen: de scherpe zijde om te snijden werd efficiënter gemaakt en aangepast voor specifieke doeleinden. De mens leerde omstenen te bewerken tot een vooraf bepaalde vorm, onder meer door een scherpere snijkant te maken. Een grotere variëteit aan hulpmiddelen, zoals bijlen, scherpe boren, dun gescherpte bladen, beitels en andere voorlopers van de actuele gereedschappen, kwam tot stand.

Deze hulpmiddelen verminderden de tijd die nodig was om te voorzien in het onderhoud en onderdak, waardoor het sociaal niveau van de productie vooruitging en de levensstandaard kon stijgen. Bovendien versterkten deze nieuwe productieve activiteiten de mentale capaciteiten van de mens. De complexiteit van specifieke hulpmiddelen geeft aan dat de mens mentaal in staat werd om te begrijpen dat het nodig is om eerst de middelen te produceren, vooraleer het doel kon worden bereikt. Mentale concepten van een specifiek gebruik waren voorlopers van zowel het uitwerken als het ontwerpen van deze gereedschappen.

Elk van de volgende stappen in de verbetering van het gebruik van gereedschap en het maken van gereedschap, leidde telkens tot het economiseren van arbeidstijd, en een toegenomen arbeidsproductiviteit, betere levensomstandigheden en het vergroten van de intellectuele mogelijkheden van de mens. De drijvende kracht van de menselijke geschiedenis komt voort uit de grotere arbeidsproductiviteit die mogelijk werd door beslissende stappen vooruit in de technieken en hulpmiddelen voor productie.

Dit zagen we reeds bij de ontwikkeling van het jagen. Aanvankelijk slaagde de mens er in regel slechts in om kleine en trage dieren te vangen. Een meer regelmatige consumptie werd mogelijk door de uitvinding van jaagmiddelen zoals de speer, een middel om speren mee te gooien en de pijl en boog. Dat laatste was het eerste middel dat energie vasthield tot het bewust werd vrijgelaten. Deze uitvindingen versterkten de mogelijkheden en de slagkracht van de primitieve jagers waardoor ze voortaan ook op snellere en grotere dieren konden jagen.

Alle basis gereedschappen van vandaag – bijl, dissel, mes, boor, schraper, beitel, zaag – werden allen ontwikkeld in het Stenen Tijdperk. De eerste metalen, zoals brons, zouden pas 3500 jaar geleden het steen vervangen als centraal materiaal voor het maken van gereedschap. Het metaal zorgde ervoor dat er een meer efficiënte en duurzame snijkant kon worden gemaakt voor gereedschap. Het zorgde er bovendien voor dat het mogelijk werd om gereedschap opnieuw te slijpen in plaats van het weg te gooien na veelvuldig gebruik.

In de periode dat bronzen gereedschap de belangrijkste rol speelden in de productie, kwamen er ook middelen en meeteenheden. Hierdoor ontwikkelde de wiskunde en kwam er ook een kalender tot stand. Er werden ook belangrijke stappen vooruit gezet op het vlak van het beeldhouwen. Basisuitvindingen zoals het wiel, de weegschaal, de hoeksteenboog, vaartuigen en glazen flessen kwamen tot stand.

Zo’n 2500 jaar geleden begon ijzer, het meest duurzame en goedkope metaal, brons te vervangen bij het maken van gereedschap. De invoering van ijzeren gereedschap zorgde ervoor dat de productiviteit enorm werd versterkt en dat de vaardigheden inzake landbouw en vakmanschap. Het liet toe om meer voedsel te produceren, betere kleding en onderdak met minder tijd en energie. Het leidde tot meer comfort en gemak. IJzeren gereedschap maakte de vooruitgang van Griekenland en Rome mogelijk, van het Acropolis in Athene tot de tunnels, bruggen, riolen en gebouwen in Rome.

