Home / Internationaal / Afrika / Soedan: sluimerende woede leidt tot uitbarsting op straat

Soedan: sluimerende woede leidt tot uitbarsting op straat

Soedan werd vanaf 19 december dooreengeschud door grote protestacties tegen de regering. De omvang en de duur van dit protest zijn ongezien. In de diaspora waren er acties voor ambassades om solidariteit te betuigen met deze heldhaftige strijd. De meeste media in de buurlanden van Soedan zwegen over deze nieuwe fase in de opborrelende Soedanese revolutie. Ze vrezen dat de val van de dictatuur van Omar al-Bashir kan leiden tot een nieuwe golf van opstanden in de regio.

Analyse door Serge Jordan en Sabah Ahmed

De directe aanleiding voor deze uitbarsting van woede was het afschaffen van de overheidssubsidies voor bloem, waardoor de broodprijs de hoogte inschoot. Het is de zoveelste stap in een reeks asociale maatregelen van het regime van al-Bashir. Deze maatregelen werden doorgevoerd om de ‘aanbevelingen’ van het IMF te volgen. De regering is boven de kredietlimiet bij het IMF gegaan en om de schulden af te betalen, moeten de dictaten van het IMF gevolgd worden. Dit betekent dat de Soedanese werkenden en armen nog meer besparingen opgelegd krijgen.

De eerste betoging vond plaats in Atbara, historisch een bastion van protest tegen de regering en de geboorteplaats van de Soedanese vakbeweging. Atbara bevindt zich in de noordoostelijke staat ‘Rivier Nijl.’ Het regime vreesde dat de verhoging van de broodprijs in de hoofdstad Khartoum politiek te riskant was en besloot daarom de maatregel eerst in de noordoostelijke staat door te voeren. De broodprijs verdrievoudigde op één dag. De tactiek van de regering mislukte: de prijsverhoging leidde tot de grootste protesten in dit deel van Soedan sinds jaren.

Nadat de regering aankondigde dat de prijs voor schoolmaaltijden zou verdubbelen, protesteerden scholieren in Atbara. Ze werden door honderden andere betogers vervoegd en trokken naar het stadscentrum. Daar werd het centraal kantoor van de heersende partij (National Congress Party, NCP) en het gebouw van de lokale regering in brand gestoken. Bij de beruchte veiligheidsdiensten NISS werden heel wat vernielingen aangericht. Het protest ging de hele avond door en sloeg over naar andere steden in dezelfde staat, alsook naar Port Sudan, de hoofdstad van de deelstaat ‘Rode Zee.’ De slogans waren tegen het regime en de slechter wordende levensvoorwaarden gericht. De noodtoestand en een avondklok werden afgekondigd in Atbara. Alle scholen in de stad gingen dicht.

Op de tweede dag gingen er ondanks de noodtoestand betogingen door in zowat alle steden van de staat ‘Rivier Nijl.’ Het protest sloeg ook over naar Al-Gadarif in het uiterste oosten van het land, waar zes betogers vermoord werden door veiligheidsdiensten waaronder scherpschutters. Er waren eerste protestacties in Al-Obeid, de hoofdstad van de staat Noord Kurdufan, en in Dongola in het noorden, waar betogers regeringsgebouwen platbrandden. Er waren verder acties in de hoofdstad Khartoum. Het grootste protest daar was op het Jacksonplein, het belangrijkste knooppunt voor openbaar vervoer in Khartoum. De betogers verjaagden de politie.

Op 21 december, na het vrijdaggebed, kenden de protestacties een verdere uitbreiding. In de staat ‘Witte Nijl’ werden kantoren van de heersende partij en de lokale overheid in brand gestoken. Op dat ogenblik was de avondklok al afgekondigd in vijf staten. In een poging om de protestbeweging te stoppen, verbood de regering alle sociale media, werd het internet afgesloten en schorste de minister van Onderwijs alle lessen in middelbare scholen en hoger onderwijs. De volgende dag zouden er ook in het westen van het land protestacties ontwikkelen, onder meer in Noord Darfoer en Zuid Darfoer.

