Home / Internationaal / Europa / Hongarije: massaprotest tegen ‘slavenwet’

Hongarije: massaprotest tegen ‘slavenwet’

Voor delen van extreemrechts is het Hongaarse regime van Orban een voorbeeld. Afgelopen zomer trok Vlaams Belanger Dries Van Langenhove bijvoorbeeld nog naar Oost-Europa om op de foto te gaan met Orban. Van Langenhove was zo fier als een gieter. Het asociale karakter van het rechtse beleid in Hongarije wordt echter steeds duidelijker: de ‘slavenwet’ van Orban geeft werkgevers de mogelijkheid om 400 overuren per jaar op te leggen en het loon pas twee jaar later uit te betalen. Het komt neer op de invoering van de zesdaagse werkweek. Hieronder een analyse van het protest tegen de ‘slavenwet’, geschreven door Till Ruster van onze Oostenrijkse zusterorganisatie.

“Een lastige, ellendige, vuile kleine proleet.” Zo omschreef Zsolt Bayer, een goede vriend van regeringsleider Orban en eigenaar van het lidmaatschapsnummer 5 van de partij Fidesz, een 18-jarige scholier tijdens een interview op de staatstelevisie. Die scholier, Blanka Nagy, had op een grote demonstratie in december een strijdlustige toespraak gehouden. De regering ligt op ramkoers met de beweging die zich verzet tegen de verhoging van het maximaal aantal toegelaten overuren van 250 tot 400 per jaar. De werkenden worden aan de willekeur van de bazen overgeleverd: de overuren kunnen opgelegd worden zonder dat overlegorganen of vakbonden moeten gehoord worden. Met deze ‘vrijwillige overeenkomsten’ moet er volgens de regering ‘meer flexibiliteit’ komen. Het willekeurige karakter van de maatregel maakt dat over een ‘slavenwet’ wordt gesproken. Iedereen weet dat er niets vrijwillig is als het alternatief werkloosheid is. Het betekent in de praktijk dat de zesdaagse werkweek terug ingevoerd wordt.

Op het eerste gezicht voert de regering een tegenstrijdig beleid. Sinds 2015 is het minimumloon jaar na jaar drastisch verhoogd, vaak was de stijging hoger dan wat de vakbonden eisten. Maar de loonstijgingen en de arbeidsduurverlenging zijn twee kanten van dezelfde medaille: het enorme tekort aan arbeidskrachten in Hongarije.

Als gevolg van het bezuinigingsbeleid na de economische crisis van 2008, waarin Hongarije even hard werd geraakt als bijvoorbeeld Griekenland, zijn tot 800.000 Hongaren (bijna 10% van de bevolking) uit het land weg getrokken. Het ging vooral om jongere hoog opgeleide personen die elders een betere toekomst hoopten te vinden. De blijvers zijn vooral oudere werkenden, die door hun familie of huis meer gebonden zijn.

Er zijn heel wat Duitse bedrijven actief in Hongarije: een verslag van de Bundesbank heeft het over 730 bedrijven die 174.000 directe werknemers tellen. Daar komen nog heel wat werkenden bij toeleveranciers bij. Deze bedrijven staan onder druk door het tekort aan arbeidskrachten. Sinds de jaren 1990 werd veel in Hongarije geïnvesteerd omdat er daar gemakkelijke toegang was tot goedkope opgeleide personeelsleden.

De nieuwe wet rond de overuren wordt in Hongarije niet alleen de ‘slavenwet’ genoemd, maar ook de ‘Wet-Audi’, ‘BMW’ of ‘Daimler.’ Internationale solidariteit van vakbonden in onder meer Duitsland is dan ook belangrijk. De strijd tegen de neerwaartse spiraal van lonen en arbeidsvoorwaarden moeten we gezamenlijk voeren. We mogen ons niet laten vangen aan de logica van het establishment.

