Home / Dossier / België – De Thatcheriaanse regering kan verslagen worden!

België – De Thatcheriaanse regering kan verslagen worden!

Begin en midden december organiseerde LSP regionale congressen of algemene vergaderingen om de lokale werking te bespreken en plannen te maken voor de komende periode. Uiteraard gebeurde dit aan de hand van een politieke discussie over de periode waarin we zitten. Er is gewerkt met een nota van het Uitvoerend Bureau over de internationale en Belgische situatie onder de titel “Tien jaar na grote recessie: geen rust voor de burgerij”, geschreven eind oktober. Gisteren publiceerden we het internationaal gedeelte, vandaag het stuk over België.

België – De Thatcheriaanse regering kan verslagen worden!

Deze zomer heeft de rechtse federale regering geïllustreerd dat ze niet zomaar zou uitbollen tot aan de verkiezingen. Daarin onder meer een aanval op de werklozen met 26 maatregelen om hen te activeren, maar in het bijzonder een toenemende degresssiviteit na 6 maand met een hogere uitkering. Ambtenaren zullen voortaan hun jaarlijkse 21 ziektedagen die aan 100% loon betaald worden – daarna valt het loon terug op 60% – niet langer mogen overdragen naar de volgende jaren. Dat is slechter dan In de privé, waar gedurende 30 dagen ziekte 100% loon uitbetaald wordt, waarna men terug valt op 60%. In de privé is dat niet overdraagbaar, tenzij anders bepaald in de cao. Volgens Jambon (NV-A) zouden immers veel ambtenaren die ziektedagen opsparen om tot twee jaar vroeger op pensioen te gaan. Maar volgens Medex dat de controle uitvoert voor de FOD gezondheid zou slechts bij 0,6% van de afwezigheden wegens ziekte, twijfel mogelijk zijn.

De loopbaanvoorwaarde voor brugpensioen of SWT (Stelsel van Werkloosheid met bedrijfstoeslag) wordt opgetrokken van 40 naar 41 jaar en vanaf 2019 kan SWT bij herstructureringen pas vanaf 59 jaar, in 2020 wordt dat 60 jaar. Het recente akkoord bij Mestdagh, dat voorziet in SWT vanaf 56 jaar, zou binnen enkele maanden niet meer mogelijk zijn. De regering wil ook in overleg met de sociale partners de loonvorming herzien, weg van het anciënniteitsprincipe naar verloning op basis van prestaties en productiviteit. Het valt nog te bezien hoe dat in zijn werk gaat, maar dat zou kunnen betekenen dat collectieve vastgestelde lonen – wellicht gradueel – moeten wijken voor individueel te onderhandelen lonen.

Wie dacht dat daarmee het ergste achter de rug lag, kreeg meteen een waarschuwing mee van de N-VA. Die liet bij monde van kamerfractieleider Peter De Roover weten dat “die regeringen (de Vlaamse en de federale) te weinig het programma van de N-VA uitvoeren.” Niemand twijfelt eraan dat die kritiek vanuit de partij zelf in scène was gezet. De Vlaamse fractieleider, Matthias Diependaele voegde er immers aan toe: “Als de achterban mort, dan is het inderdaad omdat het beleid rechtser mag. Ik herken dat. Zelf betreur ik dat we de werkloosheidsuitkering in de tijd niet hebben kunnen beperken.”

Beperking van de werkloosheid in de tijd is echter niet waar het hem hier in de eerste plaats om gaat. Wat de N-VA vooral betreurt, is dat ze er niet in geslaagd is de fundamentele kracht van de vakbonden te breken, dat de regering met andere woorden onvoldoende Thatcheriaans was. Dat is waarom ze zich als doelstelling stelt om naast de beperking van de werkloosheidsuitkering in de tijd ook de collectieve loononderhandelingen om te vormen naar individuele, het stakingsrecht aan banden te leggen, de stakerskassen door te lichten, rechtspersoonlijkheid voor de vakbonden in te voeren, de vakbonden de uitkering van werkloosheidsvergoedingen af te nemen en de mutualiteiten de uitkeringen bij ziekte. Dat betekent niets anders dan mutualiteiten en vakbonden lam leggen. We weten meteen wat de inzet wordt van de verkiezingen in mei 2019.

Meteen deze zomer hadden de vakbonden verkondigd dat ze het zomerakkoord van de regering niet zomaar zouden laten passeren. Maar op een actie van de socialistische overheidsbond aan de sluizen na, leek het erop, dat de vakbonden eenmaal de zomer voorbij ingedommeld waren. Over de aangekondigde “grote” vakbondsacties van 2 oktober tegen het zomerakkoord ging het gerucht dat de Oost-Vlaamse vakbonden dachten aan een quiz in Gent en de Antwerpse aan een betoging in Turnhout.

Dat veranderde met de aankondiging van ABVV-voorzitter Vertenueil om van 2 oktober en algemene stakingsdag te maken. Er was nogal wat discussie over die aankondiging. Sommigen beweerden dat Vertenueil als nieuwe ABVV-voorzitter zijn radicale geloofsbrieven wou laten zien, anderen dat zijn uitspraken slechts  theater waren. Het zou best kunnen dat het hier om een staaltje communicatiestrategie ging, maar hoe dan ook verkiezen wij een nieuwe ABVV voorzitter die meteen zijn tanden laat zien, boven de vele anderen die vooral regering en patronaat willen sussen door erop te wijzen dat er met hen wel te praten valt. Daar mag voor ons best wat theater bij, als dat theater aanzet tot actie en niet tot passiviteit.

Als er een kritiek te maken was op de aankondiging van Vertenueil, dan is het dat hij dat beter had voorbereid met personeelsvergaderingen en militantenconcentraties vooraleer naar de pers te stappen. Maar het zou ook kunnen dat Vertenueil wist dat verschillende ABVV-centrales er alles zouden aan doen om een ernstige actie sowieso te boycotten en dat het ACV en ACLVB helemaal niet van plan waren wat dan ook te organiseren. Het zou dus kunnen dat hij door naar de pers te stappen druk op de ketel wou zetten. We vermoeden dat hij rekening hield met de mogelijkheid dat het federaal bureau hem niet zou volgen, hertgeen ook gebeurde. Dat zal hem bij de IPA onderhandelingen die binnenkort aanvangen door de patronale delegaties ongetwijfeld op een of andere manier worden doorgestoken en verzwakt in die zin zijn positie.

Anderzijds heeft Vertenueil door zijn verklaring zonder enige twijfel het sociaal verzet gereanimeerd en een forse bijdrage geleverd aan het succes van 2 oktober. Hij heeft daarmee de electorale strategie van de regeringspartijen, in het bijzonder N-VA en MR flink doorkruist. Die wilden immers inzetten op migratie, veiligheid en identiteit om de aandacht af te houden van hun antisociaal programma. De aanvallen van de N-VA op vakbondsvrijheden worden immers niet voorgesteld als aanvallen op sociale verworvenheden, maar op een verweerd apparaat dat ver verwijderd staat van de “gewone, hardwerkende Vlaming.”

Sociale actie verhindert regering om haar thema’s centraal te stellen

Op 20 september betoogden 6.000 hoofdzakelijk ABVV’ers in Namen tegen het voornemen van de gewestregering om het statuut van de APE (Aide à la Promotion de l’Emploi) te hervormen. De APE zijn gesubsidieerde jobs in rusthuizen, scholen, sportclubs, ziekenhuizen, gemeenten en OCMW’s, jongeren- en culturele verenigingen, provincies,… In totaal gaat het om 60.000 jobs verspreid over Wallonië en Brussel, waarvan duizenden bedreigd worden en met hen de talloze verenigingen en diensten waarin ze werken. De 25ste juni hadden al eens 10.000 betogers de oproep beantwoord, toen van alle vakbonden samen en van de betrokken patronale organisaties. Een algemene staking van alle openbare diensten in Wallonië werd eerst aangekondigd voor 10 oktober, maar later uitgesteld tot de 19de.

