Home / Dossier / 40 jaar geleden: de Iraanse revolutie

40 jaar geleden: de Iraanse revolutie

Foto vanop Wikimedia

In 1979 kwam er een einde aan het regime van de Iraanse Sjah. Een massabeweging maakte het einde aan het bewind van de monarchie. Wat in de plaats kwam, bleek geen alternatief. Niet de werkenden en onderdrukten plukten de vruchten van hun revolutie, maar de rechtse politieke islam onder leiding van Ayatollah Khomeini. In het kader van de 40ste verjaardag van de Iraanse revolutie hieronder een dossier dat we in 1999 publiceerden bij de 20ste verjaardag. 

 

Toen CIA-experten in september 1978 een rapport schreven over de politieke gezondheid van het pro-westerse monarchistische regime in Iran, besloten ze dat, ondanks zijn autocratisch heersen, de Sjah aan het hoofd stond van een stabiele dynastie die voor nog minstens tien jaar overeind zou blijven. Nauwelijks vier maanden later, werd hij gedwongen te vluchten door een revolutie van het volk die één van de meest vicieuze regimes van de aardbol ten val bracht. Zijn geheime politie, de +65.000 man sterke SAVAK, drong tot iedere laag van de maatschappij door, had de duivelse praktijken van de nazi Gestapo geleend en die ‘verfijnd’. Zelfs de Chileense dictator Pinochet had zijn beulen voor training naar Teheran gestuurd.

Ondanks deze reusachtige hindernissen gooiden de arbeiders de Sjah omver en zetten ze een revolutionair proces in gang dat schrik veroorzaakte zowel bij de reactionaire regimes in het Midden Oosten als bij de imperialistische machten in het Westen. Niet in het minste, deed de volksopstand de Stalinistische dictatuur in de Sovjetunie opschrikken, die betrokken was bij winstgevende handel met Iran. En toch plukten de arbeiders niet de vruchten van hun revolutie doordat de macht van de Sjah overging in de greep van rechtse politieke islamieten geleid door Ayatollah Khomeini.

In drie jaar tijd werden alle wereldlijke wetten van nul en generlei waarde verklaard. Er werden kledijregels voor vrouwen opgelegd in de lijn van een strikte interpretatie van de Islamitische gewoontes. Er werden 60.000 leraars weggezuiverd en duizenden opposanten uit de arbeidersklasse werden vermoord of opgesloten. De Iraanse Communistische partij, de Tudeh, die Khomeini in 1979 bij zijn terugkeer uit ballingschap met enthousiasme had ontvangen, werd zelf verboden in 1983.

Revolutionaire stemming

Een totalitair regime houdt zichzelf in stand door terreur en onderdrukking en is succesvol als de massa bang en inert blijven. Maar de dagdagelijkse horror leidt uiteindelijk tot revolte. Van zodra de arbeidersklasse haar schrik voor een regime verliest en in actie gaat, blijken de geheime politie en heel haar griezelige apparaat onmachtig te zijn.

Iran kende tussen oktober 1977 en februari 1978 illegale massabetogingen om democratische rechten en hun aandeel in de rijkdom op te eisen. De studenten en daarna de arbeiders trotseerden de kogels op straat. Na het doodschieten van honderden in de heilige stad Qom in januari 1978 spreidde een algemene staking van 2 000 000 in Teheran verder uit naar Isfaghan, Shiraz en de heilige stad Mashad. Op borden werd opgeroepen: “Wraak tegenover de brutale Sjah en zijn Amerikaanse imperialistische vrienden”, terwijl anderen” een socialistische republiek gebaseerd op de Islam” eisten.

Steeds meer begonnen de soldaten te verbroederen met de menigte en riepen: “wij zijn met het volk”.

Zelfs de kapitalistische klasse geleid door het Nationaal Front van Mehdi Bazargan, die oorspronkelijk beperkte ambities had om de macht met de Sjah te delen, was gedwongen door de bloedhete atmosfeer om een ‘semi-socialistisch’ programma aan te nemen.

De Iraanse revolutie ontwikkelde zich op een hoger niveau dan de Russische revolutie van 1905, waartussen er veel parallellen te trekken zijn. Toen, had de massa haar lot toevertrouwd aan mooi pratende ‘democraten’ die beloofden dat ze de Tsaar zouden doen luisteren naar hun eisen. Nu, kon de roep overal in Iran worden gehoord, dat de Sjah moest omver geworpen worden.