De energie van al deze vroege middelen en productiewijzen werd exclusief aangedreven door menselijke spieren. Die werden na het temmen van dieren, tot op zekere hoogte aangevuld met dierlijke spierkracht. De Industriële Revolutie van de 18de eeuw was erop gericht om energie te gebruiken uit andere bronnen, zoals fossiele brandstoffen uit kool. De combinatie van mechanische kracht die werd voorgebracht door stoommachines, het bestaan van machines, verbeterde toepassingen,… naast het toegenomen gebruik van ijzer en staal hebben de productiekrachten van de samenleving vergroot tot het actuele niveau. Vandaag maken machines en gereedschap gebruik van mechanische en elektrische energie en vormen zij de belangrijkste instrumenten van onze industrie en tevens ook van de landbouwproductie.

De meest moderne machines komen voort uit de meest eenvoudige gereedschappen. De mens begon door het gebruik van eenvoudig gereedschap een beter begrip te hebben van de voordelen van hefbomen, katrollen, het wiel, de as en de schroef om hun kracht te vermenigvuldigen. Deze fysieke principes werden later gecombineerd en toegepast bij het maken van machines.

Deze volledige ontwikkeling van technologie is organisch verbonden met en heeft een grote verantwoordelijkheid voor het ontwikkelen van de intellectuele capaciteiten van de mens. Dit werd ook duidelijk gemaakt in de volgende begeleidende paragraaf bij de tentoonstelling van de Do-All Corporation:

“Machines voeren op ingewikkelde manieren de zelfde basisfuncties en de handelingen uit als handgereedschap. Deze basisfuncties werden gevestigd door stenen gereedschap dat met de hand werd bediend door de primitieve mens. Het was door het bedenken en gebruiken van handvervaardigde hulpmiddelen in steen dat de mensheid capaciteiten ontwikkelde op het vlak van geestelijke en lichamelijke coördinatie… en dit versnelde op zijn beurt de toename van de geestelijke capaciteiten van de mens.”

Dergelijke ideeën over de invloed van technologie op het denken in een publicatie van een gerespecteerd kapitalistisch bedrijf, lijken sterk op de ideeën die we vinden in de teksten van Marx en Engels. De gedachtecontrole mag dan al proberen om het historisch materialisme uit de socialistische deur naar buiten te drijven, het glipt gewoon terug binnen langs een kapitalistisch raam.

* * *

De tentoonstelling van Do-All toont aan dat de evolutie van gereedschap kan worden opgedeeld in een chronologische reeks met een opklimmende volgorde, van houten en stenen handgereedschap doorheen metalen gereedschappen tot machines die met aangedreven energie werken. Is het dan mogelijk om op gelijkaardige wijze opeenvolgende stadia van sociale organisatie aan te duiden?

Het historisch materialisme beantwoordt die vraag affirmatief. Breed genomen – en rekening houdende met het feit dat iedere grote historische indeling nog verder kan worden ingedeeld in kleinere delen – kunnen er drie grote historische periodes worden onderscheiden in de groei van de mens uit het dierenrijk tot het atoomtijdperk: de wreedheid, de barbarij en de beschaving.

Napoleon stelde ooit dat een leger marcheert op zijn maag. Dat klopt alleszins als we naar de voorwaartse mars van het leger van de mensheid kijken. Het verwerven van voedsel is steeds de beslissende doelstelling geweest van sociale productie. De mens kan niet overleven, laat staan vooruitgaan, als hij niet regelmatig iets doet aan zijn honger.

De voornaamste perioden van de vooruitgang van de mensheid kunnen dan ook worden ingedeeld naargelang de belangrijke stappen vooruit in het verwerven en veilig stellen van voedselvoorraden. De periode van de wreedheid, de kindertijd van de mensheid, omvat de periode dat de mensen voor hun voedsel afhankelijk waren voor wat de natuur hen volledig afgewerkt leverde. Hun voedsel kwam van planten, zoals fruit of andere vruchten, van insecten, vogels of dieren of van de kust en het zeeleven. Op dat ogenblik voorzagen de mensen in hun voedsel zoals roofdieren of ze grepen het vast als andere dieren – met dit erg belangrijke verschil dat ze met elkaar samenwerkten en begonnen eenvoudige en ruwe gereedschappen te ontwikkelen om hun bestaansmiddelen te “verbeteren” in het kader van hun collectief verbruik.