De bonden van de Vlaamse ambtenaren organiseerden in de tweede week van september 7 personeelsvergaderingen, waar de opkomst zo overdonderend en de woede zo groot was dat de vakbonden voor 21 september wel een staking moesten uitroepen. Blijkbaar volstond de aankondiging om Vlaams minister Homans te doen terugkrabbelen. Het overleg over de “harmonisering van de arbeidsvoorwaarden” werd terug gestuurd naar werkgroepen. Dat de vakbondstop sowieso niet veel zin had in actie was overduidelijk, we hopen voor het personeel dat de vakbonden hiermee het moment niet voorbij lieten trekken om de harmonisering naar beneden tegen te houden. Een week later, op 28 september, betoogden 10.000 federale ambtenaren, vooral brandweer en politie rond vergelijkbare eisen. Het kwam daarbij tot schermutselingen met de politie aan de wetstraat.

Samen met de nieuwe, weliswaar minder sterke dan de vorige, pensioenkrant rond zware beroepen van het gemeenschappelijk vakbondsfront droeg dit bij een atmosfeer van sociaal verzet. Bovendien werden de geplande ‘sensibiliseringsacties’ in de private sectoren nu ernstiger genomen. In de Antwerpse chemiebedrijven ging bijvoorbeeld een petitie rond omtrent eindeloopbaan en zware beroepen, een belangrijk onderdeel van het zomerakkoord. Bij GSK in Waals Brabant hielden de vakbonden personeelsvergaderingen. Maar in het algemeen bleef ook nu de voorbereiding afhankelijk van het initiatief van enkele individuen of hooguit een strijdbare delegatie.

Wij stelden dat als van 2 oktober op die manier een succes werd gemaakt, dit een uitstekende aanloop kon worden voor een algemene staking nog voor het einde van het jaar, zoals het ABVV van Charleroi & Zuid-Henegouwen terecht vroeg. Dat van Luik-Hoei-Waremme wou zelfs zolang niet wachten en kondigde al op 2 oktober een lokale 24-urenstaking aan. Uiteindelijk betoogden er op 2 oktober verspreid over alle provincies 65.000 syndicalisten.

Vooral in Vlaanderen lag de opkomst boven de verwachtingen. Dat komt wellicht omdat het actiemiddel daar beter beantwoorde aan wat leeft in de bedrijven en in de arbeidersbeweging in het algemeen. De stakingsbereidheid is er om allerlei redenen beperkt. Niet noodzakelijk omdat velen het eens zouden zijn met de regeringsmaatregelen, maar toch, de voortdurende rechtse propaganda tegen migranten, socialisten en vakbonden laat haar sporen na. Bovendien is er een zeker cynisme ingetreden tegenover de vakbonden, die wel brullen, maar als het er echt op aankomt steeds weer de staart intrekken. Een algemene staking is er mogelijk, maar wel enkel na een intense campagne van personeelsvergaderingen, militantenconcentraties etc. Als het succes van de betogingen op 2 oktober iets aantonen, dan is het dat de vakbonden, als ze dat willen, nog steeds over de militanten beschikken om die intense campagne mee te voeren. Als ze dat niet doen, dan staat de arbeidersklasse forse achteruitgang en de vakbonden irrelevantie te wachten.

In Wallonië en Brussel viel de opkomst wat tegen. Hoewel ook daar een zeker cynisme bestaat tegenover de actiebereidheid van de vakbondsleidingen, is de mindere opkomst er vooral te wijten aan het feit dat velen een betoging ondermaats vinden, niet in evenredigheid de aanval van de regering en liever naar het stakingswapen hadden gegrepen. De regering was niettemin het initiatief om de thema’s te bepalen waarmee naar de gemeente- en provincieraadsverkiezingen getrokken wordt kwijt.

Een opeenstapeling van tegenslagen

Zoals wel meer gebeurt volgde er na deze een cascade van tegenslagen. Eind september bleek dat in november slechts 1 van de 7 kernreactoren beschikbaar zal zijn. Dat komt door gebrekkig onderhoud, omdat de private bouwheren het destijds niet zo nauw namen met de bouwplannen en omdat de centrales niet voorzien waren om zolang mee te gaan. Slecht nieuws voor de N-VA, de jongste jaren binnen de regering de spreekbuis van de kernenergielobby. Het zal het vertrouwen in de sector zeker niet bevorderen. Maar ook slechts nieuws voor MR. Deze winter zou er mogelijk een bevoorradingstekort zijn van 1700Mw. Dat gebeurde enkele jaren geleden ook al, minister Marghem was gewaarschuwd, maar had niets ondernomen. Zowel in november als in januari en februari zal mogelijk een afschakelplan vereist zijn.

Het opstarten van bijkomende capaciteit en stroomimport uit Frankrijk zal ook extra kosten. Daardoor zal de energiefactuur van 40% van de gezinnen stijgen, terwijl elektriciteit door de liberalisering tussen 2007 en 2017 al bijna 72% duurder is geworden. De hogere energieprijs leidde nu al tot het faillissement van enkele prijsbrekers onder de energieleveranciers. Dat liberalisering tot bevoorradingstekorten en uiteindelijk zelfs black-outs zou leiden, hebben de voorstanders ervan steeds met klem ontkent. Het afschakelplan van een paar jaar terug heette een kinderziekte, maar het blijft zich blijkbaar herhalen. De eis voor de volledige nationalisatie van de energiesector, de enige mogelijkheid om een ecologische transitie mogelijk te maken, zal hiermee aan kracht winnen.

Nog in september kende de regering een andere tegenslag. Vooral de N-VA, maar eigenlijk alle politici, oppositie inbegrepen, vrezen sinds de ontruiming in Calais voor een tentenkamp van transmigranten ergens aan de kust. De enige manier waarop ze dat denken te kunnen vermijden is door ontrading: geen opvangstructuur, zo slecht mogelijke condities en er voortdurend politie op afsturen. Het is deze politiek die uiteindelijk tot drama’s leidt zoals de dood van Mawda. De geschikte man om dat lik op stuk beleid te voeren heet Theo Francken.

Hij is zich bewust van de hypocrisie van het establishment en de onhoudbaarheid van hun “mensenrechtenfundamentalisme”. Hij heeft er zelfs een boek over geschreven waarin hij zich beklaagt over de “ongecontroleerde demografie” en “geïnstitutionaliseerde discriminatie” in moslimlanden. Bij Fnac staat het tussen dat van Woodward over Trump en de laatste uitgave van Mein Kampf. Toen Francken in september aan de klacht van de politie dat ze steeds weer dezelfde transmigranten moesten oppakken wou tegemoet komen, door 200 andere mensen zonder papieren vrij te laten om plaats te maken, bleken onder die laatste een dertigtal veroordeelden. Achteraf bleek het met die veroordelingen nog mee te vallen, maar als illustratie van diens knip en plakwerk kon het wel tellen, “humaan maar kordaat” werd plots een knoeiboel.

Op 5 september had de VRT al een pano-reportage over “schild en vrienden” vertoond. Dit elitaire extreemrechtse clubje was de voorbije jaren opgevallen door een aantal “stoute” acties aan een stakerspikket, een actie ter ondersteuning van vluchtelingen en door het stelen en verbranden van een ABVV-vlag. Ze trokken ook de aandacht van de pers met door Alt-right geïnspireerde mediatieke provocaties en kregen er een forum aangeboden, onder meer door De Morgen en Humo. Door op te treden als ordedienst voor Francken en de bijna openlijke sympathie van andere N-VA’ers, dachten ze daar zomaar mee weg te komen, tot ze door pano ontmaskerd werden als tot bewapening oproepende en kampen organiserende extreemrechtse privémilitie die er achter de schermen de meest gore racistische, seksistische en LGTBQI+phobe opvattingen op na houdt.