Arbeiders van openbare diensten en banken speelden een cruciale rol in het openbaar maken van de rotheid van de rijken. Bankbedienden openden de boeken zodat bekend werd dat gedurende de drie laatste maanden van 1978 één miljard £ uit het land werd gebracht door 178 genoemde leden van de elite, die hun Sjah na aapten die zelf een gelijkaardig bedrag naar de VS had overgebracht. De razende massa reageerden door het in brand steken van 400 banken.

Klasse, partij en leiding

Toen Mohammed Reza Pahlavi, die zichzelf afstammeling van Irans 2500 jaar oude Pauwentroondynastie had verklaard, op 16 januari 1979 voor de laatste keer op schandelijke wijze het land ontvluchtte, was de strijd al verder dan hem te zien aftreden. Nu was het een kwestie van de afschaffing van de absolutistische staat en welke vorm het nieuwe Iran zou aannemen.

De arbeidersklasse had de speerpunt gevormd in de strijd tegen de Sjah, door betogingen, door een vier maanden durende algemene staking en uiteindelijk door een opstand van 10/11 februari. De oude orde was voor goed weggeveegd. In deze strijd was de arbeidersklasse bewust van haar kracht, maar niet bewust van hoe de macht die ze in handen had, te organiseren.

De revolutie test alle klassen en voor de arbeidersklasse is de sleutelvraag of ze over de beslissende leiding beschikt die in staat is over te gaan van volksopstand naar socialistische opbouw. Ondanks de heldhaftigheid van de arbeiders, studenten en jongeren, was er in Iran geen Marxistische leiding aanwezig en geen massapartij die in staat was om de noodzakelijke conclusie uit het verloop van de revolutie te trekken. Het was de taak van een Marxistische partij om aan de arbeiders de noodzaak uit te leggen om samen met nationale minderheden en arme boeren op een bewuste manier de staatsmacht in handen te nemen en de taken van de socialistische revolutie door te voeren.

De grootste linkse krachten in Iran waren toen de Communistische Tudeh partij, de ‘Marxistische’ Fedayin khalq guerrilla en de islamitische Mojahedin guerrilla. Hoewel ze een ruim ledenaantal hadden en een ruime steun en ze over wapens beschikten, verkeerden ze op het kritieke moment in verwarring wat betreft het programma. Ze volgden geen onafhankelijke politiek van de arbeidersklasse maar zochten daarentegen een band met Khomeini ondanks het feit dat de clerus poogde een onafhankelijke arbeidersbeweging in de kiem te smoren.

Het verdwijnen van de dictatuur deed een machtsvacuüm ontstaan. Op een kritiek moment voor het lot van de massa, toen de echte macht in haar handen lag, stelde de Tudeh voor om een ‘democratische moslimrepubliek’ op te richten. Dit betekende in werkelijkheid dat de Tudeh afzag om de leiding van de revolutie op te eisen en zich daarentegen als verlengstuk gedroeg van de politieke agenda van de Mullahs.

De opkomst van de rechtse politieke Islam

De relaties tussen de door het westen gesteunde Sjah en de islamitische moskees waren lange tijd gespannen geweest. Toen de Sjah de gronden van de geestelijkheid onteigende, reageerde de moslimclerus furieus en preekte tegen het goddeloze regime. De geestelijke leider van Irans Sjiïeten, Ayatollah Khomeini, was verbannen naar Turkije en later naar Parijs, na een revolte in 1963 tegen onteigeningen van grond, waarbij duizenden werden doodgeschoten.

Marx had godsdienst eens omschreven als ‘de zucht van de onderdrukten’. Door het verbod op alle organisaties in oppositie tegen de Sjah, neigden tegenstanders van het regime om zich rond de moskeeën te verzamelen, waar radicale preken werden gehouden. Steeds meer werd dit als een strijd tegen het totalitarisme gezien. Khomeinys boodschap werd via een klein aantal muziekcassettes vanuit ballingschap Iran binnengesmokkeld en dan weer gekopieerd en verspreid. Khomeini en de ander Mullahs schetsten een beeld van vrijheid en democratie en riepen op voor een terugkeer van de fundamenten van de Islam, gezuiverd van alle westerse en niet-islamitische invloeden die de cultuur hadden aangetast en de maatschappij in een verkeerde richting deden uitgaan.