De belangrijkste economische activiteiten op dit ogenblik waren het zoeken van voedsel, jagen en vissen. Deze activiteiten werden in deze volgorde ontwikkeld. Stokken en speren hielpen de wilde mens om de ruwe materialen te verzamelen voor zijn maaltijden, kledij en onderdak – typische elementen voor alle dieren met een vaste verblijfplaats. Het net was nuttig om vis te vangen en vuur om het op consumptie voor te bereiden. De Indianen van zuidelijk Californië bevonden zich nog in dit stadium toen de eerste blanke kolonisten er twee eeuwen geleden aankwamen.

De barbarij is de tweede fase van de sociale organisatie. Het was gebaseerd op het temmen van dieren en het telen van planten. Het voedsel wordt nu niet enkel meer verzameld, maar ook geproduceerd. Het temmen van vee, schapen, varkens en andere dieren leverde een vleesvoorraad op, maar ook voedsel in de vorm van melk van geiten en koeien. Het planten en telen van granen zorgde ervoor dat er regelmatig en voldoende voedsel voor handen was.

Deze revolutie op het vlak van de voedselproductie begon in Azië 6000 tot 10.000 jaren geleden. Het zorgde ervoor dat de mens voor het eerst boven een onderworpen positie tegenover de externe natuur uit kwam. Tot op dat ogenblik was de mensheid afhankelijk van wat de natuurlijke omgeving aanbood om te voorzien in de noden. De mens was voor zijn voortbestaan volledig afhankelijk van externe en oncontroleerbare natuurlijke omstandigheden. Volledige groepen en culturen van mensen kwamen op, bloeiden en verdwenen even snel, net zoals planten of dierensoorten, bij veranderen in de natuur rond hen.

Zo was er twintig tot dertig duizend jaar geleden een samenleving die opkwam in het zuiden van Frankrijk en die de Rendier Cultuur wordt genoemd. Deze mensen werden gekenmerkt door het feit dat ze jaagden op grote rendieren en herten die vaak voorkwamen bij de vegetatie in deze streek. De tekeningen die deze mensen maakten, die de afgelopen decennia werden ontdekt in grotten, getuigen van de aandachtigheid waarmee ze keken en dachten alsook van de gevoeligheid van hun handen. Hierdoor hoorden ze bij de beste artiesten die ooit voortkwamen op aarde. Maar toen het klimaat wijzigde en de vegetatie zich aanpaste waardoor de rendieren en herten verdwenen, stierf hun volledige cultuur en wellicht ook deze bevolking uit.

De eerste jagers hadden geen zekere controle over hun mobiele voedselbronnen. De onzekerheid van dit leven werd overkomen, of toch aanzienlijk beperkt, door het aanleggen van voorraden en de technieken die daarmee gepaard gingen. Dat was zeker het geval met de ontwikkeling van landbouwtechnieken. Voor het eerst werden methoden gebruikt om uitgebreide en steeds grotere voorraden voedsel te verkrijgen op basis van aanhoudende en systematische activiteiten van samenwerkende groepen. Deze opdeling van economische activiteit maakte het mogelijk dat er grotere en meer compacte bevolkingsgroepen ontwikkelden.

Deze activiteiten en hun grotere productiviteit vormden de basis voor de hoogstaandere cultuur van de barbarij. Landbouw en het aanleggen van voorraden leidde tot de ontwikkeling van ambachten als het smelten of bakken van potten. De toename van de voorraden maakten het nodig om voedsel te gaan stockeren en te transporteren. De mens ging meer op een vaststaande plaats wonen, er kwamen permanente groepen van mensen die samenleefden in vaste verblijfplaatsen waardoor het dorpsleven tot stand kwam.

