Home / Dossier / Terugkeer naar strijdbare tradities op internationale vrouwendag!

Terugkeer naar strijdbare tradities op internationale vrouwendag!

8 maart 2019 in België: acties, walkouts, marsen, stakingen…

Waar vorig jaar campagne ROSA de enige was die initiatieven nam voor reële actie – en niet slechts conferenties, debatten, media-activiteiten e.d. – met marsen in verschillende steden, is dit jaar het aantal actie-oproepen verveelvoudigd. Vooral de stakingsaanzegging van verschillende vakbonden en vakbondscentrales is een grote stap vooruit.

Door Anja Deschoemacker

Daar zijn twee voorname redenen voor: enerzijds de toenemende mobilisaties rond vrouwenkwesties die de laatste jaren een trend is, anderzijds de tumultueuze sociale agenda die zich sinds het jaareinde van 2018 afspeelt met de val van de regering, het afbreken van de loononderhandelingen met een algemene staking op 13/2 en de aanloop naar de komende verkiezingen, dat alles tegen de achtergrond van een exploderende jongerenbeweging rond de klimaatkwestie.

In dit artikel nemen we de vrouwenbeweging onder de loep: waar komt ze vandaan, wat ligt aan de basis, wat zijn de eisen en hoe oriënteert de beweging zich, wat zijn de gelijkenissen en de verschillen met vorige feministische golven? En ook: welke krachten zijn erin aanwezig, welke bondgenoten zijn er voor socialistisch feminisme en wat is de kracht van het burgerlijk feminisme vandaag?

De huidige verhoogde activiteit komt niet uit de lucht vallen. Jonge vrouwen en vrouwelijke werkenden hebben zich steeds meer laten horen en zien in een toename van campagnes rond seksisme en pesterijen, maar zeker ook in de toenemende sociale conflicten in de “vrouwensectoren”, vooral in de gezondheidssector waar de “witte woede” nooit meer echt weg is geweest sinds de eerste massale acties in de sector in 1988.

Aantal buitenshuis werkende vrouwen spectaculair gestegen sinds de jaren ‘60

In vergelijking met de vorige feministische golf in de jaren ’70 heeft de arbeidsmarktparticipatie van vrouwen zich veralgemeend. Waar het in de jaren ’50 en ’60 nog gebruikelijk was voor gehuwde vrouwen met kinderen om zich uit de arbeidsmarkt terug te trekken (het kostwinnersmodel), is vandaag het tweeverdienersmodel volledig doorgebroken.

Een hoog percentage niet-werkende vrouwen vind je vandaag vooral terug bij eenoudergezinnen, waar de combinatie zorg voor het gezin en werk vaak onhaalbaar is, ook door de combinatie lage lonen en grote flexibiliteit enerzijds en weinig beschikbare en niet-flexibele en dure diensten anderzijds. De hoogste arbeidsmarktparticipatie van vrouwen is te vinden bij alleenstaande kinderloze vrouwen en bij vrouwen in koppels met kinderen.

In een studie van 1994 van het Centrum voor Sociaal Beleid geven ze de volgende cijfers:

“Sinds de jaren 60, en vooral sinds de 70-er jaren, is de deelname van vrouwen in de arbeidsmarkt voortdurend toegenomen. In België steeg de activiteitsgraad (3) van vrouwen van 27,7% in 1970, naar 33,1% in 1985 tot 41% in 1993. In diezelfde periode daalde de mannelijke activiteitsgraad van 70% in 1970 naar 58% in 1993 (Kabinet van de Staatssecretaris voor Maatschappelijke emancipatie, 1989; NIS, 1993). Vooral onder gehuwde en samenwonende vrouwen is de stijging van de arbeidsmarktparticipatie zeer substantieel geweest. In Vlaanderen steeg de participatie in een relatief korte tijdspanne van 15 jaar van 34,5% (1976) naar 61% (1992). Wallonië volgt dezelfde trend, zij het aan een iets trager tempo.” (Berichten Centrum voor Sociaal Beleid, UFSIA – Universiteit Antwerpen, “Werden mannen en vrouwen gelijker? Beroepsloopbanen en inkomens van mannen en vrouwen in de 80’er jaren”. B.Cantillon, R. Vanherck, M. Andries, I. Marx, december 1994 http://www.centrumvoorsociaalbeleid.be/sites/default/files/D%201994%206104%2003.pdf

