Home / Dossier / Verkiezingen. Sterktes en beperkingen van het PVDA-programma

Verkiezingen. Sterktes en beperkingen van het PVDA-programma

Stem PVDA voor een regering van de miljonairstaks en sluit aan bij LSP om de noodzakelijke socialistische maatregelen te ondersteunen

Op 24 februari stelde de PVDA haar “Fenomenaal sociaal programma” voor. Dit programma voor de verkiezingen van mei telt 849 eisen rond zes thema’s en 40 hoofdstukken met een argumentatie die 252 pagina’s omvat. In zijn inleiding vat PVDA-voorzitter Peter Mertens de rode draad van dit programma als volgt samen: “Eerlijke belastingen, sociale vooruitgang en klimaatinvesteringen zijn de drie kernpunten van onze RedGreenDeal.”

Dossier door Boris (Brussel)

De historische klimaatbeweging, die van de ‘gele hesjes’ tegen de stijgende prijzen en taksen en ook de vakbondsmobilisaties rond pensioenen en de dalende koopkracht geven uitdrukking aan de afwijzing van de groeiende ongelijkheden. Het PVDA-programma wil een antwoord bieden op heel wat van die bekommernissen. Het is in dit dossier niet mogelijk om gedetailleerd op alle voorstellen in te gaan, zelfs niet om het over alle hoofdstukken te hebben. We beperken ons tot de grote lijnen van het programma om de sterktes en beperkingen ervan te begrijpen zodat de arbeidersbeweging en de jongeren sterker staan in hun acties.

Programma tegen de sociale afbraak van de regering-Michel

Voor veel vakbondsleden en jongeren is een van de grootste uitdagingen van de verkiezingen om de terugkeer van een harde rechtse Thatcheriaanse regering naar het model van de regering-Michel te voorkomen. Die regering voerde vanaf 2014 een veralgemeend offensief tegen onze pensioenen, lonen, sociale uitkeringen en openbare diensten. Het verkiezingsprogramma van de PVDA beantwoordt deze uitdaging in het eerste hoofdstuk: “Werk en sociale bescherming.” Daarin wordt een bilan opgemaakt van de regering-Michel om er offensieve eisen tegenover te plaatsen, zoals de vakbondseisen maar ook specifieke eisen die door de PVDA ontwikkeld zijn. Het zijn eisen die belangrijk zijn opdat iedereen de eindjes aan elkaar kan knopen.

Het gaat onder meer om een terugkeer van de pensioenleeftijd op 65 jaar; intrekking van de asociale maatregelen rond vervroegd pensioen, brugpensioen en eindeloopbaan; een minimumpensioen van 1.500 euro netto per maand en toegang tot een volledig pensioen voor vrouwen na 40 jaar loopbaan; een minimaal uurloon van 14 euro; afschaffing van de wet van 1996 rond het concurrentievermogen en herstel van de volledige index; einde van de degressiviteit van de werkloosheidsuitkeringen; optrekken van het leefloon en de sociale uitkeringen tot de Europese armoedegrens; individualisering van het recht op sociale uitkeringen en het welvaartsvast maken ervan.

Welke arbeidsduurvermindering?

Het hoofdstuk rond werk bekijkt de 176.000 jobs die Michel I zou gecreëerd hebben. Er wordt meteen op gewezen dat de meerderheid hiervan geen stabiele jobs zijn, maar jobs op basis van onzekere contracten. Tegen de doorgedreven flexibiliteit verdedigt de PVDA de maximale werkdag van 8 uur en de afschaffing van flexi-jobs. Het gebruik van interimkrachten zou beperkt worden en overuren zouden enkel mogelijk zijn op vrijwillige basis waarbij bovendien 150% van het loon wordt betaald. De PVDA legt ook uit dat het nodig is om de toename van werkgerelateerde ziektes aan te pakken en om de werkloosheid te bestrijden. De 30-urenweek zonder loonverlies en met bijkomende aanwervingen wordt echter niet voorgesteld als veralgemeende maatregel in de volgende legislatuur.