In een economisch halfachterlijk land met ongeletterdheid op grote schaal en waar meer dan de helft van de bevolking op het platte land woonde, vormden de woorden van de mullahs een sterke aantrekkingskracht op de boeren en delen van de middenklasse, zelfs bij arbeiders. Waar het nationaal front een compromis zocht met de dynastie, riep Khomeini op om die omver te werpen. De massa interpreteerde zijn oproep voor een islamitische republiek als een republiek ‘van het volk’, niet van de rijken, waar hun verzuchtingen zouden voldaan worden.

Bij de triomfantelijke terugkeer van Khomeini op 1 februari, bood de Tudeh onmiddellijk haar volledige steun aan voor de vorming van een islamitisch revolutionaire raad en haastte zich om met hem in een volksfront te stappen.

Revolutie en Contrarevolutie

In februari 1979 ontstond er een ‘DUBBELMACHT’ in Teheran. De heersende klasse was gevlucht, terwijl de arbeiders de fabrieken en de raffinaderijen in handen hadden en democratische arbeiderscomités oprichtten. Ze namen ook wapens van het leger dat uiteen viel.

Het was Khomeini echter die de vruchten plukte van deze revolutionaire golf. Zijn beweging die tweeslachtig tegengestelde en tegenstrijdige klassenbelangen combineerde, bekwam de instemming van seculiere en niet kerkelijke krachten omdat ze een radicaal populaire retoriek had: een islamitische republiek ten gunste van de onderdukten tegen de plaatselijke tirannen en het VS-imperialisme.

De militante geestelijken waren in staat om de revolutie te kapen, omdat ze de enige kracht in de maatschappij waren die duidelijke politieke doelstellingen, een organisatie en een praktische strategie had. Op 1 april behaalde Khomeini een overweldigende overwinning in een nationaal referendum waarin de bevolking één enkele keuze werd gesteld: islamitische Republiek: ‘ja’ of ‘nee’.

In de eerste dagen was hij nochtans verplicht om zeer voorzichtig te handelen. Enerzijds braken er opstoten uit tussen revolutionair islamitische gardes en arbeiders die hun pas verworven wapens wilden behouden. Ondertussen klaagde Khomeini de voorstanders van de algemene staking aan tot “verraders die we in het gezicht moeten slaan”.

Terwijl hij tussen de klassen balanceerde, deed hij tegelijkertijd grote toegevingen aan de arbeiders. Geneeskundige verzorging en vervoer werden gratis. De elektriciteits- en waterrekeningen werden opgeschort en basisgoederen werden zwaar gesubsidieerd.

In een situatie waarbij de staatskluizen waren leeggeplunderd en bij een werkloosheid van 25%, werden er decreten tot nationalisering uitgevaardigd. Deze werden begeleid door het opzetten van speciale rechtbanken met de macht om celstraffen van twee tot tien jaar op te leggen wegens “vernietigende tactieken in fabrieken of wegens arbeidersagitatie”.

Enkel op een geleidelijke mannier was Khomeini in staat om zijn machtsbasis uit te bouwen. Toen Irak in 1980 Iran binnenviel en een bloedige oorlog begon die acht jaar zou duren, verenigde de massa zich ter verdediging van de revolutie. Maar op dat moment echter was de revolutionaire vlam al uitgedoofd. De islamitisch Republikeinse partij die door de geestelijken werd gesticht vanuit de nieuw gevormde revolutionaire raden, had bindingen met de oude kleinburgerij (kleine kapitalisten) en de handelaars in de bazaars die orde en privaateigendom verdedigden.

Terwijl hij deze conservatieve lagen wou verdedigen, deelde Khomeini zware klappen uit aan het Westen door de nationalisering van de oliesector.

Een tweeslachtig regime

De Iranese islamitische staat is een kapitalistische republiek van een speciaal type – een geestelijke kapitalistische staat. Van bij het begin ontstonden er binnen de geestelijkheid twee tegengestelde tendensen. Eén groep rond Khomeini stelde dat de Imams de macht moesten behouden via een halffeodale kapitalistische staat met talrijke machtscentra. Het VS-imperialisme vertegenwoordigde in hun ogen de ‘Grote Satan’ en het exporteren van het islamitisch fundamentalisme naar de rest van de Islamitische wereld werd aangemoedigd.

Andere leidersfiguren, waaronder een meer pragmatische vleugel binnen de geestelijkheid, wilde een moderne gecentraliseerde kapitalistische staat oprichten. Terwijl ze verbaal de VS resoluut bleven veroordelen, tastten ze, vooral de laatste tien jaar, de mogelijkheden in het Westen af. De conflicten tussen deze twee tendensen en de politieke crisissen zijn nooit opgelost en worden vandaag uitgevochten tussen Ayatollah Khamenei en de hervormer president Khatami die in 1997 door een grote meerderheid werd verkozen.