Sinds 1994 heeft die trend zich volledig doorgezet. In “Trends op de Belgische arbeidsmarkt 1983-2013” biedt Statbel onder de titel “Socio-economisch profiel van de werkende bevolking (1983-2013)” de volgende analyse:

“Het aantal werkende vrouwen groeit met 75%. Het totale aantal werkenden nam tussen 1983 en 2013 met meer dan één miljoen personen toe. In 2013 waren 4.530.000 personen aan het werk ten opzichte van 3.457.000 werkende personen in 1983. Hoewel er nog steeds minder vrouwen dan mannen aan het werk zijn, steeg het aantal werkende vrouwen de laatste drie decennia spectaculair. De laatste 30 jaar kwamen er 890.000 vrouwen met een job bij, dit is een toename met 75%. Het aantal mannen met een job groeide veel minder snel (+ 8%). In 2013 vertegenwoordigden vrouwen 46% van de werkende personen, terwijl hun aandeel in 1983 34% bedroeg. We zien dus duidelijk een vervrouwelijking of feminisering van de arbeid.”

“Waar in 1983 36,3% van de vrouwen tussen 15 en 64 jaar aan de slag was, is dat in 2013 57,2%. De mannelijke werkgelegenheidsgraad, die 66,4% bedraagt in 2013, is over de ganse periode vrij constant gebleven (tussen 66% en 69,5%). De laatste jaren vertoont de mannelijke werkgelegenheidsgraad een licht dalende trend omwille van de financieel-economische crisis die vooral gevolgen had voor de mannelijke werkgelegenheid in de industrie. De grote inhaalbeweging van vrouwen op de arbeidsmarkt zorgt ervoor dat de kloof tussen de mannelijke en vrouwelijke werkgelegenheidsgraad verkleint van 32,5 procentpunten in 1983 naar 9,2 procentpunten in 2013.”

(statbel ‘Trends op de Belgische arbeidsmarkt 1983-2013’ – https://statbel.fgov.be/sites/default/files/files/documents/Analyse/NL/analyse-b_nl_tcm325-261813.pdf)

Vrouwen oververtegenwoordigd in sectoren die wel moeten vechten omdat het water hen aan de lippen staat

Dat een meerderheid van vrouwen vandaag buitenshuis werkt, betekent echter niet dat zij ook financiële onafhankelijkheid hebben bereikt. Zowat de helft van de werkende vrouwen werkt deeltijds en, gezien zowat alle ondersteuning zoals deeltijdse werkloosheidsuitkeringen in drie decennia van neoliberale afbouw is weg bespaard, kan in de huidige periode van hoge woningprijzen en een hoge levensduurte niet op eigen benen staan zonder in de armoede te verzeilen.

Vrouwen maken in veel van de nieuwe sectoren – gekenmerkt door lage lonen, deeltijds werk, tijdelijke en onzekere contracten, weinig of geen vakbondstradities – de meerderheid van de werkenden uit, in sectoren als de onthaalmoeders en de dienstenchequebedrijven zelfs meer dan 90%. De aangroei van de dienstensector – zowel in privé-diensten als in door de overheid gesubsidieerde diensten – is al geruime tijd de belangrijkste factor in de jobtoename op de arbeidsmarkt, terwijl industriële tewerkstelling blijft afnemen.

De toename van onzekere statuten vindt ook plaats in de openbare diensten, waar in veel gevallen het aantal contractuele werknemers groter geworden is dan het aantal statutairen. Dat gebeurde door decennia van aangehouden besparingsbeleid met o.a. een benoemingsstop. Ook in openbare tewerkstelling is met andere woorden het aantal jobs die niet voldoende zekerheid biedt om onafhankelijk te leven zonder arm te zijn spectaculair toegenomen.