Deze eis wordt naar voren geschoven als een doelstelling op langere termijn. In dit programma wordt de toepassing ervan beperkt tot enkele proefprojecten in openbare crèches enerzijds en door de toepassing ervan in de private sector te stimuleren met financiële hulp voor 1.000 bedrijven die zich vrijwillig aandienen voor de invoering van de 30-urenweek. Er wordt niet ingegaan op het bedrag, de omvang of de duur van die financiële hulp aan bedrijven. De PVDA zwakt de eis dus af in de richting van de vierdagenweek die door de PS wordt voorgesteld (vooral gericht op de eindeloopbaan voor 55-plussers) of door Défi (voor de creatie van jobs voor laaggeschoolden in Brussel). De PS en Défi stellen voor om deze maatregel te financieren via de sociale zekerheid, om de kosten voor de werkgevers te beperken in de hoop hen zo te overtuigen om de arbeidsduur te verlagen.

Een recente studie van onderzoekers aan de ULB in opdracht van Brussels minister van Werk Didier Gosuin (Défi) toonde nochtans dat de werkgevers geen gebruik willen maken van de arbeidsduurverkorting. Er is federale regelgeving die een driemaandelijkse vermindering van de sociale bijdragen van 400 euro per werkende toekent indien de arbeidsduur gedurende vier jaar verlaagd wordt tot minder dan 38 uur per week. Deze maatregel is een complete flop en is vooral bekend van de toepassing op 520 van de 600 personeelsleden van Auto 5. In januari 2017 werd een collectieve arbeidsovereenkomst gesloten om de arbeidstijd op jaarbasis te berekenen. Het personeel werkt nu gemiddeld 36 uur per week op vier of vijf dagen, met wisselende uurroosters met een marge tussen minstens 32 en maximum 40 uur per week. Het is niet toegelaten om meer dan twee opeenvolgende weken 40 uur te werken. Zaterdagwerk levert niet langer overloon op. Als dit soort arbeidsduurvermindering tot 36 uur per week met meer flexibiliteit al geen enthousiasme opwekt bij de werkgevers, hoe zal de PVDA dan 1.000 bedrijven vinden die een 30-urenweek zonder extra flexibiliteit willen invoeren?

In Frankrijk werd de 40-urenweek in 1936 ingevoerd onder een regering van het Volksfront. Dat gebeurde op basis van een massale strijd van de arbeidersbeweging. In België werd de 40-urenweek in de bouw en de koolmijnen ingevoerd na de stakingen van juni 1936. Het ging telkens om strijd die het voortbestaan van het kapitalisme bedreigde.

De hoop om de bazen te overtuigen is een utopie. De realisatie van de 30-urige werkweek vereist de uitwerking van een ernstig strijdplan om de nodige krachtsverhouding op te bouwen.

10 miljard euro publieke investeringen per jaar voor het milieu en een sociaal beleid

Tijdens de gemeenteraadsverkiezingen van 2012 verdedigde Gauches Communes (een samenwerking tussen de Linkse Socialistische Partij en de Humanistische Partij in Brussel) de noodzaak van een radicaal plan van publieke investeringen. Het besparingsbeleid en de transfer van publieke middelen naar de grote bedrijven zorgden voor een halvering van de publieke investeringen op 25 jaar. Om het niveau van de jaren 1970 te halen, zou 15 tot 20 miljard euro per jaar extra nodig zijn! Deze kwestie trad opnieuw op de voorgrond met het gebrek aan onderhoud van de Brusselse tunnels, de zinkgaten als gevolg van lekken in waterleidingen van Vivaqua, de insijpeling van vocht in de federale musea en andere publieke gebouwen, …

Op dit te verhelpen, wil de PVDA een investeringsbank voor het klimaat en een sociaal beleid oprichten. Deze bank zou elk jaar 5 miljard euro investeren in openbaar vervoer, de isolatie van gebouwen, wetenschappelijk onderzoek en hernieuwbare energie. Tevens zou elk jaar 5 miljard euro uitgetrokken worden voor extra investeringen in onderwijs, gezondheidszorg, cultuur, sport, hulp voor mensen met een beperking en kinderopvang.

Het bedrag waarover deze investeringsbank zou beschikken, komt overeen met de geschatte opbrengst van de belangrijkste maatregel voor de financiering van het PVDA-programma: de miljonairstaks die 10 miljard euro per jaar moet opleveren. De publieke investeringen worden gekoppeld aan deze belasting op de vermogens van de superrijken.

Een publieke bank en een publiek energiebedrijf of de nationalisatie van deze sectoren?

Het PVDA-programma ontwijkt zorgvuldig de kwestie van nationalisaties. De partij beperkt zich tot het voorstel van een publieke bank en een publiek energiebedrijf in de context van een private markt. Het idee is om deze publieke bank op te richten op basis van de activa van Belfius. De geschiedenis toonde ons nochtans reeds de beperkingen van een dergelijke oplossing.