In tegenstelling tot VMO, Voorpost, BBET e.a. is S&V samengesteld uit de telgen van de welgestelde elite. De omstandigheden zijn uiteraard helemaal anders, maar als de andere groepen zich eerder inspireren op de tussenoorlogse Duitse SA , dan is dat voor S&V eerder de SS, neerbuigend over het gepeupel. S&V maakt er een punt van zoveel mogelijk invloedrijke posten in de maatschappij te bezetten, maar schatte de krachtsverhoudingen verkeerd in en wekte een verzet op dat haar jeugdig gefantaseer fors overstijgt. Voor de regering is het een kwalijke zaak. S&V’ers stonden op kieslijsten van CD&V, Open VLD en uiteraard Vlaams belang, maar vooral ook veel op die van N-VA. S&V’ers komen niet enkel uit NSV en KVHV, maar ook uit jong-N-VA. Voor de N-VA, dat slechts met moeite de verdenking van een bruin randje van zich af kon gooien, is dat zeer vervelend. Samen met anderen hebben de Actief Linkse Studenten en scholieren, ROSA en syndicalisten tegen fascisme het momentum aangegrepen om rechts zoveel mogelijk in het defensief te drukken.

Een van de belangrijkste argumenten van de regering Michel is dat ze er ondanks de besparingen, dankzij de taxshift, in geslaagd zou zijn ‘onze’ koopkracht te doen toenemen. Iedere loontrekkende of uitkeringsgerechtigde voelt zich hier ongemakkelijk bij, maar als men een verdraaiing blijft herhalen, blijft er na verloop van tijd wel iets hangen. Dit werd echter in de dagen voorafgaand aan de verkiezingen van 14 oktober door de PVDA-studiedienst onderuit gehaald. Uit cijfers van AMECO, de databank van de Europese Commissie, kon die aflezen dat het aandeel van de lonen in het bruto Nationaal Inkomen (BNI) gezakt is van 50,5% in 2014, bij het aantreden van Michel, naar 48,5% eind 2017. Dat is een daling met 2% of omgerekend 9 miljard €. Als het aandeel van de lonen niet gezakt was, dan zou iedere loontrekkende maandelijks 191 € meer verdienen!

Het aandeel van de lonen in het BNI is daarmee lager in ons land dan in de buurlanden en dubbel zo snel afgenomen in België als in Nederland, 7x sneller dan in Frankrijk en in Duitsland is het loonaandeel zelfs met 0,6%  gestegen. Het aandeel van de bedrijfswinsten in het BNI is in diezelfde periode gestegen met 2,7% naar 22%. Die stijging vertegenwoordigt omgerekend 12 miljard €, de grootste stijging sinds de statistieken 32 jaar geleden worden bijgehouden. De winstgroei in procent van het BNI is dubbel zo groot als in Nederland, 5 keer groter dan in Frankrijk en 6 keer groter dan in Duitsland.

Ook op Vlaams niveau vindt die discussie plaats. Matthias Diependaele, N-VA fractievoorzitter in het Vlaams Parlement beweerde eind september op radio 1 dat de koopkracht van de Vlaming tussen 2017 en 2019 met 7% gestegen was. Hij had dit van minister president Geert Bourgeois in wiens tekst blijkbaar een typfout geslopen was. Het ging immers over de volledige legislatuur 2014-2019. Het planbureau heeft dat nagerekend en gecorrigeerd naar 4,7%, heel wat minder dan de 9% onder de regering Leterme/Peeters van 2004-2009, nadien trad een daling in met 5% tijdens de Grote Recessie. In Brussel zou de toename voor 2014-2019 3,2% bedragen en in Wallonië 3,6%.

Maar dat zijn gemiddeldes die ons zo goed als niets wijzer maken. Volgens het planbureau is de stijging immers vooral te wijten aan het feit dat meer mensen aan het werk zijn, aan de forse toename van de vermogens en aan belastingverminderingen zoals de taxshift. In haar sociaaleconomische barometer daarentegen toont het ABVV dat de koopkracht van loontrekkenden in België over twee jaar (2016-2017) afgenomen is met -1,7%, terwijl die in de buurlanden overal toenam, met 0,85% in Frankrijk, met 2,22% in Duitsland en met 2,91% in Nederland. Tussen 2000 en 2016 is het beschikbaar inkomen, dus niet alleen loontrekkenden, maar ook uitkeringen en vermogens, in de Eurozone enkel in Spanje, Italië, Portugal en Griekenland minder gestegen dan in België.

De MR geeft in haar repliek op de PVDA-studiedienst toe dat de bruto inkomens gedaald zijn, maar haalt dan een ander stokpaardje van de regering boven nl. dat er daardoor 219.000 jobs gecreëerd werden. Uit de sociaaleconomische barometer blijkt echter dat de jobgroei in België sinds het tweede trimester van 2015 lager is dan het Europees gemiddelde, dat België 25ste staat op 28 qua economische groei en 24ste op 28 qua tewerkstellingsgraad. Bovendien is 53% van de nieuwe jobs sinds het aantreden van de regering Michel deeltijds, 41% voltijds en 6% interim of seizoensarbeid. Ook inzake zelfstandigen levert de sociaaleconomische barometer een interessant inzicht: het aantal zelfstandigen dat voor 75% afhankelijk is van 1 klant, m.a.w. het aantal ‘valse’ zelfstandigen, bedroeg in 2010 13,4% tegen 29,2% in 2015. Het aantal zelfstandigen voor minder dan 75% afhankelijk van 1 klant, echte zelfstandigen dus, nam af van 86,6% in 2015 naar 70,8% in 2015!

Het ABVV rekende ook na hoeveel het inkomen van 60+ers bedraagt ten opzichte van de rest van de bevolking. In de Eurozone is dat gemiddeld 3% lager, in Nederland 14%, net als in Duitsland, maar in België 22%. Als we de uitgaven voor pensioenen in procent van het BBP bekijken, dan besteedt Oostenrijk 13,2%, Frankrijk 13,8%, Duitsland 10,6% en België 10,2%. Het gemiddeld vermogen van alle Belgen, vastgoed inbegrepen bedraagt intussen 510.000 €, maar dat komt door enkele zeer grote, want het mediaan vermogen, dat van diegene die zich net in de helft bevindt, bedraagt slechts 217.900 €. Het gemiddelde financiële vermogen, zonder vastgoed, bedraagt 215.000 €. Het financiële vermogen van de 10% rijksten is gemiddeld 13 keer het mediaanvermogen, bijna een Europees record. De 50% armsten bezitten samen 11,5% van het vermogen, minder dan de 1% rijksten, goed voor 12,1%. Het armoederisico is tegelijk opgelopen naar 15,9%.

De regering doet dat allemaal af als “linkse propaganda”. Veel harder kwam de vaststelling aan van het planbureau dat het begrotingstekort van 2018 geen 0,7% of 3,2 miljard € zou bedragen, de doelstelling die de regering zichzelf oplegde nadat ze haar ambitie van een begrotingsevenwicht had laten varen, maar 1,8% van het BBP of 8,2 miljard! Maar liefst 5 miljard meer, waardoor het begrotingstekort na 5 jaar harde besparingen bijna terug op het niveau zit van voor het aantreden van Michel.

De verkiezingen van 14 oktober en hun betekenis 

Al die tegenslagen hebben voor een keerpunt voor de regeringspartijen gezorgd, eerst in de peilingen vanaf het begin van de zomer en dan vooral in de verkiezingen zelf. Tot zondagnamiddag op verkiezingsdag had zowat elke partij in Vlaanderen, SP.a uitgezonderd, de verkiezingen gewonnen, was de overwinning van groen reëel maar matig en had Vlaanderen vooral rechts gestemd. In Franstalig België daarentegen hadden de traditionele partijen, vooral PS, verloren ten nadele van een groene golf in Brussel en een groene en ultra-rode golf in Wallonië. De conclusie lag voor de hand: we leven in een land met twee democratieën, een die steeds verrechtst in Vlaanderen en één die steeds verlinkst in Brussel en Wallonië.