In deze sectoren is al jaren een toegenomen actiebereidheid waar te nemen. In de zorgsectoren – een vrouwensector bij uitstek, ook als steeds meer mannen erin tewerkgesteld zijn – is de witte woede een begrip geworden, al sinds eind jaren ’80 komt de sector zeer regelmatig en massaal in beweging rond lonen en arbeidscondities. Vakbondsaanwezigheid en –tradities hebben zich ondertussen opgebouwd en blijven zich verder opbouwen. Ook in de harde strijd in de supermarktsector, waar het patronaat een algemene aanval heeft ingezet tegen de vroeger verkregen arbeidscondities in de sector, staan vrouwelijke werknemers centraal in het verzet.

De realiteit op de arbeidsmarkt – en de gevolgen ervan voor de levens en de positie van grote lagen vrouwen – botst zo hard met de ideeën van het post-feminisme dat na de laatste feministische golf een hele historische periode dominant was, dat een enorme kloof was gegroeid tussen de officiële vrouwenorganisaties en hun propaganda enerzijds en de realiteit zoals vrouwen – en vooral jonge vrouwen – ze ervaren. Toen de vrouwenstrijd opnieuw opflakkerde, was dat dan ook niet rond de gekende boegbeelden van het burgerlijk feminisme, noch rond de eisen die in die kringen gebruikelijk waren. In de VS kwam de opflakkering van de vrouwenstrijd er zelfs op het moment dat Hillary Clinton, hét boegbeeld van het burgerlijk feminisme, gesteund door alle officiële vrouwenorganisaties, een pijnlijke nederlaag had geleden tegen Trump.

Vrouwen zijn niet langer een kleine minderheid in de vakbonden

Het is dan ook niet verwonderlijk dat de socialistische vakbond in haar campagne naar de algemene staking van 13 februari en vooral in haar campagne voor een algemeen minimumloon van 14 euro/uur een hele reeks vrouwenjobs naar voor bracht, waar het minimumloon een stuk onder die 14 euro ligt: kapster, kuisvrouw, kinderverzorgster, …

De aanwezigheid van grote lagen vrouwelijke leden die om actie vragen, heeft zich in beide grote vakbondsfederaties in de laatste 10-15 jaar vertaald in een grotere gevoeligheid voor een aantal centrale eisen die voor vrouwelijke werkenden cruciaal zijn. Het gaat hem niet langer om enkel quota voor de vakbondsstructuren (afgesproken in de jaren ’80) maar om de opname van eisen en het voeren/steunen van strijd die vrouwen betrekken in de vakbondsstrijd.

De laatste jaren zijn de specifieke vrouwencampagnes van de beide grote vakbonden niet meer weg te denken. En de zoektocht naar ideeën, eisen, programma, strategie en tactieken is volop bezig. Het ABVV heeft twee jaar geleden de samenwerking rond Equal Pay Day met Zij-kant (vrouwenorganisatie van de verburgerlijkte Vlaamse sociaaldemocratie en bijna niet te onderscheiden van de liberale vrouwenorganisaties) verbroken. Vrouwencommissies zoeken naar ideeën en een programma en ROSA wordt regelmatig uitgenodigd om zich er voor te stellen, sinds kort ook voor het eerst binnen de christelijke vakbond.

Staking op 8 maart

Het ontbreken in België van tradities binnen de arbeidersbeweging van aandacht voor de vrouwenkwesties maakt dat de ideeën in die debatten vaak nog zeer verward zijn, zoals de samenwerking tussen het ABVV en Zij-kant toonde.

In de christelijke vakbond, die na Me Too niet alleen studies heeft gevoerd naar het voorkomen van seksuele pesterijen op de werkvloer in een aantal vrouwensectoren, maar ook een brede discussie heeft gevoerd over seksisme en seksuele pesterijen binnen haar eigen rangen, werd gereageerd op een stakingsoproep van een kleine groep voornamelijk kleinburgerlijke feministische activisten die zich vorig jaar groepeerden in het “8 maart collectief”.