Hoe kan een publieke bank die speculatieve investeringen weigert de concurrentie aangaan met private banken die in periodes van hoge speculatieve rendementen veel aantrekkelijker zijn? Dat is overigens de reden waarom de ASLK (de Algemene Spaar en Lijfrentekas) begin jaren 1990 werd geprivatiseerd. Toen Belfius nog Dexia heette, verhinderde de aanwezigheid van heel wat politici in de raad van bestuur (waaronder Di Rupo en Dehaene die zelfs een tijdlang voorzitter was) niet dat de bank op de beurs speelde om de aandeelhouders extra dividenden te bezorgen.

We hebben genoeg publieke middelen ingezet om de banksector overeind te houden. Laten we de volledige sector in handen van de gemeenschap plaatsen. Zo kunnen we een einde maken aan speculatie en tegelijk een garantie bieden voor de veiligheid van het spaargeld, leningen aan lage rentevoeten aanbieden aan kleine handelaars en particulieren en kan het spaargeld gemobiliseerd worden als bron van liquiditeit voor sociale investeringen die beantwoorden aan de noden van de bevolking. We denken daarbij onder meer aan de creatie van crèches, scholen en voldoende degelijke sociale woningen.

Hetzelfde geldt voor de energiesector, zeker als we de klimaatverandering ernstig willen aanpakken. Waarom zouden we het antwoord op de hoge elektriciteitsprijzen beperken tot een vermindering van het deel dat naar de gemeenschap gaat, meer bepaald de BTW? Waarom zouden we aanvaarden dat de hoge tarieven van energieproducenten en distributeurs gepaard gaan met gigantische winsten door deze private bedrijven? Een volledig publieke energiesector zou toelaten om de productie en distributie van energie te beheren. Het zou het mogelijk maken om investeringen en wetenschappelijk onderzoek op nieuwe groene technologie te richten. Ook zouden we goedkope energie garanderen en de winsten investeren in onderzoek en ontwikkeling op het gebied van groene energie. De kernuitstap wordt dan mogelijk en de productie zou gegarandeerd zijn door de massale investeringen in hernieuwbare technologieën.

Een onrealistisch programma?

De PVDA doet een grote inspanning om de haalbaarheid van haar programma aan te tonen. De partij stelt dat de maatregelen voor het klimaat, de koopkracht en de sociale investeringen in evenwicht zijn dankzij een rechtvaardiger fiscaliteit en niet door het kapitaalbezit zelf aan te pakken. De PVDA wil ongetwijfeld aantonen dat ze bereid is om in een progressieve meerderheid te stappen en wil daarom de lat niet te hoog leggen. Dat zal echter niet volstaan om kritiek te krijgen over de onbetaalbaarheid ervan. We zagen dit ook al na de gemeenteraadsverkiezingen. Welke regering er ook gevormd wordt, er zal druk zijn om fors te besparen. Het PVDA-programma zal in het beste geval beschouwd worden als interessant voor het sociale en het klimaat, maar destructief voor de economie.

Een linkse regering die een miljonairstaks invoert, zal meteen op patronaal verzet botsen, met sabotage van de economie onder de vorm van kapitaalvlucht. Het belangrijkste tegenargument van de PVDA hieromtrent houdt geen steek. Er wordt verwezen naar de Franse vermogensbelasting (ISF), voor deze werd vervangen door een symbolische taks op immobiliën. Deze ISF leidde slechts tot een beperkte kapitaalvlucht van 0,3%. Maar de ISF bracht slechts 4 tot 5 miljard euro per jaar op en geen 10 miljard, bovendien in de context van een Franse economie die zes keer groter is dan de Belgische. De miljonairstaks gaat een pak verder dan de ISF.

