Home / Internationaal / Europa / Spanje:  Eenheid van PSOE en Podemos om sociale afbraak te stoppen?

Spanje:  Eenheid van PSOE en Podemos om sociale afbraak te stoppen?

Pedro Sánchez. Foto: Marta Jara (Wikimedia)

In oktober werd een akkoord gesloten tussen de Spaanse sociaaldemocratische partij PSOE van Pedro Sanchez en Unidos Podemos, de electorale alliantie van Podemos, Izquierda Unida (Verenigd Links) en de ecologische formatie Equo. Na het harde besparingsbeleid van de rechtse regering de afgelopen jaren, was er een zucht van opluchting.

Tussen december 2011 en juni 2018 werd de Spaanse regering geleid door de conservatief Mariano Rajoy (PP). Het beleid was niet alleen asociaal maar ook brutaal repressief. In juni – een week nadat de PP veroordeeld werd in een corruptieproces – viel de regering na een motie van wantrouwen neergelegd door PSOE. Na de verkiezingen van 2016 onthield PSOE zich in het parlement waardoor de regering-Rajoy II kon gevormd worden. Tegenstanders van deze gedoogsteun, waaronder Pedro Sanchez, stonden toen geïsoleerd binnen PSOE.

Voor Jeremy Corbyn onder druk van onderuit voorzitter van de Britse Labour-partij werd, ging hij regelmatig in tegen de partijleiding en de algemene koers ervan. Sanchez daarentegen was altijd een loyaal PSOE-lid die de partijdiscipline volgde. Na de ineenstorting van het Griekse PASOK en de crisis in heel de Europese sociaaldemocratie plaatste hij zich aan het hoofd van een vleugel in de partij die met een linksere retoriek de meubelen wil redden. Sanchez werd in 2014 verkozen als algemeen-secretaris van PSOE, maar in 2016 werd hij door de rechterzijde afgezet. In 2017 kon hij terugkeren.

Voor de succesvolle motie van wantrouwen tegen de regering-Rajoy kon Sanchez rekenen op de steun van Unidos Podemos en de Baskische en Catalaanse partijen. Het leidde tot een minderheidsregering van PSOE die slechts 84 van de 350 verkozenen telt. Een akkoord met Unidos Podemos over de begroting bracht dit aantal op 151. Er is steun van de Baskische en Catalaanse partijen nodig om aan een meerderheid te komen. Als die steun er niet is, zijn vervroegde verkiezingen niet uitgesloten.

Wat staat in het begrotingsakkoord?

De meest opmerkelijke maatregel is de verhoging van het minimumloon tot 900 euro per maand, een verhoging met 22% die een impact heeft op anderhalf miljoen werkenden. Deze verhoging verbleekt in vergelijking met de stijgende prijzen voor huisvesting (+40% op vier jaar!) en basisgoederen (in het bijzonder elektriciteit), maar is niettemin erg welkom. Het akkoord voorziet tevens in een verhoging van de pensioenen met 3%, voorstellen gericht op de hervorming van de huurmarkt, een belasting van 1% op vermogens groter dan 10 miljoen euro, … Deze maatregelen zijn een reële stap vooruit, maar blijven erg bescheiden tegenover de sociale crisis die de bevolking treft.

Er is overigens een lastige keerzijde: Unidos Podemos en PSOE zijn niet bereid om over te gaan tot de intrekking van de tegenhervormingen van de arbeidswet onder de regering-Zapatero (PSOE) in 2010 en onder PP-regering in 2012. Door deze tegenhervormingen kunnen de werkgevers de lonen drukken en de flexibiliteit van miljoenen werkenden verder opvoeren.

De afgelopen jaren heeft de PP-regering een hele reeks maatregelen ingevoerd om de positie van werkenden tegenover hun werkgevers te verzwakken. Dit werd nog versterkt door privatiseringen en besparingen in de gezondheidszorg en het onderwijs. De verplichting om de publieke schulden af te betalen werd in de grondwet opgenomen en de repressieve mogelijkheden werden uitgebreid. Deze maatregelen zullen afgezwakt worden, maar worden niet fundamenteel in vraag gesteld door het akkoord tussen PSOE en Unidos Podemos.

Een andere benadering was mogelijk

Het centrale doel van PSOE is om de druk van de straat te verminderen en de ‘sociale vrede’ te herstellen, zonder te raken aan de essentie van het begrotingstraject van de regeringen onder Rajoy en Zapatero. Unidos Podemos kon niet zomaar alle samenwerking met de sociaaldemocratie afwijzen. Dat had een zware fout geweest: brede lagen van de bevolking zouden het niet begrepen hebben. Na het jarenlange harde besparingsbeleid door de gehate PP zou het immers de deur geopend hebben voor een terugkeer van rechts. Miljoenen mensen hopen op wat ademruimte.

Podemos had zijn positie aanzienlijk kunnen versterken door zich te baseren op de mobilisatie van werkenden, jongeren en verschillende sociale bewegingen. Doorheen mobilisatie had het programma op de onderhandelingstafel besproken kunnen worden. Massabetogingen hadden eisen op die tafel kunnen leggen. De betrokkenheid van de massa’s en een programma dat vertrekt van de noden van de bevolking, waren noodzakelijk. In de plaats daarvan beperkte Podemos zich tot een programma dat voor het establishment aanvaardbaar was. Er zat nochtans meer in!

Een mobilisatiecampagne rond offensieve eisen had voor enthousiasme kunnen zorgen, overigens niet alleen in de Spaanse staat. Het had ook een uitstekende voorbereiding gevormd op het verzet dat nodig zal zijn tegen elke asociale maatregel van de regering-Sanchez. De leiders van Podemos hebben echter een andere weg gekozen en willen zich vooral “verantwoordelijk” opstellen tegenover de instellingen en het establishment als voorbereiding op deelname aan een regeringscoalitie met PSOE.