Tegen de avond en in de dagen erop moesten de media dit beeld corrigeren. In Vlaanderen zijn we geëvolueerd van één verliezer en veel winnaars, naar veel verliezers en twee winnaars en in Wallonië is de grootteorde duidelijk geworden van de nederlaag van de rechtse MR-CDH coalitie, in Brussel die van MR. De drie Vlaamse regeringspartijen behalen nog wel 58,1% samen, maar dat is 6,4% minder dan in 2012 en 8,5% minder dan in 2014! N-VA verliest 3,4% ten opzichte van 2012 en 7% tov 2014 en valt terug naar 24,9%. Het verlies van Cd&V en Open VLD situeert zich  tussen 0,6 en 1,6%.

Grote verliezer SPa verliest 1,2% tov 2012 en 3,7% tov 2014, terwijl Groen 4,9% wint tov 2012 en 4,5% tov 2014. De PVDA wint 1% tov 2012.  Samen lopen de “linkse” partijen (SP.a, Groen en PVDA) in Vlaanderen met 26,6% nog ver achterop ten opzichte van de regeringspartijen, maar de kloof tussen beide kampen neemt wel af met 11% ten opzichte van 2012. Voor de Vlaamse regering zou die uitslag betekenen dat N-VA (van 43 naar 33 zetels) en CD&V (van 27 naar 26), niet langer volstaan voor een meerderheid (63 zetels) en Open VLD (van 19 naar 18) evolueert van luxepartner naar noodzakelijk voor een meerderheid.

N-VA scoorde wel goed waar bekende figuren de lijst trokken en werd de grootste rond Antwerpen, maar CD&V hield verassend stand in West-Vlaanderen en Limburg. Open VLD kon een aantal belangrijke burgemeesterssjerpen behouden en veroveren. Het Vlaams Belang slorpte een groot deel van het verlies van N-VA op en herstelde zich fors van haar dieptepunt in 2014. Ten opzichte van 2012 wint Vlaams Belang 4% en 7,9% tov 2014. Vooral in de Denderstreek en rond Turnhout behaalt ze belangrijke scores, maar met 13% loopt de partij wel nog ver achter op haar monsterscore van 21,5% in 2006.

Sommigen in de arbeidersbeweging zullen de vooruitgang van het Vlaams Belang aangrijpen om het fatalisme te versterken en een groot front met alle democratische partijen, ook die van rechts, te bepleiten. Het zou waanzin zijn om net met die partijen die de voedingsbodem voor extreemrechts creëren, te gaan samenwerken. We moeten de vooruitgang van het Vlaams Belang niet overdrijven, maar wel degelijk alert zijn, overwegen om Blokbuster te reanimeren en meer aandacht geven aan Syndicalisten tegen Fascisme. Er zijn intussen in Vlaanderen al een twintigtal gemeenten waar N-VA en Vlaams Belang samen aan een meerderheid komen. De remonte van het Vlaams Belang bevestigd wat wij steeds benadrukt hebben. Zolang de politiek van sociale afbraak en uitsluiting aanhoudt is het voorbarig het Vlaams Belang dood te verklaren. Zodra de ballon van het N-VA leegloopt, kan die van het Vlaams Belang zich opnieuw vullen. De strijd tegen extreemrechts is bijgevolg verre van gestreden.

In Wallonië en vooral in Brussel is de PS dolblij dat na de schandalen bij Publifin en Samusocial de schade beperkt bleef tot een verlies van 7,9% (25,9%). De partij behoudt daardoor haar positie in alle belangrijke centrumsteden, in Luik, Charleroi, La Louvière, Bergen en Doornik en herovert in Brussel Molenbeek en Koekelberg, terwijl het verlies in Brussel stad verwaarloosbaar is. De grote doorbraak van N-VA in dat gewest, waarmee ze hoopte in mei de vorming van de Brusselse regering tegen te houden, is er helemaal niet gekomen. MR verliest 4%, maar dat betekent dat ze 4 van haar 6 Brusselse burgemeesters kwijt speelt en haar kopstukken Marghem in Doornik en Bellot in Rochefort scoren heel slecht. Coalitiepartner CDH verliest wel 3,5%, maar is al gelukkig niet helemaal van de kaart geveegd te zijn.

Ecolo is de grote winnaar over de hele lijn met 16,2%, een groene golf is niet overdreven, net zomin als een ultrarode golf voor de PTB (+7,2 naar 10%). Met die uitslag zou de regionale machtsgreep van MR en CDH in Wallonië in mei 2019 afgestraft worden. MR en CDH raken maar aan 33 zetels, terwijl er 38 vereist zijn, PS-CDH strandt op 34 en ook PS-Ecolo (36) zou niet volstaan. Als Défi in 2019 beter scoort met haar Brusselse kopstukken in Wallonië is een coalitie van PS-Ecolo en Défi niet uitgesloten, zoniet komt een tegennatuurlijke PS-MR (45 zetels) in zicht.

Bart Sturtewagen, editorialist van De Standaard schrijft: “De Zweedse coalitie overleeft, maar is zwaar op de proef gesteld. Haar levensvatbarheid is bedreigd. De linkerzijde is volop in beweging, maar vormt nog steeds geen alternatief. De extremen van rechts en links rukken op.” We zouden het stellen in andere bewoordingen, maar zijn analyse klopt. Sturtewagen creëert zoals heel de rechterzijde een amalgaam tussen radicaal links en uiterst rechts. Niet het zaaien van haat, het  aansturen op discriminatie, intimidatie en geweld, maar het, overigens terechte, feit dat zowel Stalin als Hitler massamoordenaars waren, wordt ingeroepen om het cordon sanitaire uit te breiden naar de PTB.

Maar heel de geschiedenis tot nog toe is er een geweest van oorlogen, burgeroorlogen, massaslachtingen, genocides etc. De meest efficiënte moordmachines waren telkens die welke het hoogste technische niveau hadden bereikt en laat dat nu net die van het Westen zijn, waar “democratische partijen” de dienst uitmaken. Als het aantal moorden begaan door voorgangers of bondgenoten aan wie die wapens geleverd worden de norm wordt, dan moeten zowat alle partijen in de ban worden geslagen. Dat is totaal absurd, rechts weet dat ook wel, maar wil kost wat kost een linkse arbeidersregering vermijden. Voorlopig kan dat zonder Vlaams Belang, maar als het er echt op aan komt, zullen ook voor haar de deuren van de macht wel open gaan. Bijna had De Wever afgetoetst wat het voorzichtig doorbreken van het cordon door een coalitie met Forza Ninove zou betekenen, maar chocomousse D’Haeseleer en zijn strakke arm aan supporters kelderden dat voornemen.

Opnieuw naar regeringsvorming tegen de achtergrond van confederalisme

De Zweedse coalitie zou met die uitslag haar ruime meerderheid (85/150) op federaal vlak volledig verspelen (73). Ze zou er dan de CDH (7 zetels) kunnen bijnemen, maar dat wordt dan een coalitie van vijf verliezers! Dat zal men liefst vermijden. Wellicht is het daarom dat Bart De Wever (N-VA) in Antwerpen, Tommelein (VLD) in Oostende en De Clercq (VLD) en Van Hecke (CD&V) in Gent zo hengelen naar Groen. Die profileert zich als links noch rechts, pikt stemmen aan beide kanten in en zou als pasmunt kunnen dienen als de Zweedse coalitiepartners willen doordoen.

Wat Groen zelf ook mag beweren, in de publieke opinie situeert men haar links en bij iedere vorige regeringsdeelname werd Groen nadien fors afgestraft. Het lijkt ons onwaarschijnlijk dat die partij op federaal vlak in een rechtse regering zou stappen en al zeker niet zonder Ecolo aan haar zijde. Hoewel milieu zeker en vast een belangrijke rol gespeeld heeft, denken we dat het succes van Ecolo in Brussel ook voor een deel te verklaren is doordat die partij als tolerant overkomt ten opzichte van mensen-zonder-papieren en migranten in het algemeen. Het is wellicht de meest populaire partij onder de solidariteitsbeweging tegen de brutale migratiepolitiek van Francken.