Conclusies

De gebeurtenissen in Iran deden de militante politieke islam groeien doorheen de hele moslimwereld. Aan de oppervlakte toonden ze de kracht van de massa aan om een slag toe te brengen aan het imperialisme. Maar Marxisten moeten duidelijk zijn. De islam is niet radicaler of niet meer reactionair dan elke andere wereldgodsdienst en islamitisch fundamentalisme is geen homogeen fenomeen.

Het waren de mislukkingen van seculiere Arabisch-nationalistische bewegingen en het herhaaldelijk verraad van de communistische partij die uiteindelijk de voorwaarden schiepen voor de opkomst van het rechts politiek islamisme. Het weerspiegelde in Iran en sindsdien elders, de impasse van het kapitalisme in de regio en de noodzaak van de onderdrukte massa om een uitweg te vinden. De latere varianten van het politiek islamisme ontbreken zelfs dat laagje radicalisme dat Khomeini gedwongen was te steunen in de eerste maanden van de Iraanse revolutie.

De Taliban en de terroristische methodes van al-Qaida en Osama bin Laden bieden geen oplossing voor de strijdende massa die door de kapitalisten en de grootgrondbezitters wordt onderdrukt, maar in tegendeel ze verdelen de arbeidersklasse en beroven die van haar zelfstandig en combattief karakter.

Vandaag bezitten 20% van de Iranezen de helft van de rijkdom van het land. Regelmatig laait de klassenstrijd op. De belachelijke regels van de Imams botsen steeds meer tegen het verlangen van jongeren om hun leven in vrijheid te leiden. Enorme menigten kwamen bijeen in Teheran om het winnende voetbalteam in 1998 te verwelkomen. Leden van de revolutionaire garde stonden er hulpeloos bij, toen moedige jonge vrouwen de restrictieve kledingsregels negeerden.

Dit bevat de mogelijkheden van Irans stormachtige toekomst. Een nieuwe arbeiderspartij zal moeten worden opgebouwd op stevige Marxistische grondslagen om in staat te zijn de lessen te trekken, waarom de revolutie in 1979 gestolen werd. Terwijl het inkomen van het land uit olie export gehalveerd is, zal de stem van de arbeidersklasse opnieuw op de voorgrond komen en de taken van de revolutie succesvol voltooien.

Kapitalistische ontwikkeling voor de revolutie.

Voor 1979 aanzag het imperialisme Iran als een cruciale ‘frontlijn’ bufferstaat tegen opdringerigheid van de Sovjetunie in het Midden Oosten en Zuid Azië. Zijn fabelachtige oliereserves waren van levensbelang voor de westerse belangen.

In 1953 had een radicaal nationalistische beweging, geleid door het nationaal front van eerste minister Mosadeq, gepoogd om de olie industrie van het land te nationaliseren, wat leidde tot betogingen verspreid over het land met elementen van een opstand. De Sjah werd door de beweging in de straten gedwongen om tijdelijk in ballingschap te gaan. Het antwoord van het imperialisme was bepalend. Groot-Brittannië en de VS vroegen de arrestatie van Mosadeq en leidden geheime troepen om vernielingen te veroorzaken en zo de Iraanse troepen te verplichten tegen de bedreiging van hun winsten iets te ondernemen.

De Sjah werd opnieuw in het zadel geholpen, die gedurende 25 jaar met ijzeren hand over Iran heerste. Bij zijn terugkeer werd iedere politieke oppositie verpletterd en werden de vakbonden buiten de wet gesteld. De veiligheidsdiensten werden gereorganiseerd met hulp van de CIA. Na 1953 begon in Iran een razende periode van industrialisatie, grotendeels door gebruik te maken van het economisch programma van het nationale front om daardoor zijn populariteit uit te hollen. De idee was, om de adel om te vormen tot een moderne kapitalistische klasse, een heersende klasse naar westers model.

Landhervormingen werden doorgevoerd die de ex-feodale landeigenaars enorm verrijkten. Ze ontvingen enorme compensaties en werden aangemoedigd die in nieuwe industrieën te investeren.