Rol van de vakbonden

Het is ook in naam van deze internationale bedrijven dat de regering-Orban, die sinds 2010 aan de macht is, strijd voert tegen de vakbonden en de rechten van de werkenden. Er werd meteen begonnen met de ondermijning van de vakbonden, in het bijzonder in de openbare diensten. Vervolgens werd het stakingsrecht aangepakt: voor elke staking moeten de vakbonden en bazen eerst een “adequate omkadering” overeenkomen zodat de schade van de staking zo beperkt mogelijk is. Indien dit niet lukt (wat altijd het geval is), beslist de arbeidsrechtbank quasi steeds dat de staking niet mag plaatsvinden. Staken tegen overheidsmaatregelen is overigens verboden!

Het vakbondsverzet hiertegen beperkte zich tot persconferenties en oproepen om voor de oppositie te stemmen. De vakbonden zaten de afgelopen jaren in het defensief. Waar er aanvankelijk zes vakbondsfederaties waren, is dit door fusies herleid tot vier. Dit was niet het resultaat van een streven naar eenheid van alle werkenden, maar een gevolg van dalende ledenaantallen. István Gaskó, tot 2015 voorzitter van de vakbondsfederatie ‘Liga’, stelde dat de vakbonden ‘heel weinig sympathie genieten in de samenleving’.  Dat had veel te maken met de rol van de gehate sociaaldemocratie en met de zichtbare corruptie van de leidingen. De beperkte maatschappelijke steun was alleszins niet het resultaat van een strijdbare opstelling. Om de ‘slavenwet’ weg te krijgen, zal er verzet vanuit de bedrijven nodig zijn. Er is nood aan stakings- en actiecomités om het verzet effectief te organiseren, maar ook om democratisch te beslissen over eisen en volgende stappen in de strijd. De vakbonden zullen enkel uit hun interne crisis geraken als ze de strijd aangaan.

Klasseneenheid, geen racisme

Het waren niet de vakbonden die het verzet tegen de ‘slavenwet’ begonnen. Dat gebeurde met spontane acties. Het neofascistische ‘Jobbik’ pikte dit protest snel op en was met nationalistische vlaggen op de demonstraties. Jobbik was er duidelijker zichtbaar dan de links-liberale oppositie of de vakbonden. Het gewicht van Jobbik is zo groot dat de liberale oppositie er een verbond mee gesloten heeft voor het protest. Dit wil natuurlijk niet zeggen dat het protest tegen de slavenwet een fascistische beweging is. Ook bij andere protesten, zoals tegen uithuiszettingen, is Jobbik vaak de enige kracht die nationaal met een politiek programma tussenkomt. De ‘linkerzijde’ is door vroegere regeringsdeelname of door het aanleunen bij de EU onpopulair. Jobbik probeert tussen te komen met kritiek op het kapitalisme en radicale slogans. Dat wordt gekoppeld aan racisme en antisemitisme, die hierdoor dieper ingang vinden onder de werkenden en echt verzet tegen het systeem moeilijker maken. De strijd tegen Orban, zijn kliek van Hongaarse kapitalisten en internationaal kapitaal, vereist een zo groot mogelijke eenheid van alle werkenden, los van afkomst. Een andere maatregel om het tekort aan arbeidskrachten op te vangen, is immers de gerichte aanwerving van personeel uit Roemenië, Oekraïne, Slovakije, Servië en andere landen met nog slechtere arbeids- en loonvoorwaarden. Een nationalistisch antwoord speelt enkel in de kaart van het verdeel-en-heersbeleid van de regering.

Hoe winnen?

De beweging heeft sterke punten: er wordt al wekenlang geprotesteerd en dit in heel het land. In tegenstelling tot bij vorige protesten tegen de regering was de druk zo sterk dat de vakbonden op 19 januari een staking hielden. Het feit dat de staking op een zaterdag was en bijgevolg niet goed georganiseerd, wijst op de aarzelende opstelling van de vakbondsleidingen. Het vastberaden straatprotest kan de vakbondsleidingen echter verder vooruit duwen. Een sterke landelijke stakingsbeweging kan niet enkel de ‘slavenwet’ van tafel halen, maar ook de zwakke regering-Orban. De beweging heeft nood aan een georganiseerde marxistische kracht om een duidelijk socialistisch programma en bijhorende strategie voor de val van de regering te verdedigen. We mogen ons niet neerleggen bij het kapitalisme: laten we er een socialistisch alternatief tegenover stellen.