In hun verdere en finale ontwikkeling, creëerden de economische activiteiten onder de barbarij de voorwaarden voor de totstandkoming van de beschaving. De materiële basis voor de beschaving was de mogelijkheid die de meest beschaafde bevolkingsgroepen hadden opgebouwd om te voorzien in een regelmatige productie van meer voedsel en goederen dan wat nodig was voor hun eigen fysiek onderhoud. Deze overschotten hadden twee gevolgen. Ze lieten specifieke delen van de gemeenschap toe om zich te richten op andere activiteiten naast de directe verwerving en productie van de basismiddelen voor het leven. Er kwamen specialisten zoals priesters, notabelen, koningen, ambtenaren, pottenbakkers, handelaars, bouwvakkers en andere vaklui.

Met de groei van de specialisaties en de uitbreiding van de handel, kwamen de toplagen van deze groepen in een strategische positie terecht waardoor een deel van hen er in slaagde om een groot persoonlijk deel van het surplus aan rijkdom te verwerven. De drang om de persoonlijke rijkdom op basis van een grotere sociale verdeling van arbeid en uitwisseling van goederen, leidde er uiteindelijk toe dat het privaat bezit tot stand kwam, net als de familie, slavernij, klassentegenstellingen, grootschalige productie van grondstoffen, handel, geld, steden en de territoriale staten met een eigen leger, politie, rechtbanken en andere relaties en instellingen die kenmerkend zijn voor de beschaving.

* * *

In haar evolutie tot vandaag, kan de beschaafde samenleving worden opgedeeld in drie belangrijke periodes: de slavernij, het feodalisme en het kapitalisme. Elk van deze periodes wordt gekenmerkt door de specifieke wijze waarop de heersende bezittende klasse aan de kop van de sociale ladder er in slaagt om zich het surplus aan rijkdom toe te eigenen ten koste van de massa’s die de rijkdom creëren. Deze volledige periode omvat slechts een korte periode van de afgelopen vijf tot zes duizend jaar.

De beschaving kwam tot stand op basis van een directe vorm van slavernij. De economische factoren die het einde betekenden van de barbarij en die de beschaving mogelijk maakten, zorgden voor de materiële voorwaarden om slavenarbeid in te voeren. De verdeling van arbeid met het hoeden van kuddes, het telen van gewassen, het ontginnen van metalen en het aanpassen van goederen met het oog op verkoop, zorgde ervoor dat de meest ontwikkelde samenlevingen meer konden produceren dan wat nodig was voor het onderhoud van de werkenden. Hierdoor werd slavernij voor het eerst mogelijk en winstgevend. Het gaf een stimulus aan de onstilbare honger van de individuele bezitters van de productiemiddelen die een steeds groter deel van de surplus aan rijkdom wilden binnenhalen. Het bezitten van slaven en het weren met slaven werd de economische basis voor een nieuw type van sociale organisatie, de bron voor een versterking van de macht, het prestige en de privileges. En het zorgde er uiteindelijk voor dat de hele structuur van het beschaafde leven werd gewijzigd.

De slavernij was op zich een bijzonder belangrijke stap vooruit en het is uitdrukkelijk menselijk. Dieren kunnen zich voederen aan de hand van karkassen van andere dieren, maar ze leven niet van de overschotten die worden gecreëerd. Vandaag is er terecht een afkeer tegenover iedere vorm van slavernij en we moeten opkomen om de laatste uitingen ervan te stoppen, maar tegelijk moeten we erkennen dat de slavernij op haar hoogtepunt een bestaansreden had en zelfs noodzakelijk was.

De wetenschap vereist dat ieder fenomeen op een objectieve wijze wordt benaderd, geanalyseerd en beoordeeld, waarbij de persoonlijke reacties van bewondering of verwerping opzij worden gezet. Het historisch materialisme moet verklaren van waar de slavernij kwam en waarom het werd toegepast door de meest ontwikkelde delen van de mensheid. De belangrijkste reden was, naast het private bezit van de productiemiddelen en een groeiende uitwisseling van producten, het feit dat slavenarbeid de productiekrachten verhoogde, de rijkdom deed toenemen en daarmee samengaand ook het comfort en de cultuur – ook al bleef dat beperkt tot een kleine toplaag – en dit zorgde er uiteindelijk voor dat de mensheid in haar geheel werd vooruit gestuwd gedurende een volledige historische periode. Zonder de slavenarbeid, zou er een onvoldoende accumulatie van rijkdom zijn geweest om op deze basis het productieproces opnieuw te versterken.