Waar dit collectief door het lanceren van een oproep de aanzet heeft gegeven voor een zich uitbreidende stakingsoproep, wat zeer positief is, is hun oproep zelf zeer beperkt. Het collectief roept op tot een vrouwenstaking van het betaalde werk, het huishoudelijke werk/zorg en een seksstaking. Die oproep werd zo overgenomen door het CNE, maar eenmaal onder bespreking binnen de vakbond zelf kon dat karakter niet behouden worden. De stakingsaanzegging, en in een aantal werkplaatsen en sectoren de reële mobilisatie naar een echte staking, geldt voor alle vakbondsinitiatieven op 8 maart zowel voor vrouwen als voor mannen en de stakingsaanzegging geldt uiteraard voor een staking in de werkplaatsen.

ROSA steunt de stakingsoproep, maar enkel de oproep voor een staking van het betaalde werk, uiteraard voor zowel vrouwen als mannen, voor hogere lonen, tegen het besparingsbeleid en tegen seksisme. We denken dat een staking van het werk en zorg in het huishouden voor een belangrijk deel van de vrouwen niet haalbaar is (een derde van de gezinnen met kinderen in Brussel zijn eenoudergezinnen). Belangrijker nog is dat zo’n “staking” geen staking is, maar een individuele actie waarbij het niet duidelijk is tegen wie het is gericht. Het legt de nadruk op de individuele strijd binnen het gezin om wie wat doet.

Volgens ROSA is dat niet de weg vooruit, het zijn niet individuele, maar juist structurele elementen in de samenleving die maken dat de klassieke rolverdeling tussen mannen en vrouwen blijft bestaan. Wij brengen juist de socialisatie van de “huishoudelijke” taken en zorg naar voor. De nieuwe toename van het werk binnen het gezin is een gevolg van de afbouw van het sociale beleid en de openbare diensten.

ROSA roept ook op om niet zomaar een slag in het water te slaan, maar om de staking op 8 maart echt te organiseren en te gebruiken om de eenheid en solidariteit van het personeel op de werkplaats zelf te versterken via het betrekken van het hele personeel. In een aantal werkplaatsen, waar LSP-leden al geruime tijd een basis hebben opgebouwd en met ROSA tussen zijn gekomen voor de 8 maart-staking, gaat de walkout gepaard met een algemene personeelsvergadering over de problematiek zoals ze zich voordoet op de werkplaats zelf en in de bredere samenleving. Dat is het geval in de Universiteit Gent en de Vrije Universiteit Brussel en in het Brugman-ziekenhuis in Brussel.

Welk verband met #MeToo en de brede beweging tegen seksisme?

Waar de steeds grotere aanwezigheid van vrouwen in de vakbonden, gecombineerd met de noodzaak van strijd in een hele reeks vrouwensectoren (besparingen in de openbare diensten en de gesubsidieerde zorgdiensten, herstructurering in privé-diensten, nieuwe nog grotendeel ongeorganiseerde sectoren), de houding van de vakbonden tegenover de bredere vrouwenkwestie heeft veranderd, kwam de duw om over te gaan tot actie van de jonge vrouwen die in de laatste jaren luidkeels hun ongenoegen over het dagelijkse seksisme hebben laten horen.

Campagnes op sociale media die massaal veel vooral jonge vrouwen betrokken, zoals “wij overdrijven niet” (2015), gevolgd door “wij spreken voor onszelf” hebben het thema al enkele jaren hoog op de agenda gehouden. Hoewel vooral jonge vrouwen er actief in betrokken waren, was het duidelijk dat veel vrouwelijke vakbondsactivisten er een toenemende interesse in hadden. Al jarenlang zijn badges rond vrouwenkwesties bij het best verkochte materiaal op vakbondsbetogingen.