Van bij het begin kozen het regime en de veiligheidsdiensten voor harde repressie. Ze schrokken van de vastberadenheid van de betogers, in het bijzonder de vrouwen en jongeren. Een aanhanger van het CWI die in Khartoum woont, omschreef de nachtelijke gebeurtenissen als “stedelijke guerrillastrijd” in de voorwijken met jonge betogers die vuur maakten en Molotovcocktails gebruikten om de politie en de zwaar bewapende veiligheidsdiensten van de NISS in de val te lokken en uit te putten. Er vielen reeds minstens 37 doden en honderden gewonden. Heel wat betogers werden opgepakt en gemarteld. Dit bloedbad houdt de mensen echter niet tegen om te blijven protesteren. Er worden slogans geroepen als: “Kogels doden ons niet, onderwerping wel.” Het is een uitdrukking van een breed gedragen gevoel onder de Soedanese bevolking dat de situatie zo slecht geworden is dat er niets erger is dan niets doen, zelfs als dit betekent dat je leven op het spel wordt gezet. Een Soedanese vrouw verklaarde aan de BBC: “Als je nu naar buiten gaat en omkomt of als je binnenblijft en van de honger sterft… Wel, laten we dan protesteren!” Deze sfeer verklaart waarom de repressie tot hiertoe enkel geleid heeft tot een versterking en radicalisering van de beweging.

Economische puinhoop, regime in paniek

Het afschaffen van de subsidie voor bloem was de spreekwoordelijke druppel die de emmer deed overlopen. De inflatie loopt al op tot bijna 70% (volgens de regeringscijfers, sommige economen stellen dat de reële inflatie dubbel zo hoog is). De waarde van het Soedanese pond is ingestort. Het einde van de economische sancties van de VS in oktober 2017 heeft niet geleid tot een verbetering van het leven van de gewone Soedanees. Nu de sancties weg zijn, staat de regering naakt voor de eigen bevolking: er is niemand anders meer om de schuld op af te schuiven.

De meeste mensen hebben moeite om zich basisproducten te veroorloven. Er zijn bovendien tekorten, onder meer inzake brood en brandstof, in heel wat regio’s waaronder Khartoum. Mensen slapen wachten soms twee dagen in hun auto om te kunnen tanken. Er zijn wachtrijen om brood te kopen of om cash geld van de bank te halen. In de hoofdstad zijn er geen jobs, maar toch trekken mensen uit andere delen van het land naar daar in de hoop werk en een beter leven te vinden. De stad is overbevolkt, er is een gebrek aan betaalbare huisvesting, geweld en misdaad scheren hoge toppen.

Al deze factoren dragen bij tot een algemene woede. Het protest had bovendien ook al snel een politieke impact, van bij het begin was er een expliciet protest tegen het regime. Slogans om het regime van het gehate en repressieve bewind van al-Bashir omver te werpen, zijn erg populair en weerklinken zelfs in voetbalstadia. In de straten leeft het gevoel dat deze beweging het einde van het regime kan betekenen. In sommige gemeenten werden imams die opriepen tot gehoorzaamheid aan de autoriteiten afgezet. In al-Nuhud en al-Gadarif bestormden betogers de opslagplaatsen van de Zakat-kamers om het voedsel op te eisen. Deze vastberadenheid en het verwerpen van angst geven aan dat er zich een revolutionaire situatie begint te ontwikkelen.

Bij de heersende lagen is er een gevoel van hulpeloosheid, twijfel en paniek. De beweging is immers ook doorgebroken in de bastions van de NCP, wat erop wijst dat de kern van de steun voor het regime ingestort is. Een lokale waarnemer verklaarde: “De schok van de voorbije dagen is dat de mensen waarop de regering steeds beroep gedaan heeft om steun te vinden, de beschermers van het noordelijk Soedanees chauvinisme, vandaag op straat komen voor het einde van dit regime.”