Brute uitbuiting

De echte slachtoffers waren de arme boeren. Meer dan 1 200 000 waren van hun grond beroofd met hongersnood tot gevolg en een meedogenloze vlucht naar de steden waar ze op een perverse manier goedkope arbeid vormden voor de nieuwe kapitalisten.

Voor de revolutie was 66% van de arbeiders in de tapijtenindustrie in Mashad tussen 6 en 10 jaar oud, terwijl in Hamadam de werkdag 18 uren duurde. In 1977 verdienden veel arbeiders slechts 40£ per jaar. Hoewel een nominaal minimumloon door het regime was toegestaan, verdienden 73 % van de arbeiders minder.

De fabrieken in Iran leken op Dantes Inferno en vergelijkingen met prerevolutionair Rusland waren treffend. Ook daar was een zwakke kapitalistenklasse razendsnel met een industrialisatieproces begonnen om te proberen zich van haar feodaal verleden te ontdoen, maar waardoor ze in Marx’ woorden “haar eigen grafdelvers” schiepen, in de vorm van een militante arbeidersklasse.

Doordat de boeren naar de steden vluchtten, verdubbelde de stedelijke bevolking die 50% van het totaal bereikte. Teheran groeide tussen 1968 en 1977 van 3 naar 5 miljoen inwoners en er ontstonden 40 sloppenwijken rond de uitdijende voorsteden. In 1947 waren er slechts 175 grote ondernemingen die 100 000 arbeiders tewerkstelden. 25 jaar later werkten er 2,5 miljoen arbeiders in de industrie, waarvan 1 miljoen in de bouwsector en bijna evenveel in transport en andere industrieën.

Iran was in een overgangsperiode, half geïndustrialiseerd, half koloniaal. Een machtige arbeidersklasse had zich in één generatie gevormd. In Rusland telde de arbeidersklasse 4 miljoen man, op een totale bevolking van 150 miljoen. En toch had ze, gewapend met het Marxisme, de boeren achter zich gekregen en in 1917 het kapitalisme in haar zwakste schakel gebroken.

Ter vergelijking, het specifieke gewicht van de Iraanse arbeidersklasse was veel groter: meer dan 4 miljoen arbeiders op een bevolking van 35 miljoen.

Kom nooit in een revolutie tussen

Het VS-imperialisme keek machteloos toe, toen de laatste dagen van de Sjah in Iran waren geteld. Hoewel er stemmen in het Pentagon opgingen om vliegtuigen en mariniers naar de golf te sturen, waarschuwden meer verstandige elementen van de heersende klasse in de VS dat “je nooit tussen komt in een volksopstand”.

Bovendien was Amerika zijn wonden van Vietnam nog aan het likken. Daar had de sociale strijd van de boeren en de arbeiders haar ketenen van onderdrukking afgeworpen en supermacht op zijn knieën gekregen. Een invasie geleid door de VS had niet in te schatten gevolgen op wereldschaal gehad, vooral in de koloniale wereld waar de Sjah in de ogen van de massa, symbool stond voor al wat rot was.

De Iraanse revolutie deed Amerika beven. De VS-president Jimmy Carter werd vernederd toen de Ayatollahs betogingen op straat aanmoedigden die tot de bestorming van de Amerikaanse ambassade leidden en tot het gevangen nemen van 66 gijzelaars. In 1983 moest Ronald Reagan zich uit Libanon terugtrekken, toen VS troepen verliezen leden door de Shia Hezbollah beweging die door Teheran werd gesteund.

Een gapende kloof

Iran was de tweede grootste olie-exporteur in 1978 en de vierde grootse producent ter wereld. Toen de olieprijzen tussen 1972 en 1975 verviervoudigden als gevolg van de oorloog tussen Israël en de Arabische landen, steeg het BNP van Iran met 34% in één jaar tijd. De Sjah ontving een miljardenstroom, die hij opnieuw kon investeren.

Maar met een toplaag van 45 families die 85% van de middelgrote en grote firma’s bezaten en met de rijkste 10% die 40% van het geld uitgaven, werd de kloof tussen de klassen iedere dag groter.

Méér dan een kwart van de Iranezen leefden in absolute armoede en om een beeld te geven van de arrogantie van een absoluut monarch: in 1976 schreeuwde de Sjah: “we hebben geen zelfopoffering van de bevolking gevraagd. We hebben ze eerder in de watten gelegd. De dingen zullen nu veranderen. Iedereen zal harder werken en zal bereid moeten zijn tot zelfopoffering ten dienste van de vooruitgang van het land.”