Toen #MeToo wereldwijd uitbrak, was dat in Vlaanderen dan ook een take 2. Waar in die eerste sociale media campagnes de kwestie van seksuele pesterijen in machtsrelaties (in het onderwijs tussen leerling/student en leerkracht/professor, tussen onbekende slachtoffers van bekende figuren, op de werkvloer tussen ondergeschikten en chefs/bazen) slechts één element was in de brede aanklacht tegen seksisme overal in de samenleving en vooral op straat, lag in het #MeToo fenomeen in België de nadruk onmiddellijk op de werkvloer, met vakbondsdelegaties die hun verantwoordelijkheid opnamen om terechte klachten op te nemen. Sindsdien zijn binnen de vakbonden verschillende initiatieven genomen, vaak nog steeds verward over ideeën en programma, maar met een zeer grote openheid voor de ideeën die ROSA verdedigt.

Maar de grote achterliggende reden voor de stakingsaanzegging door steeds meer vakbonden en vakbondssectoren is de huidige dynamiek van een oplopend sociaal conflict, waar een enorm dynamisch voorbeeld uitgaat van de jongerenstakingen voor het klimaat. De sociale agenda voor de komende maand zit propvol, met allerlei campagnes van vakbonden, vrouwenbeweging, jongerenbeweging, beweging van sans-papiers, … die steeds meer samenlopen en overgaan in een breed verzet tegen het huidige systeem en de plaats hierin van grote bedrijven en regeringen. Zonder dit bredere kader zou het idee voor een staking op 8 maart en 16 maart (klimaatstaking) niet zomaar ingang hebben gevonden.

Anti-seksisme is een belangrijke radicaliserende factor onder jongeren terwijl burgerlijk feminisme niets te bieden heeft.

In België heeft zich geen massabeweging van vrouwen voorgedaan, wat wel het geval was in grote delen van de wereld, o.a. in Ierland, Spanje, Polen, IJsland, India, Turkije, de VS en verschillende landen in Latijns-Amerika. Maar zeker onder jongeren is het een stemming die zeer breed aanwezig is en gekenmerkt wordt door een sterk aanwezige systeemkritiek.

Natuurlijk zijn in de vrouwenacties, die nog steeds groeien in aantal deelnemers, en in de discussies op sociale en andere media allerlei krachten aanwezig die hun plaats in het debat opeisen. Maar het is duidelijk dat de dynamiek in de nieuwe strijd niet uitgaat van de oude burgerlijk feministische organisaties, die het moeilijk hebben hun stempel op de beweging te zetten. Hoewel ze soms in de media worden opgevoerd, hebben de jonge activisten vaak nog nooit van hen gehoord of vinden ze het totaal ongeloofwaardig dat vrouwelijke establishmentfiguren het verschil zouden maken.

Dat werd nogmaals aangetoond in de afwikkeling van het dossier van het abortusrecht, waarbij de sociaaldemocratische en liberale partijen een wetsvoorstel indienden voor een echte depenalisering en stappen vooruit in het recht op abortus (o.a. een verlenging van de periode), maar geen enkele strijd hierrond organiseerden. Het leidde tot de situatie waarin de rechtse regering zelf een voorstel uitwerkte, dat in de realiteit niets verandert, dat uiteindelijk ook door de liberale partijen werd gestemd. Iedereen had zich geprofileerd en daarmee was de kous af.

Het is niet nieuw dat er een belangrijke component van arbeidersklassevrouwen actief is in de feministische golf, dat was bij de vorige golven ook het geval. De protesten eind jaren ’60 en vooral in de jaren ’70 werden in België ingeluid door de vrouwenstaking voor “gelijk loon voor gelijk werk” van de arbeidsters van FN in 1966, die 12 weken duurde en leidde tot belangrijke toegevingen. Het is wel nieuw dat burgerlijke vrouwenorganisatie en burgerlijke vrouwelijke politici de beweging niets te bieden hebben.