Voor Ecolo én voor de PS zou het al een ernstige institutionele crisis vergen waarbij beroep gedaan moet worden op “staatsmanschap”, vooraleer ze toetreden tot een regering met N-VA, maar als de uitslag van 14 oktober ook die wordt van 26 mei, dan is zelfs dat niet uitgesloten. Het Thatcheriaanse karakter van de regering zou er wel door verbleken.

N-VA naar de oppositiebanken verwijzen zou na de nodige weeën ook kunnen. Uit de simulatie van Vives over hoe de uitslag van de provincieraadsverkiezingen zich naar zetels zou vertalen in mei 2019, blijkt dat een klassieke tripartite of een andere combinatie van 3 van de 4 (met groenen) politieke families federaal een meerderheid zou halen. Zou het kunnen dat de PS-MR coalities in een aantal gemeenten in Wallonië en Brussel een eerste zet zijn van de PS om MR verder los te weken van N-VA, een beetje de Franstalige tegenhanger van de toenaderingspoging van N-VA naar Groen?

Zelfs al zijn asynchrone regeringen geen uitzondering meer, dan nog  betekent dat zo goed als zeker dat N-VA ook uit de Vlaamse regering moet als men wil vermijden dat die regering zich opwerpt als strijd executieve van de Vlaamse natie tegen de federale regering. Maar dat vereist een tripartite aangevuld met de groenen, waardoor in Vlaanderen enkel N-VA, Vlaams belang en de PVDA als ze verkozenen haalt, in de oppositie zitten. Ook dan zal zwaar communautair geschut in stelling gebracht worden om confederale eisen af te schieten. Het worden hoe dan ook ingewikkelde regeringsonderhandelingen.

Progressieve coalities mislukken     

In Wallonië had het Waalse FGTB zich eerder voorstander verklaard voor een progressieve meerderheid van PS, PTB en Ecolo in het Waals parlement na de verkiezingen van 2019. Diezelfde oproep werd herhaald op lokaal vlak en de dag na de verkiezingen sprak het FGTB zich uit tegen de ‘tegennatuurlijke’ coalitie die PS en MR sloten onder meer in Verviers. De vakbond voerde zelfs actie in Luik om deze oproep te ondersteunen. Het FGTB merkte na de verkiezingen op dat er zoals verwacht een politieke verschuiving naar links was in Wallonië. Om in te gaan tegen het besparingsbeleid van de regering-Michel was het daarom volgens het FGTB aangewezen om coalities van PS, PTB en Ecolo te vormen.

De PTB stelde terecht dat er tijd nodig was om hierover te discussiëren in de eigen structuren en om de leden te raadplegen. Dat is begrijpelijk want op de verkiezingsavond zelf al vormden de traditionele partijen meteen snelle akkoorden waarbij de postjes verdeeld werden. Het is beter om de nodige tijd te nemen, de basis te consulteren en bij voorkeur de onderhandelingen zo publiek mogelijk te voeren in plaats van zich te laten vangen aan geheime onderhandelingen. De vestiging van progressieve coalities moet gebeuren op basis van een breed publiek debat binnen de arbeidersbeweging over hoe een beleid dat breekt met de besparingen tot stand kan komen. Maar dat neemt niet weg dat de PTB dat al eerder had kunnen voorbereiden door zodra het FGTB haar oproep lanceerde, erop in te gaan en al vooraf te bediscussiëren met het FGTB en als het enigszins kon ook PS en Ecolo over wat zo’n coalitie zou kunnen doen.

Er werd onmiddellijk na de verkiezingen ook effectief gesproken tussen PS en PTB. Voor de PS was de inzet daarvan van bij het begin duidelijk: aantonen dat er met de PTB geen akkoorden mogelijk zijn, dat die partij eigenlijk niet wil deelnemen aan de macht en dat een stem ervoor geen enkele zin heeft. In Charleroi, waar de PS haar absolute meerderheid kon behouden, nodigde Paul Magnette de PTB uit, maar verklaarde meteen dat het lokaal programma van de PTB tot een verhoging van de jaarlijkse uitgaven met 30% zou leiden, wat volgens hem onbetaalbaar en onrealistisch is. Hij wou zo de verantwoordelijkheid voor het niet sluiten van een akkoord met de PTB van zich afschuiven.

In Herstal, waar Frédéric Daerden met de PS eveneens een absolute meerderheid heeft, werd het toch enigszins anders gesteld. Daar is de PTB al langer de tweede partij met bij de 25%. Daerden bood de Partij coalitiegesprekken aan met het argument dat ze een reële strekking vertegenwoordigt in de gemeente. Uiteindelijk kwam het niet tot een akkoord, maar het lijkt erop dat daar wel en reële poging ondernomen werd. In Luik was van bij het begin duidelijk dat de PS een coalitie met de MR van Christine Defraigne verkoos. Defraigne gedroeg zich eerder al als een buitenbeentje in de MR dat het oneens was met de scherpe aanvallen op de PS, ze wordt daar nu voor beloond.

In Molenbeek lag de situatie enigszins anders. Daar had de MR destijds de PS van Philip Moureaux, nochtans de grootste partij, van de macht verdreven. Dat werd toen gezien als historisch. Om dat te kunnen was de MR verplicht geweest haar kleinere partners van CDH en Ecolo/Groen evenveel schepenposten aan te bieden als voor de MR. Dochter Catherine Moureaux (PS) liet bijgevolg na haar overwinning dit jaar meteen verstaan dat gesprekken met Schepmans (MR) niet aan de orde waren en dat ze opteerde voor een PS-PTB-Ecolo coalitie omwille van de vele raakvlakken en de nood aan een progressieve meerderheid om de “dringende sociale noden” aan te pakken.

Nu de gesprekken afgesprongen zijn en er toch een coalitie PS-MR gevormd is, beweert de PTB dat Moureaux nooit anders wou. We betwijfelen dat. Men kan de PTB niet verwijten naar de onderhandelingen getrokken te zijn met een onbetaalbaar programma. In haar nota vroeg de PTB 1.000 sociale woningen op 6 jaar tijd, terwijl er maar liefst 17.000 mensen op wachtlijsten staan; de aanwerving van 20 onderwijzers, één per gemeenteschool, voor 1 miljoen €; het herstel van gratis naschoolse opvang die Schepmans afgeschaft heeft, kostprijs 2 miljoen €; de beperking van de maandlonen van schepenen tot maximaal 6.000 € bruto en de vermindering van 1 schepenambt; een sport- of cultuurcheque voor iedere adolescent van 200 €, kostprijs 1,5 miljoen €.

De PTB zelf begrootte dat op 5,3 miljoen €, allemaal op te halen met extra belastingen zoals een verdubbeling van de kantorentaks, een belasting op leegstand, taks op onbebouwde bouwgrond, op commerciële parkeerplaatsen, een oppervlaktetaks voor grote handelspanden en op automatische kassa’s en een taks op antennemasten.

Wij denken dat de PTB dat deed omdat ze dacht dat het Moureaux menens was. In Charleroi waren de eisen van de PTB vergelijkbaar, 3000 sociale woningen etc. Voor de inkomsten worden opnieuw allerlei belastingen opgesomd, zoals die op drijfkracht, maar daar werd ook de budgettaire wurggreep van de hogere overheden betwist door in het akkoord ook een strijd om 15% meer middelen af te dwingen van de hogere overheden in te schrijven. Kortom, waar de PTB zich in Molenbeek hield aan het opgelegde budgettaire kader, stelde de PTB in Charleroi voor om die, althans gedeeltelijk, te doorbreken. We denken dat dit is omdat de PTB er in Charleroi van bij het begin van uitging dat de PS toch maar een rondje theater speelde.

