Home / Op de werkvloer / Onderwijs / Onderwijs, een prioriteit die niet altijd prioritair is

Onderwijs, een prioriteit die niet altijd prioritair is

Er waren duizend aanwezigen op een actie in Brussel voor het kabinet van de minister van het Franstalige Onderwijs, Marie-Martine Schyns. In Luik kwamen op 3 april ook 600 actievoerders samen. De Franstalige vakbonden hadden in gemeenschappelijk front gemobiliseerd voor een verhoging van de eindejaarspremie. Het CGSP (Franstalige ACOD) had een staking aangekondigd en breidde zijn eisen uit naar het probleem van de te grote klassen en het Pacte d’excellence (Hervormingsplan van het Franstalige onderwijs). Het CGSP verwerpt een aantal aspecten van dat pact. Leraren riepen slogans als “Leraren in armoede, leerlingen in moeilijkheden. Dat is niet de maatschappij die we willen” en “Boze leraren, moe van armoe”.

door Celia, leerkracht in Brussel

Slechts twee weken daarvoor vonden acties plaats van het Vlaamse onderwijspersoneel. Op 20 maart gingen zij in staking met eisen die heel gelijkaardig waren aan die van de Franstalige collega’s: tegen de werkdruk, het tekort aan leraren en het gebrek aan investeringen in onderwijs. De staking werd zeer goed opgevolgd en 85% van het personeel was in staking: een teken van woede en de noodzaak om de strijd voort te zetten.

Sindsdien laaide de discussie over de kwaliteit van het onderwijs op na een slecht rapport voor het Vlaamse onderwijs volgens de PISA-standaarden. Het publieke debat dat daarop volgde werd geframed als een tegenstelling tussen kennis en vaardigheden. Op geen enkel moment ging het over de middelen die nodig zijn om kwaliteitsvol onderwijs te garanderen, of het nu gaat over kennisoverdracht of vaardigheden.

De school is geen bedrijf…

In België zit het onderwijzend personeel maar al te vaak op het tandvlees. In een artikel in La Libre werd in 2015 benadrukt dat 34,74% van de afwezigheden onder leerkrachten te wijten was aan psychiatrische of psychologische redenen die zelf heel vaak verband hielden met de stress veroorzaakt door het werk. Volgens Vlaamse studies is het zelfs het meest burn-outgevoelige beroep. Hieraan dient te worden toegevoegd dat de bijzonder onzekere jobs in de eerste (soms talrijke) jaren van de loopbaan de standaard zijn (deeltijdcontracten, kortetermijncontracten die geen financiële onafhankelijkheid mogelijk maken). Dit alles heeft tot gevolg dat veel leerkrachten besluiten om van beroep te veranderen: 40% van de leerkrachten stopt in de eerste vijf jaar met lesgeven en 19% verlaat na het eerste jaar het onderwijs. Om het tekort aan leerkrachten op te vangen, wil het Franstalige hervormingspact overuren aanbieden aan leerkrachten die het aankunnen en willen. De regering van de Franse Gemeenschap profiteert dus van de lage salarissen om ons tegen elkaar op te zetten en nog meer uit te putten.

Alle publieke middelen voor onderwijs samengeteld zijn goed voor 6,55% van het BBP. Dat is te weinig. Scholen hebben te weinig personeel en de infrastructuur loopt achter: het regent binnen in sommige scholen, plafonds storten in, prefab gebouwen moeten klaslokalen huisvesten, het verwarmingssysteem is verouderd: in sommige klaslokalen moet je je jas aanhouden, terwijl je in andere lokalen het raam moet openen omdat het te warm is …

Bovendien leidt het hervormingspact in het Franstalig onderwijs tot een extra belasting voor leerkrachten die al gemiddeld 41 uur per week werken (volgens een KUL-studie). De beleidsplannen willen “resultaten” en “precieze doelstellingen” opstellen zonder rekening te houden met de menselijke en subjectieve aard van het leren, of met de realiteit in de klaslokalen. Onze leerlingen zijn geen machines!

We hebben nood aan publiek gefinancierd onderwijs dat niet wordt beheerd zoals een bedrijf met bijhorende managementtechnieken gericht op winstgevendheid ten koste van alles! We hebben meer publieke middelen nodig, te beginnen met minstens 7% van het BBP, net zoals begin jaren tachtig. Dat wil zeggen 2 miljard extra. Maar zelfs dat mag slechts het begin zijn. Meer publieke middelen zijn nodig om het minimumloon voor alle medewerkers op te trekken tot minstens 14 euro per uur (dat wil zeggen 2.300 euro per maand). Er is ook nood aan extra personeel op alle niveaus (opleiders, leraren, secretariaatsmedewerkers, logopedisten, onderhoudspersoneel, bemiddelaars, CLB-personeel ….). Verder moet in de nodige kwaliteitsvolle infrastructuur geïnvesteerd worden. Ten slotte vereist adequaat onderwijs en differentiërend leren kleinere klassen met maximaal 15 studenten per klas.

Laten we niet stoppen bij de acties van april. Door de druk hoog te houden, kunnen we de volgende regeringen meteen dwingen om kleur te bekennen. We moeten ervoor zorgen dat de voorwaarden waaronder we werken en waaronder onze leerlingen les krijgen algemeen bekend zijn. Personeelsvergaderingen zijn nodig om informatie te delen en nieuwe acties voor te bereiden, liefst met een gedurfd actieplan in gemeenschappelijk vakbondsfront. We zullen de broodnodige middelen voor onderwijs niet cadeau krijgen, we zullen er voor moeten strijden.