De historische noodzaak van slavernij kan op twee manieren worden aangetoond. De volkeren die niet overgingen tot een periode van slavernij, slaagden er niet in om tot de beschaving door te dringen, hoeveel uitzonderlijke kwaliteiten ze ook hadden. Ze bleven onder dat niveau omdat hun economie de interne drijfveer van inhaligheid miste alsook de dynamiek die voortkwam uit de pogingen van de slavenhouders om de slaven harder uit te buiten om hun rijkdom te vergroten. Dat is een negatieve manier om de noodzaak van slavernij aan te tonen.

Er is ook een meer positief bewijs. Die staten die zich baseerde op één of andere vorm van slavernij, zoals de meest briljante culturen van de oudheid van Babylon tot Egypte en Griekenland en Rome, droegen ook het meeste bij tot het proces van beschaving, van karren met wielen en de ploeg tot het schrijven en de filosofie. Deze samenlevingen stonden vooraan in het sociale proces.

De slavernij vormde het begin en de basis van de oude beschavingen, maar vormde op zijn beurt ook de voorwaarden en krachten die deze samenlevingen zouden ondermijnen en omverwerpen. Eens de slavernij de dominante productiewijze was, zowel in de industrie zoals in Griekenland als in de landbouw zoals in Rome, leidde het niet langer tot een ontwikkeling van landbouwtechnieken, vakmanschap, handel of andere sectoren. De slavenrijken van de oudheid stagneerden en desintegreerden tot ze na een periode van enkele eeuwen werden vervangen door de twee belangrijkste types van feodale organisatie: de Aziatische en de West-Europese types.

Beide nieuwe productievormen en sociale organisaties waren superieur aan de slavernij, maar de West-Europese vorm bleek heel wat productiever en dynamischer te zijn. Onder het feodalisme kregen de werkenden meer van hetgeen ze produceerden dan de slaven voor hen, ze hadden zelfs toegang tot de grond en andere productiemiddelen. Lijfeigenen en boeren hadden meer vrijheid en konden een zekere graad van cultuur opdoen.

Het resultaat van een lange lijst van technologische en andere sociale vooruitgang vormde samen met een opeenvolging van uitzonderlijke historische omstandigheden de basis voor het feit dat het feodale Europa in haar schoot een nieuwe en hogere vorm van klassensamenleving zou ontwikkelen, met name het kapitalisme. Hoe en waarom kwam het kapitalisme tot stand?

Het geld kwam op vanuit de uitbreiding van de handel enkele duizenden jaren geleden. Hierdoor werd het mogelijk om geld als kapitaal te gebruiken. Handelaars konden hun rijkdom vergroten door goederen goedkoop op te kopen en duur te verkopen, kredietverstrekkers and hypotheekhouders konden intrest vragen op voorgeschoten sommen met grond of andere zaken als onderpand. Deze praktijken kwamen veelvuldig voor tijdens de slavernij en de feodale samenlevingen.

Maar als het geld reeds in voor-kapitalistische tijden werd gebruikt om meer op te brengen dan de gedane investering, dan zullen er nog andere voorwaarden nodig zijn om het kapitalisme als afzonderlijk en uitgewerkt wereld economisch systeem te ontwikkelen. De centrale voorwaarde was een speciale vorm van transactie die regelmatig werd herhaald op een groeiende schaal. Grote aantallen van bezitsloze arbeiders moesten zichzelf uitlenen aan diegenen die over geld beschikten alsook over andere productiemiddelen. Dat was nodig om zelf te overleven.

Mensen aannemen en ontslagen, lijkt voor ons een normale wijze om de productie te organiseren. Maar bijvoorbeeld de Indianen hebben dat systeem nooit gekend. Voor de Europeanen kwamen, had geen enkele Indiaan ooit voor een baas gewerkt. Het woord “baas” zelf werd ingevoerd door de Hollanders. De Indianen bezaten immers hun eigen middelen om te overleven. De slaaf kon worden gekocht en was dan voor de rest van zijn leven eigendom van zijn meester voor wie hij ook moest werken. De feodale slaaf of lijfeigene was eveneens heel zijn leven verbonden aan zijn landheer en zijn grond.