Waarop sprongen de onderhandelingen in Molenbeek dan af? Van bij de tweede gespreksronde haakte Ecolo af. Ecolo en ook PTB verwijten de PS achteraf teveel vast te hebben gehouden aan cliëntelisme. Dat zou ons niet verbazen, maar zou dat anders geweest zijn toen Ecolo in een coalitie zat met Schepmans of zal dat waar dan ook anders zijn zolang we geen absolute meerderheid behalen? Was niet eerder de weigering van de PS om een meerderheid van de schepenzetels toe te wijzen aan Ecolo en PTB hoewel die partijen ruim minder dan de helft van de verkozenen behaalden de aanleiding voor de breuk?

Zodra Ecolo weg was, zei de PTB dat het onevenwicht tussen PS en PTB zo groot werd dat de PS elk voorstel van PTB kon blokkeren. Maar dat kan een coalitiepartner toch altijd. Het komt bij de PTB niet op dat het werk in de gemeenteraad onderstut kan worden door actieve mobilisatie erbuiten en omgekeerd en dat ook dat onderdeel is van het opbouwen van krachtsverhoudingen. Het belangrijkste is echter dat de PTB niet brak op het programma, maar op de verdeling van posten, daar waar het programma het vertrekpunt moet zijn om tot een meerderheid te komen.

Wat zou een dringend sociaal programma in Molenbeek betekenen? Op initiatief van ACOD-LRB (Lokale en Regionale Besturen) waren er belangrijke eerste mobilisaties van het personeel van de lokale en regionale openbare diensten voor betere arbeidsvoorwaarden drie dagen voor de verkiezingen. Zou die linkse meerderheid de eisen van de vakbond overnemen? Dit zou onder meer betekenen dat contractueel personeel statutair wordt, dat de laagste lonen opgetrokken worden en een collectieve arbeidsduurvermindering zonder loonverlies en met bijkomende aanwervingen doorgevoerd.

Had Di Rupo zich in zijn boek Nouvelles Conquètes niet uitgesproken voor een minimumloon van 14€/uur en een vierdagenweek? Waren dat niet net de eisen van het personeel? Waarom werden dat dan geen speerpunten in de onderhandelingen? Ofwel had de PS dat aanvaard, was een flink deel van het personeel er stevig op vooruit gegaan en was aangetoond tot wat een linkse coalitie met de PTB in staat is. Ofwel had de PS dat geweigerd, maar dan was gebleken dat ze niet eens bereid was haar eigen beloftes uit te voeren door de partijstandpunten te concretiseren op lokaal vlak.

Uiteraard zouden een minimumloon van14 euro en een vierdagenweek niet alle dringende noden meteen oplossen. Maar dat alleen al, had ongetwijfeld een enorm enthousiasme opgewekt en de basis gelegd voor strijd voor meer, in Molenbeek, maar wellicht ook elders. Daarnaast is er het gigantische gebrek aan publieke investeringen dat tot enorme sociale tekorten heeft geleid, ook op lokaal vlak. Om daar resoluut verandering in te brengen, moet de transfer van publieke middelen naar de grote bedrijven en de superrijken stoppen zodat de achterstand van publieke investeringen kan aangepakt worden.

Deze investeringen moeten gericht zijn op de sociale noden. Dit betekent een drastische verhoging van het aantal scholen, gemeentelijke crèches en sociale huisvesting om aan de noden te voldoen. In Sint-Gillis hebben we dit met Gauches Communes vertaald naar een lokaal programma. Op basis van de concrete sociale noden eisten we een radicaal plan van publieke investeringen voor 4 scholen, 30 crèches, 3.000 sociale wooneenheden en 850 degelijke jobs. We legden ook uit dat linkse meerderheden daarvoor het bestaande financiële keurslijf moeten doorbreken. Dat is onmogelijk zonder een programma dat voor echte verandering gaat en zich niet beperkt tot louter symbolische maatregelen in de marge.

Onze houding voor, tijdens en na 14 oktober

Een links gemeentebestuur dat resoluut ingaat tegen het besparingsbeleid zou noodzakelijkerwijze beroep moeten doen op burgerlijke ongehoorzaamheid. Hogere overheden zouden een dergelijk bestuur al vrij snel onderwerpen aan een strikt begrotingstraject met besparingen op de gemeentediensten en het personeel. Als het bestuur zich verzet, kan het gewest haar schorsen en de controle op de gemeente overnemen. Dat is een machtsgreep die ingaat tegen het mandaat van de kiezers. De regionale en federale overheden gedragen zich tegenover de gemeenten zoals de Europese Commissie tegenover de lidstaten, of zoals de schuldeisers tegenover Griekenland. De campagne van Gauches Communes is niet de gemakkelijkste om te voeren, maar bereidt voor op de aanvallen van rechts, voor wie een beleid dat breekt met besparingen nu eenmaal ‘onbetaalbaar’ is.

De PTB botst op het probleem dat het deze campagne niet gevoerd heeft en zijn militanten en kiezers daarop niet voorbereidde. De partij had zich duidelijk moeten uitspreken over de nood aan een netwerk van rebelse steden waar de actieve mobilisatie van de bevolking en de arbeidersbeweging gestimuleerd wordt om het budgettaire keurslijf te breken. De PTB was zich daar trouwens van bewust, heel uitzonderlijk sprak Raoul Hedebouw over “une fronde municipale”, naar analogie met Mélenchon, maar dat was uitzonderlijk, zeker niet systematisch. Met Gauches Communes hebben we dit linkse model verdedigd en vandaag blijkt het belang ervan in de discussie over linkse meerderheden.

We wisten dat de PVDA een electorale doorbraak zou realiseren. Voor veel syndicalisten en geradicaliseerde jongeren is het zowat het enig mogelijke electorale lichtpuntje. Hoe sterker de doorbraak voor de PVDA, hoe meer dat de idee zou aantasten dat enkel rechts wat voor te stellen heeft en links geen alternatief aanbiedt. Meer dan een jaar voor de gemeenteraadsverkiezingen schreven we de PVDA aan met de vraag om samen te zitten en te bespreken hoe wij het best konden bijdragen aan een zo sterk mogelijk resultaat. We boden hen kandidaten van LSP op hun lijsten aan, maar kregen eerst geen antwoord en stootten 11 maand na de vraag op een droge afwijzing.

Toch wilden we niet ingaan tegen de wens van een naar ons oordeel belangrijk segment van de arbeidersbeweging. In Gent, waar we tot op zekere hoogte een objectief gegeven zijn met een erkende mobilisatie- en reactiecapaciteit werd ons uiteindelijk toegestaan mee campagne te voeren, op voorwaarde dat dit gescheiden gebeurde van de PVDA-leden en sympathisanten. Het gaf ons de mogelijkheid om met ons eigen profiel niettemin talloze PVDA-kiezers te benaderen. Dat we als niet-PVDA leden en leden van LSP toch opriepen om PVDA te stemmen was geen rem, maar eerder een voordeel en aanleiding tot een meer open gesprek.

We waren bereid de PVDA maximaal bij te staan, maar wel op ons eigen profiel. Bovendien wilden we niet helemaal verdwijnen van het electorale terrein. In Keerbergen, waar de PVDA geen lijst had, dienden we onder de naam conséquent links een lijst in van 9 kandidaten, getrokken door een LSP lid en met slechts één ander LSP-lid. Qua sociale samenstelling was die lijst bijzonder proletarisch, een ideale doorsnede van alle werkende bewoners uit de omgeving. De lijst behaalde 2% in de tweede rijkste gemeente van België, waar de rechtse partijen, Open VLD, N-VA en CD&V samen 83,4% scoren en 94,5% als we er ook de Groenen bijnemen!

Sint-Gillis behoort tot de armste gemeenten, de linkse partijen, PS (39,6), Ecolo (28,1), PTB (13) en Gauches Communes (2,3) scoren er samen 83%! We wisten dat we electoraal gesandwiched zouden worden, maar wilden op één of andere manier ergens ons programma kunnen verspreiden en hoopten de uitslag van 2014 (1,12%) opnieuw te behalen. Door er vroeg bij te zijn met een programma dat gebaseerd was op de sociale behoeften, dat ingevuld was in overleg met de vakbondsafgevaardigden van het personeel en dat een strijdbaar maar reëel perspectief aanbood, zijn we een belangrijk onderdeel geworden van de verkiezingsstrijd en heeft men ons helemaal niet kunnen marginaliseren.