Stemrecht, de wettelijke gelijkheid, het doen verdwijnen van vrouwonvriendelijke bepalingen in het familierecht, abortus, … Het zijn allemaal eisen waarrond vrouwen van verschillende klassen zich konden verenigen en de breuk tussen de burgerlijke vrouwenbeweging en de beweging van de arbeidersvrouwen (verbonden aan de socialistische of communistische partijen en/of de vakbonden) speelde zich af op een ander terrein, in de arbeidersstrijd waar algemene eisen die van belang zijn voor werkende vrouwen door de burgerlijke vrouwenorganisaties niet werden gesteund.

Nu zijn de zaken anders. De burgerlijke vrouwenorganisaties fixeren zich sinds de jaren ’80 op zaken als quota voor belangrijke functies in het bedrijfsleven en de politiek – dat is het enige programma die hen overblijft. Voor de grote meerderheid van vrouwen maakt dat geen enkel verschil uit. Ook de – puur symbolische, want onuitvoerbare – anti-seksisme-wet die werd gestemd na de eerste grotere publieke discussie over seksisme na het verschijnen van de documentaire “femme de la rue” over straatpesterijen, liet zeer weinig indruk na.

De eisen die al enkele jaren naar voor worden gebracht door de vrouwenorganisaties verbonden aan de arbeidersbeweging zijn van een heel andere soort. Femma (vrouwenorganisatie van de katholieke arbeidersbeweging in Vlaanderen) heeft enige jaren terug de oude eis voor arbeidsduurvermindering opnieuw gepopulariseerd binnen het kader van het doen functioneren van de combinatie werk en gezin en de gelijkheid tussen mannen en vrouwen. Hun breed besproken eis voor een 30-urenweek is ondertussen opnieuw overgenomen door verschillende vakbonden in de meer “syndicale” formule van een 30- of 32-urenweek zonder loonverlies en met bijkomende aanwervingen, een oude syndicale eis die lang opgeborgen is gebleven.. Er is een focus op lonen en pensioenen, waar de eisen van het ABVV vandaag (en het actieprogramma) voor een algemeen minimumloon van 14 euro/uur en een minimumpensioen van 1500 euro/maand perfect op inspelen.

De burgerlijk feministische politica houden zich zeer ver van deze eisen en daar waar de sociaaldemocratische vrouwelijke parlementairen het doen uit opportunisme, beschikken ze over zeer weinig geloofwaardigheid.

In de strijd tegen seksisme missen ze bovendien een aantal cruciale elementen om hun populariteit op te vijzelen. Het anti-seksisme van vandaag richt zich niet algemeen tegen alle mannen, maar is veel meer dan in het verleden gericht op de grote bedrijven en het beleid dat wordt gevoerd ten voordele van de grote bedrijven. In die zin heeft het bewustzijn veel gemeen met wat ook in de jongerenbeweging rond het klimaat aanwezig is: er is verwarring, er zijn elementen van het zoeken naar individuele oplossingen, een zeker moralisme, maar ook een begrip onder brede lagen van activisten dat deze zaken niet voldoende zijn en dat meer diepgaand moet ingegrepen worden in hoe de samenleving functioneert.

Kleinburgerlijk feminisme versus socialistisch-feminisme

De ideeën van de arbeidersklassevrouwen vinden hun weg in de beweging, maar ze worden ook tegengewerkt door kleinburgerlijke krachten die zich vandaag vooral baseren op theorieën rond identiteitspolitiek. In België hebben deze krachten in de laatste jaren geprobeerd het principe van de ongemengde actie in de praktijk te brengen, tot zover met weinig succes. Maar hun ideeën hebben door de soms radicale voorstelling ervan een zekere aantrekkingskracht.

De laatste jaren oriënteren alle sociale bewegingen zich in België op de syndicale beweging en nemen er de actiemethodes van over. Het is een natuurlijk gevolg van de aangehouden massale actie van de arbeidersklasse sinds het enorme actieplan van 2014. De drukke vakbondsagenda van dit jaarbegin is echter niet iets dat eeuwig kan duren, het is een nieuwe opstoot in de stakingsgolf die volgde op het aan de macht komen van een zuiver rechtse regering voor de eerste keer sinds midden jaren ’80.