De vernieuwing van het kapitalisme bestond eruit dat er nu werd gewerkt voor een loon en dat dit systeem de dominante productieverhouding werd. De meesten onder jullie zijn reeds naar de arbeidsmarkt gegaan, naar een personeelsdienst of aanwervingkantoor, om een koper te vinden voor je arbeidskracht. De werkgever koopt deze kracht op tegen vooraf bepaalde tarieven per uur, dag of week. Hierna wordt de arbeidskracht onder zijn toezicht ingezet om goederen te produceren die hierna door het bedrijf met winst worden verkocht. Die winst komt voor uit het feit dat de loonarbeiders meer waarde produceren dan wat de kapitalist betaalt voor hun arbeid.

Tot in de 20ste eeuw was dit mechanisme om meerarbeid uit de arbeidende massa’s te pompen en de overschotten van rijkdom die aldus werden gecreëerd om te zetten in persoonlijke winst voor de kapitalist, de belangrijkste factor om de productiekrachten te vergroten en de beschaving uit te breiden. Het kapitalisme is als afzonderlijk economisch systeem slechts zo’n 450 jaar oud, maar het is er in die tijd wel in geslaagd om de volledige wereld te veroveren. Dat is een erg korte periode in vergelijking met de wreedheid die meer dan een miljoen jaar stand hield of de barbarij die zo’n vijf duizend jaar duurde. De processen van sociale verandering zijn vandaag duidelijker heel wat sneller geworden.

Deze versnelling van sociale processen komt grotendeels door de aard van het kapitalisme dat aanhoudend de productietechnieken verbetert alsook de sociale relaties die hieruit voortkomen. Sinds het totstandkomen van het kapitalisme, waren er drie belangrijke fasen van interne omvorming. In haar vormingsperiode waren de handelaars de belangrijkste klasse van kapitalisten omdat handel de belangrijkste bron van rijkdomaccumulatie was. Onder het handelskapitalisme werden industrie en landbouw, de peilers van de productie, niet zozeer uitgevoerd door loonarbeiders maar door kleinschalige vakmannen, boerenfamilies, slaven of lijfeigenen.

Het industriële tijdperk begon rond het begin van de 19de eeuw met de toepassing van stoomenergie in de eerste mechanische processen waarbij grote aantallen loonarbeiders in de fabrieken werkten. De kapitalistische aanvoerders van deze grootschalige industrie werden heersers op het vlak van de productie en later verwierven ze volledige landen en continenten naarmate hun rijkdom, hun legioenen van loonarbeiders, sociale en politieke macht steeds grotere vormen aannamen.

Deze krachtige, uitbreidende, progressieve, zelfverzekerde en concurrentiële fase van het industriële kapitalisme was dominant in de negentiende eeuw. Het ging in de twintigste eeuw over in een monopoliekapitalisme dat alle basis tendensen van het kapitalisme, in het bijzonder de meest reactionaire elementen, tot in het extreme heeft uitgevoerd op het vlak van economie, politiek, cultuur en internationale verhoudingen. De productieprocessen zijn meer gecentraliseerd, gerationaliseerd en gesocialiseerd, waarbij de productiemiddelen en de rijkdom steeds meer geconcentreerd is in de handen van grote financiële en industriële instanties. In de kapitalistische landen is het al zo ver gekomen dat de kapitalistische monopolies van één land, de VS, zowat alles beslissen.