Al-Bashir zwenkt tussen verschillende posities: enerzijds doet hij op verzoenende toon een oproep aan de veiligheidsdiensten om het recht op protest te respecteren en belooft hij economische hervormingen, maar anderzijds doet hij de betogers af als verraders, huurlingen en buitenlandse agenten. Op dinsdag 25 december trok een mars naar het presidentieel paleis met de eis dat al-Bashir aftreedt. Deze mars was georganiseerd door een hele reeks vakbonden en oppositiepartijen in Khartoum. Het was de grootste soortgelijke betoging in jaren met duizenden betogers die slogans riepen als: “De mensen willen het regime omverwerpen”, “Vrijheid, vrede, rechtvaardigheid en revolutie.” De veiligheidsdiensten gingen over tot brutaal geweld met traangas, rubberkogels, massale arrestaties en er werd zelfs met scherp geschoten. Al-Bashir was duidelijk bang: hij had de hoofdstad net voor de betoging verlaten.

Andere delen van de staatsmachine vertoonden tekenen van zwakte, verdeeldheid en angst. “Ik zag hen nooit op deze manier panikeren,” stelde een activist aan de New York Times. Onder de soldaten is er weinig animo om tegen de beweging in te gaan. Beelden van smartphones tonen hoe elementen van het Soedanese leger met betogers verbroederden in Atbara en al-Gadarif, betogers werden zelfs beschermd tegen de dodelijke repressie van politie, NISS en de milities van het regime. Ook de politie ging meermaals aan de kant staan.

De militaire leiding kwam na enkele dagen met een publieke verklaring waarin de steun aan het regime werd bevestigd, maar daarbij werd al-Bashir opmerkelijk genoeg niet bij naam genoemd alsof het leger alle opties open wil houden voor verschillende scenario’s. Nadien verschenen beelden van de centrale leider van de “Rapid Support Force”, een brutale paramilitaire groep die de regering steunde, waarop hij aan duizenden troepen zei dat ze “solidair” moeten zijn met het Soedanese volk omdat de regering verantwoordelijk was voor de inflatie die tot het protest heeft geleid. Op 27 december nam de minister van Volksgezondheid in de Noordelijke staat ontslag, het eerste ontslag van een hooggeplaatste figuur sinds het uitbreken van het protest.

Stakingsacties

Op 24 december begonnen Soedanese dokters en medisch personeel een staking van onbepaalde duur. Ze riepen andere beroepsgroepen op om hen te volgen in een nationale staking uit solidariteit met de beweging. Op 27 december volgden de journalisten deze oproep met een driedaagse staking uit protest tegen “het geweld van de regering tegen de betogers,” maar ook tegen de regelmatige inbeslagnames van kranten door de veiligheidsdiensten en tegen de arrestaties van journalisten die over het protest berichten.

Een aantal verenigingen van vrije beroepen (dokters, apothekers, …) roepen op tot een algemene staking, maar deze is nog niet ontwikkeld. De officiële vakbonden worden strikt gecontroleerd door de regering en blijven bijgevolg zwijgen over de dringende kwesties waarmee de massabeweging geconfronteerd wordt. De sociale woede is echter erg groot. De stakingen van enkele sectoren en de banden met de jongeren kunnen de meest onderdrukte lagen van de arbeidersklasse tot protest aanzetten.

Soedan kent een lange geschiedenis van arbeidersstrijd. Als de Soedanese arbeidersklasse zich verenigt in protest met massastakingen en protestacties, dan kan dit het einde van het bewind van al-Bashir betekenen, net zoals het in het verleden een einde maakte aan de militaire regimes van Abboud en Nimeiri. Het komt er nu op aan om regimegezinde vakbondsvertegenwoordigers af te zetten en te vervangen door echte vertegenwoordigers van de werkenden, waarbij onafhankelijke comités op de werkvloer worden opgezet als onderdeel van de opbouw van onafhankelijke vakbonden. De activisten moeten niet wachten tot er een datum voor een algemene staking wordt afgekondigd om een massale campagne te starten waarbij studenten, jongeren, arme boeren, werklozen en kleine handelaars worden opgeroepen om deel te nemen aan een protestbeweging om het huidige regime ten val te brengen.