Maar hoewel de macht van de arbeidersbeweging in de samenleving, haar enorme numerieke overwicht en haar capaciteit om enorme massa’s mensen in verzet op straat te brengen, zich de laatste jaren openlijk manifesteert, is het binnen de vakbondsrangen zelf voor brede lagen van strijdbare militanten duidelijk dat de leiding niet over een strategie beschikt om te winnen. Het actieplan van 2014 was een enorm positieve en enthousiasmerende ervaring, maar eindigde in een pijnlijke capitulatie van de leiding die afzag van het verder opbouwen van de beweging om de regering de genadeslag te geven. Er werd “gewacht op de volgende verkiezingen”. De huidige volle actie-agenda gebeurt zonder echt actieplan en zonder duidelijk perspectief wat het moet opleveren.

Dat gebrek aan perspectief en strategie van de vakbondsleiding heeft alles te maken met een gebrek aan een politieke organisatie van de arbeidersklasse. De beide grote vakbonden hangen nog altijd (weliswaar met minder draadjes) vast aan de oude sociaaldemocratische en christendemocratische partijen. Er zijn interessante ontwikkelingen, met vooral de Waalse socialistische vakbond die oproept voor de vorming van een linkse regering in Wallonië van PS, Ecolo en PTB en de aanhoudende discussie over de politieke vertegenwoordiging van de vakbondseisen die zich in de Waalse vakbonden intern afspeelt.

Voorlopig blijven we echter in de situatie dat de arbeidersbeweging politiek dakloos is. De vakbonden worden wel gezien als sterke strijdbare organisaties, die belangrijke eisen verdedigen, maar ze zijn geen organisaties die maatschappijverandering als voornaamste en centrale doel hebben. Ze hebben daar geen strategie voor en het is pas de laatste jaren dat de defensieve strijd opnieuw hier en daar plaats maakt voor een offensieve retoriek en strijd rond een aantal algemene eisen die een breed maatschappelijk effect kunnen hebben.

In dat kader waarin de burgerlijke krachten geen oplossingen te bieden hebben en waarin de arbeidersklasse niet over de instrumenten beschikt (een partij die discussie en debat mogelijk maakt en eengemaakte actie die daaruit voortvloeit) om ook die bredere discussie in de samenleving te sturen, zullen kleinburgerlijke ideeën opgang maken in alle verzetsbewegingen tegen het huidige systeem en de miserie en problemen die het veroorzaakt.

Het spreekt vanzelf dat socialistische feministen moeten antwoorden op alle voorstellen die de kop opsteken in de vrouwenbeweging en het potentieel hebben de arbeidersklasse te verdelen. We hebben de beste kansen om dat te doen als we onderdeel zijn van de strijd en in de strijd de beste eisen en actiemethodes voorstellen.

Rosa Luxemburg verdedigde de deelname van de arbeidersbeweging aan de strijd voor vrouwenstemrecht omdat het politiseren van arbeidersvrouwen en hen betrekken in de strijd enkel winst oplevert voor de arbeidersklasse, enkel een versterking van haar organen die aanzwellen met de massa van arbeidersvrouwen, enkel een versterking van de eenheid en de solidariteit binnen haar eigen rangen. Met de ROSA-campagne is het die taak die we willen vervullen: het betrekken van vrouwen in de arbeidersbeweging en –strijd, ook door het verzekeren dat de arbeidersbeweging ook de eisen van alle onderdrukte groepen opneemt. Het niet doen, laat jonge vrouwen en vrouwelijke werkenden die genoeg hebben van het seksisme die ze overal ervaren over aan de steriele burgerlijke vrouwenpropaganda en de radicaal klinkende maar sectaire en verdelende propaganda van het kleinburgerlijk feminisme.