We hielden 62 stands op 8 weken, met elke week een nieuw pamflet in elke bus, met raamaffiches in de handelszaken en talloze discussies. We slaagden erin onze thema’s, sociale woningen, crèches en tewerkstelling centraal te maken, verplichtten het gemeentebestuur erop te antwoorden en zorgden ervoor dat de thema’s van rechts, vluchtelingen, veiligheid en identiteit, helemaal niet aan bod kwamen. De MR viel terug van 15% naar 9%, de CDH van 8% naar 3,7% en Défi van 3,9% naar 3,3%. Op de vraag waarom Ecolo niet in coalitie wou met de PTB antwoordde Ecolo dat het programma van de PTB, 30 crèches, 4 scholen, 3.000 sociale woningen en 850 jobs onbetaalbaar was. Maar dat was ons programma, niet dat van de PTB dat zich beperkte tot de renovatie van 100 sociale woningen, gratis parking en meer groen.

Sinds 2006 is het stemmenaantal van radicaal links in Sint-Gillis geëvolueerd van samen 2,15% in 2006, naar samen 7,48% in 2012, 9,08% in 2014 en 15,30% in 2018. Uiteraard staat de PTB voor het leeuwenaandeel van die groei. Maar GC behaalde in 2018 op haar eentje evenveel als heel radicaal links tot 2007, voor het vernieuwingscongres van de PVDA van 2008, en evenveel als de PTB in 2010.

Dat de PVDA verkozenen heeft in heel wat gemeenten waar we een werking hebben mag niet zonder gevolgen blijven voor ons. Waar de kans zich voordoet voor lokale acties zullen we hen onder druk zetten om die problematiek in de gemeenteraad aan te kaarten. We moeten opvolgen wat ze doen, op een vriendelijke, maar correcte manier suggesties doen inzake programma en actie, en daar waar we zelf over de kracht beschikken, in het bijzonder in Gent en Sint-Gillis, met eigen acties de PVDA-verkozenen onder druk zetten.

Vooruitzichten naar mei 2019

Regering Michel is slecht voor de economie

De komende periode, ook tot aan de verkiezingen, zal de regering op haar tellen moeten passen. Op economisch vlak vallen de jongste prestaties tegen. De regering werd zelfs op de vingers getikt door de Europese Commissie, want naast het feit dat het begrotingstekort 5 miljard € groter is dan voorzien, blijft ook het structureel deficit, dus zonder conjunctuurinvloeden of eenmalige uitgaven, met 1% boven de doelstelling van 0,8% voor 2018 en met 0,8% boven de doelstelling van 0,61% voor 2019 als traject naar volledig evenwicht in 2020. De Europese Commissie vreest voor “een ernstige afwijking van het voorziene traject”.

Nog slecht economisch nieuws voor de regering is het feit dat België dit jaar alweer twee plaatsen zakt op de lijst van het Wereld Economisch Forum inzake concurrentiekracht. In 2011 stond België nog op plaats 15, nu op plaats 21. Bovendien ziet het er voor de komende maanden niet goed uit. De groeivertraging sedert het eerste semester was aanzienlijk, vooral in Wallonië dat voor 40% van haar BBP afhankelijk is van export. Daarvan gaat 50% naar de buurlanden Frankrijk (24%), Duitsland (16%) en Nederland (8%). Slechts 20% is export buiten Europa. Volgens de studiedienst van l’Union Wallonne des Entreprises (UWE) zou de groei van de Waalse economie in 2018 1,4% bedragen en in 2019 1,3 tegenover 1,9% in 2016 en 1,8% in 2017.

Die groeivertraging is er ook in Vlaanderen, dat voor 80% van haar BBP afhankelijk is van export en dus minder gevoelig voor de conjunctuur op de binnenlandse markt. Bovendien exporteert Vlaanderen ook meer buiten Europa. Men vreest vooral voor een stijging van de olieprijzen en meer algemeen van alle energieprijzen. Dat zou voor de zeer energie-intensieve Belgische industrie een ernstige meerkost betekenen, maar ook voor de gezinnen aangezien de Belgische woningmarkt bovengemiddeld energie verslindt. Voorts vreest men voor protectionisme, zeker in de wetenschap dat België een van ’s werelds meest open economieën is die 70% van alle geproduceerde goederen exporteert en een vergelijkbaar aandeel importeert.

Geopolitieke spanningen kunnen eveneens de economische verwachtingen doorkruisen, sancties tegen Iran bijvoorbeeld betekenen een flinke streep door de rekening van enkele Belgische economische tenoren. Niet voor niets was Reynders afgereisd naar Teheran zodra de nucleaire deal er tot stand kwam. Ook de Brexit kan ernstig gevaar opleveren, men schat dat dit in ons land minstens het verlies van 26.000 banen zou betekenen afhankelijk van een zachtere of hardere Brexit. Volgens de Nationale Bank is de economische conjunctuur in België nu al aan het keren, zo is het aantal interimbanen in september 3,1% teruggelopen ten opzichte van de piek in december vorig jaar. Interimbanen worden voor de economie beschouwd als de kanaries van de mijnen.

De vakbonden zouden de regering kunnen verslaan

Na 2 oktober is de sociale actie helemaal niet stil gevallen. Al op 16 oktober werden de politiebonden ingehaald door hun basis die zich massaal ziek melde, in Brussel tot 25% van alle effectieven. Ook de brandweer staat voortdurend op het punt in actie te gaan. De Waalse ambtenaren gingen de 19de oktober in staking. Bij warenhuisketen Mestdagh werd een slecht sociaal akkoord onderhandeld. Het aantal ontslagen werd er gereduceerd van 450 tot 340 en er werd SWT vanaf 56 jaar overeen gekomen, maar de zondagsopening, meer flexibiliteit en het niet meer betalen van de pauzes werden daartegen afgeruild. Het werd helemaal niet de overwinning zoals voor de zomer bij Lidl.

Die was er wel bij Ryanair, waar het Belgisch recht voortaan van toepassing is en collectief overleg niet enkel met de piloten maar ook met het cabinepersoneel is afgedwongen. Die overwinning was er ook bij Aviapartner waar deeltijdse contracten omgezet worden naar voltijdse, interimairs een vast contract krijgen en voor 3 miljoen € geïnvesteerd wordt in materiaal. In veel werkplaatsen zit de frustratie zodanig hoog dat het snel tot harde confrontaties kan komen. Kenmerkend daarbij is dat wie voet bij stuk houdt doorgaans zijn gram haalt.

Minder succesvol zijn de zogenaamde veralgemeende acties, waar het initiatief niet van onderuit komt, vanop de werkvloer, maar van bovenaf, van bij het vakbondsapparaat. Daar slaagt men er blijkbaar niet in overeen te komen, niet tussen de vakbonden, niet tussen hun gewesten en niet tussen hun centrales. Bovendien is men het op de werkvloer stilaan moe om steeds te moeten wachten op de top, dan plots ordewoorden te krijgen zonder het minste overleg, en als de actie op gang komt de rem te moeten optrekken zonder enig idee over het resultaat en uiteraard zonder de minste raadpleging.

Op het einde van de betogingen van 2 oktober en de dagen erna bleef het oorverdovend stil over nieuwe acties. Het federaal comité van het ABVV besliste wel dat er in aanloop naar 26 oktober een discussieproces zou opgestart worden in alle geledingen (zowel gewesten als centrales). Dat is positief: zo kunnen militanten betrokken worden en is het mogelijk om de discussie aan te gaan over een programma waarmee we collega’s kunnen aanspreken en overtuigen. Maar het blijft ondertussen evident dat we onze eisen niet zullen afdwingen door het vriendelijk te vragen aan deze of een andere regering. We moeten eerlijk en duidelijk zijn: er zal strijd nodig zijn.