De belasting op grote fortuinen (een voorloper van de ISF) die in 1981 door de eerste Franse regering onder Mitterand werd doorgevoerd, een regering waar Raoul Hedebouw naar verwees tijdens het jaarlijkse partijfeest Manifiesta, botste effectief op een offensief patronaal verzet. Diezelfde regering van PS en PCF schafte tegelijk de doodstraf af, trok de minimumlonen met 10% op (wat betrekking had op 5% van alle Franse werkenden), verhoogde de kinderbijslag en het minimumpensioen, verlaagde de pensioenleeftijd tot 60 jaar, voerde de 39-urige werkweek in en een vijfde week betaald verlof, ging over tot de nationalisatie van banken en vijf grote industriële groepen met schadeloosstelling. Het patronaat was furieus en ging over tot sabotage in de vorm van lock-outs en kapitaalvlucht. De rijken staken de Zwitserse grens over met koffers vol geld. Ze stortten de Franse economie in chaos. In plaats van het nationalisatiewapen te gebruiken om de sabotage te stoppen, maakte de regering-Mitterand na een jaar een bocht om haar goede wil aan de werkgevers te tonen. Er werd een besparingstraject opgestart waarbij onder meer de automatische indexering van de lonen werd afgeschaft.

Gebrek aan strijd of gebrek van een programma met socialistische maatregelen?

In 1981-82 was er geen gebrek aan strijdbaarheid in de Franse arbeidersbeweging. Ook de Griekse arbeidersbeweging toonde recenter een enorme strijdbaarheid met 40 algemene stakingen en een kletterende overwinning in het referendum van 2015 tegen het besparingsprogramma van de Trojka. De regering van Syriza deed effectief onvoldoende beroep op sociale mobilisatie, maar de belangrijkste reden voor het falen van links in Griekenland ligt elders. In de eerste maanden van haar ambtstermijn nam de regering-Tsipras heel wat concrete maatregelen: verhoging van het minimumloon, 13de maand voor de pensioenen, stopzetting van het jobverlies in de publieke sector en blokkering van de privatisering van het elektriciteitsbedrijf. Maar voor het Europese establishment waren zelfs deze beperkte maatregelen onaanvaardbaar. De terugbetaling van de Griekse schulden werd geëist. Zelfs na het referendum van juli 2015 was het nog niet te laat, maar de regering-Tsipras moest dan wel een keuze maken: zelf een besparingsbeleid voeren of socialistische maatregelen nemen zoals de nationalisatie van de volledige financiële sector en de sleutelsectoren van de economie of nog de niet-betaling van de publieke schulden met een oproep aan de arbeidersbeweging in heel Europa om de strijd tegen het besparingsbeleid aan te gaan.

Laten we lessen trekken uit het falen van de linkse regering in Frankrijk in 1981 en Griekenland in 2015. Als we de noodzaak van het wapen van de nationalisatie niet populariseren om een regering van de miljonairstaks mogelijk te maken tegenover het patronaal verzet, dan wordt de arbeidersbeweging niet voorbereid op de moeilijkheden en taken die voor ons liggen.

Links moet een echte verandering betekenen voor het leven van de mensen. Als een linkse regering geen fundamenteel verschil maakt, krijgen rechts-populisme en extreemrechts de vrije hand om het ongenoegen en de woede naar een ramp te leiden.

Stem PVDA, sluit aan bij LSP

Op 26 mei is een stem voor de PVDA de beste garantie op linkse verkozenen en het blokkeren van een heruitgave van de regering-Michel en haar beleid. Het is ook de beste manier om in de kiescampagne op te komen voor een massaal plan van publieke investeringen voor het klimaat en een sociaal beleid. Het programma van de PVDA beperkt zich tot een poging om de markt aan banden te leggen met een betere verdeling van de rijkdom in het kader van het kapitalistisch systeem. In het uitgebreide kiesprogramma vind je geen verwijzing naar de noodzaak van maatschappijverandering of socialisme.

We zijn bereid om de PVDA zoveel mogelijk te steunen, we hebben zelfs aangeboden om op basis van ons eigen politiek profiel op de lijsten van PVDA te staan. We roepen op om voor PVDA en voor een regering van de miljonairstaks te stemmen. Maar dat volstaat niet.

In deze context van crisis van het kapitalisme zullen zelfs beperkte sociale maatregelen niet aanvaard worden. We moeten vertrekken van het fundamentele uitgangspunt dat er geen enkele reële verbetering van de situatie van de massa’s mogelijk is zonder te raken aan de kapitalistische eigendomsrechten.

Sluit aan bij LSP om de arbeidersbeweging en de jongeren te wapenen met de socialistische maatregelen die zich opdringen.

In plaats van ons te beperken tot wat het meest realistisch lijkt, heeft links nood aan durf en stoutmoedigheid. De arbeidersbeweging kan vertrekken van een goed uitgewerkt strijdprogramma dat met een linkse regering de overgang van het kapitalisme naar het socialisme op de agenda zet.