In bepaalde plaatsen, zoals in Atbara, zijn er wijkcomités opgezet. Dat is belangrijk: het kan de strijd op lokaal vlak helpen structureren, het kan mensen bijeenbrengen om alle praktische en politieke kwesties te bespreken. Als dit uitgebreid wordt tot alle wijken, werkplaatsen en onder de gewone soldaten, dan kan het verzet tegen het regime en haar repressie gecoördineerd worden, kan de orde gecontroleerd worden en kan de basis gelegd worden voor een alternatieve machtsstructuur gebaseerd op wat de revolutionaire bevolking wil. Zo kan de macht van het corrupte en repressieve regime van al-Bashir overgenomen worden en kan vermeden worden dat de huidige strijd politiek gekaapt wordt.

De massa’s hebben steeds hun vastberadenheid getoond, maar er is tegelijk een gebrek aan leiding. De meeste politieke partijen en oppositiekrachten hebben geen duidelijk programma over hoe de beweging vooruit kan gaan. De meesten zijn eigenlijk bang van een massabeweging van de werkenden en armen, omdat dit het kapitalistische systeem dat zij verdedigen bedreigt. Sommigen, zoals de National Umma Party, hebben in het verleden regelmatig allianties gesloten met het regime.

De oproep van de Soedanese Communistische Partij om de “beweging te verenigen en samen te werken om deze te coördineren” is een nuttige stap voor zover het nadruk legt op het versterken van de bestaande massabeweging. Maar de oproep is gericht aan “alle oppositiepartijen” waarbij geen onderscheid wordt gemaakt tussen die politieke oppositie die al-Bashir weg wil en diegenen van wie de belangen objectief regelrecht tegenover die van de krachten in de huidige beweging staan.

De omverwerping van het regime moet leiden tot een radicale verandering van de samenleving en niet tot een kosmetische oppervlakkige verandering waarbij alle onderdrukkende structuren en de brutale economische uitbuiting van de massa’s intact blijven. Zoals wij in 2014 reeds schreven: “Het zinkende schip van de NCP zet zowel het imperialisme als deden van de heersende klasse ertoe aan om plannen te maken voor de toekomst. Ze hopen dat ze de beweging van de Soedanese bevolking kunnen beperken door het NCP-regime te vervangen door een nieuwe regering die de verderzetting van het kapitalisme garandeert. Dat is waarom we als socialisten gekant zijn tegen het idee van een soort ‘consensusregering’. Dat betekent immers dat er geen fundamentele sociale verandering komt, de kapitalistische vertegenwoordigers in zo’n regering zouden er nooit mee instemmen om met het kapitalisme te breken. Het kapitalisme is immers de basis van hun macht.”

Vandaag moeten we gelijkaardige waarschuwingen brengen. De organisatoren van de mars op 25 december eisen terecht het ontslag van al-Bashir, maar ze koppelden dit aan een petitie voor een “overgangsregering van technocraten met een mandaat dat gegeven wordt door alle delen van de Soedanese bevolking.” Revolutionaire ervaringen uit het verleden hebben helaas aangetoond wat er van zo’n “technocratische regering” kan verwacht worden: het verwijderen van een gediscrediteerd kopstuk van het regime, die vervangen wordt door iemand anders, maar waarbij de fundamenten van de oude staatsmachine en van de economische macht van de plunderende kapitalistische elite gewoon behouden blijven.

Zo’n ‘technocratische’ formule, een militaire staatsgreep, het recycleren van oude politieke gezichten, het inzetten van ‘frisse’ gezichten van de pro-kapitalistische oppositie, of varianten op deze antwoorden, zullen geen oplossing bieden voor de fundamentele problemen waarmee de Soedanese massa’s geconfronteerd worden. De revolutionaire beweging kan enkel vertrouwen stellen op de eigen strijd en organisatie. Het komt erop aan om een onafhankelijke linkse kracht op te bouwen, zodat er een sterk politiek instrument is om de belangen van de werkenden, vrouwen, kleine boeren en alle armen in strijd te verdedigen en om deze lagen bijeen te brengen in een revolutionaire regering: een regering met een programma om de rijkdom van de corrupte heersende elite af te nemen, de centrale industriële sectoren en grote landbouwbedrijven te nationaliseren en de basis te leggen voor een democratische socialistische planning van de productie waarin de noden van de meerderheid van de bevolking centraal staan.