Dit najaar wordt gesproken over een nieuw Interprofessioneel Akkoord (IPA). Dat is een ideaal moment om de strijd voor 14 euro per uur echt op gang te trekken, niet als een strijd voor een verre toekomst maar als iets waar de werkenden en hun gezinnen nu nood aan hebben. Als we het minimumloon slechts optrekken aan het ritme van de afgelopen IPA’s kan het nog 30 jaar duren voor we aan 14 euro per uur komen. We kunnen best meteen gaan voor een echt federaal minimumloon voor iedereen en dit zonder achterpoortjes.

Er is immers een gevaar dat onze acties en eisen verdelend werken. De omschrijving van zware beroepen wordt bijvoorbeeld apart besproken voor overheidspersoneel en de privé. We mogen ons niet laten verdelen! We moeten ons voor dat gevecht klaarstomen. Dat gebeurt best door de druk te blijven opvoeren tot de laatste dag van deze regering. We doen het niet door de regering uit te zitten en af en toe iets van de zijkant te roepen. We moeten het beleid constant uitdagen op straat en in de bedrijven zodat onze zorgen en bekommernissen centraal staan.

Het voorstel van het ABVV Charleroi-Zuid-Henegouwen om nog voor het einde van het jaar een algemene staking te organiseren werd op het federaal bureau van het ABVV niet weerhouden, maar er  zou nu toch een actiedag komen voor 15 december. Wat dat juist moet worden, is nog onduidelijk, maar blijkbaar zou elke centrale en elk gewest vrij zijn hoe dat in te vullen. Ergens in maart zou er in Brussel een Europese vakbondsbetoging komen voor meer democratie en rond pensioenen, wat het echt wordt weten we nog niet. De verkiezingen hebben nochtans aangetoond dat de regering verzwakt is en wel degelijk verslagen kan worden.

Dat zou echter een nationale campagne vereisen van de vakbonden met militantenvormingen, personeelsvergaderingen, militantenconcentraties, provinciale en/of nationale betogingen en beurtrolstakingen die uitmonden in een nationale algemene staking. Wat er juist gebeurd is, weten we niet, maar de aankondiging in de pers dat volgens federaal ABVV-secretaris Tamellini in Wallonië bij de verkiezingen het ABVV een linkse lijst zou willen indienen om druk te zetten op PS, PTB en Ecolo voor een progressieve coalitie en dan de ontkenning ervan door Vertenueil, toont dat ze het voorlopig bij het ABVV niet meer weten.

Kunnen we op 19 mei stemmen voor een regering van de ‘miljonairstaks’?

We kunnen nochtans in mei volgend jaar stemmen voor een regering van de ‘miljonairstaks’, tenminste als de vakbonden beseffen dat enkel een duidelijke oproep voor de PVDA een rechtse coalitie kan verhinderen. Door ons opnieuw de richting uit te sturen van de sociaaldemocratie of zelfs van de groenen, dreigt niet alleen de achterban nog meer af te haken, maar lopen we nog het risico dat die partijen nog liever rechts depanneren dan een linkse regering op de been te brengen.

Maar ook de PVDA heeft een verantwoordelijkheid. Eerst en vooral is het verre van zeker dat ze in Vlaanderen haar eerste verkozene zal behalen. Daarvoor is het nodig alle linkse krachten bijeen te brengen. LSP heeft dat aan de PVDA al talloze keren gesuggereerd, aangeboden om daar mee een initiatief voor te nemen, maar we zijn tot nog toe afgewezen. Dat is een luxe die de PVDA, wij van LSP, de vakbonden en alle andere linkse krachten zich niet meer kunnen veroorloven. Als we nog eens rechts aan zet laten, staat ons en onze klasse een heuse afranseling te wachten. De PVDA zou er trouwens goed aan doen niet te wachten tot verkiezingsdag, maar op basis van haar resultaat in de gemeenteraadsverkiezingen best zo snel mogelijk het initiatief nemen om zo veel mogelijk activisten rond de tafel te scharen, lokaal en regionaal, om dit gevecht samen voor te bereiden.

Rechtvaardige fiscaliteit is iets waar de vakbonden regelmatig op terug komen en een wens die leeft bij brede lagen in de maatschappij. Het is daarop dat de PVDA inspeelt met haar miljonairstaks. Uiteraard zal de PVDA, zoals eenieder die ingaat tegen de belangen van de heersende elite, ook nu weer weggezet worden als onrealistisch. Er zal gewezen worden op het gevaar van kapitaalvlucht. De PVDA tracht dat steeds te weerleggen door te verwijzen naar het de Impôt Sur la Fortune (ISF) in Frankrijk.

Dat is een veel beperktere vermogensbelasting met heel veel uitzonderingen die jaarlijks tussen de 4 en de 5 miljard € opleverde en sinds begin dit jaar vervangen werd door de Impôt Sur la fortune Immobilière (ISI), die enkel nog van toepassing is op vastgoed. In haar oorspronkelijke vorm, argumenteert de PVDA, bracht die slechts een verwaarloosbare kapitaalvlucht van 0,53% op gang en ze besluit daaruit dat het met de miljonairstaks ook wel zal meevallen. De ISF was echter heel beperkt, met een zeer geringe opbrengst, bijna een maat voor niets. Wat de PVDA voorstelt zou terecht 9 miljard moeten opleveren in een economie die 6 keer kleiner is dan de Franse, in Frankrijk zou dat 54 miljard zijn, ongeveer 12 keer zoveel als de ISF ooit opbracht.

ISF werd destijds in 1981 ingevoerd door de regering Mitterand, die al eerder door Hedebouw op Manifiesta aangehaald werd als een voorbeeld voor de PVDA. Tegelijk werd door Mitterand het minimumloon opgetrokken met 10%, de kinderbijslag ingevoerd en een 15de maand, pensioen op 60 jaar en werden 5 grote bedrijven en de banken genationaliseerd. Wat erop volgde waren patronale lock-outs en rijken die met valiezen vol geld de Zwitserse grens over staken. Nadien ging Mitterand door de knieën en voerde zijn regering een drastisch besparingsbeleid door met onder meer de afschaffing van de loonindexatie. Het leidde tot een enorme demoralisatie.

De les die we hieruit moeten trekken is niet om de miljonairstaks te laten vallen, maar dat een dergelijke maatregel een programma met socialistische maatregelen vereist met onder meer de niet-betaling van de publieke schulden, de nationalisatie van de banken en de inzet van het wapen van de nationalisatie tegen het onvermijdelijke patronale tegenoffensief.

De verkiezingen in mei vallen samen met de Europese verkiezingen. Daarin heeft Mélenchon het initiatief genomen voor een beweging “Maintenant le Peuple” die zich verzet tegen het Europa van de bedrijven en pleit om de verdragen die de Europese bevolking in een wurggreep van besparingen houden op te zeggen. Die beweging wordt intussen gesteund door La France Insoumise, Podemos uit Spanje, het Portugese Links Blok, De Deense Rood-groene Alliantie, de Zweedse Linkse Partij en de Links Alliantie uit Finland.

De beweging wil een progressieve samenwerking zijn gebaseerd op democratie en solidariteit, tegen sociale dumping en voor gegarandeerde sociale rechten. Ze pleit voor fiscale rechtvaardigheid en een evenwichtig financieel systeem door publieke controle en het recht op openbaar bezet van de banksector. Ze wil ook openbare investeringen in hernieuwbare energie en milieuvriendelijke technologie, verwerpt de handelsakkoorden en de arbitragehoven, fort Europa en de militarisering van Europa.

Hoewel LSP een meer expliciete verwerping van het Europa van het kapitaal en een uitdrukkelijk pleidooi voor een vrijwillige socialistische federatie in Europa gewenst had, denken wij dat dit een belangrijke stap vooruit is en tot op zekere hoogte een antwoord op wat gebeurde met Syriza toen Griekenland door de Trojka financieel drooggelegd werd en de regering Tsipras helaas door de knieën ging.

 

 

Print Friendly, PDF & Email