* * *

De belangrijkste vraag die nu moet worden gesteld is: wat is het lot van de ontwikkeling van de beschaving in haar kapitalistische vorm? Los van pogingen tot tweeslachtige antwoorden, die uiteindelijk de kwestie uit de weg gaan, zijn er twee onverenigbare standpunten die overeenkomen met het standpunt van twee klassen die tegenover elkaar staan. De woordvoerders van het kapitalisme stellen dat er niets meer moet veranderen, het actuele systeem kan enkel nog verbeterd worden zodat het gewoon verder gaat zoals nu. Zo was er eerder het voorbeeld van de tentoonstelling van de Do-All Corporation, waarbij er een mooi beeld werd gegeven van de ontwikkeling van gereedschap. De conclusie die door de makers van deze tentoonstelling werd gemaakt, is dat er meer en betere machines tot stand zullen komen. Uiteraard hoopt het bedrijf dat deze machines bij haar zullen worden gekocht waardoor er een mooie winst wordt geboekt. Dat zou zorgen voor blijvende vooruitgang en welvaart in het kapitalistische Amerika, uiteraard zonder enige verandering in de bestaande klassenverhoudingen.

Socialisten geven een totaal ander antwoord op basis van een onnoemlijk diepgaandere, correcte en omvattende analyse van de bewegingswetten van de geschiedenis, de structuur van het kapitalisme en de strijd die momenteel plaats vindt in de wereld. De historische functie van het kapitalisme is niet om zichzelf oneindig lang te blijven verder zetten, maar om de voorwaarden te creëren en de krachten voor te bereiden die het kapitalisme kunnen vervangen door een meer efficiënte vorm van materiële productie en een hogere vorm van sociale organisatie. Net zoals het kapitalisme de opvolger werd van het feodalisme en het slavendom, en net zoals de beschaving de barbarij omver heeft geworpen, komt ook de tijd om het kapitalisme omver te werpen. Hoe en door wie kan deze revolutionaire omvorming worden gerealiseerd?

In de vorige eeuw heeft Marx een wetenschappelijke analyse gemaakt van hoe het kapitalistisch systeem functioneert. Daarin maakte hij de interne tegenstellingen duidelijk die zullen leiden tot haar ondergang. De revoluties van de 20ste eeuw, sinds 1917, geven aan dat het kapitalisme uiteindelijk naar het museum van verouderde zaken zal worden verwezen. Het is belangrijk om de onderliggende oorzaken van deze ontwikkelingen te begrijpen. Voor de verdedigers van het kapitalistische systeem lijken deze ontwikkelingen echter onverklaarbaar.

Het kapitalisme heeft doorheen haar ontwikkeling heel wat zaken voortgebracht, zowel goede als slechte. De meest belangrijke en waardevolle van alle sociale krachten die het heeft gecreëerd is de industriële arbeidersklasse. De kapitalistische klasse heeft gezorgd voor de ontwikkeling van een groot leger van loonarbeiders, dat gecentraliseerd en gedisciplineerd wordt ingezet in het belang van de kapitalisten door het maken en laten draaien van machines, fabrieken en alle andere vormen van productie en transport waaruit winst wordt voortgebracht.

De uitbuiting en het misbruik, die inherent en onvermijdelijk zijn in de kapitalistische organisatie van het economisch leven, hebben de arbeiders er telkens opnieuw toe aangezet om zich te organiseren en militante acties op te zetten om hun elementaire belangen te verdedigen. De strijd tussen deze verschillende sociale klassen is vandaag de belangrijkste drijfveer van de geschiedenis op internationaal en nationaal vlak, net zoals de conflicten tussen de krachten van de burgerij tegen prékapitalistische elementen de drijfveer van de geschiedenis vormden in de voorafgaande eeuwen.

De huidige strijd kent reeds honderd jaar een uitbreiding en komt in een beslissende fase op wereldvlak. Met uitzondering van Cuba werd de strijd tussen pro-kapitalistische en anti-kapitalistische krachten tot nu toe in landen gevoerd die zich buiten de Westerse Hemisfeer bevinden. Vroeg of laat zal deze strijd echter ook uitbreken in dit land, dat niet enkel een bastion van kapitalistische macht is, maar ook het land met een goed georganiseerde en technisch sterke arbeidersklasse.

De belangrijkste ontwikkelingen in de VS, net zoals in de loop van de wereldgeschiedenis, wijzen in de richting van zo’n conclusie. Waarom is dat geval?