Home / Recensies/Cultuur / Tentoonstelling ‘Berlijn 1912-1932’ in Brussel toont hoe kunst en revolutie samengaan

Tentoonstelling ‘Berlijn 1912-1932’ in Brussel toont hoe kunst en revolutie samengaan

De tentoonstelling ‘Berlijn 1912-1932′ in het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten in Brussel belicht een uiterst fascinerende periode uit de recente geschiedenis. Nog tot 27 januari loopt deze tentoonstelling. Mis ze niet!

Artikel door Andrej (Antwerpen)

De ‘roaring twenties’ maakten van Berlijn een moderne kapitalistische metropool. Een stad die zich aan een razend tempo ontwikkelde en waar alles mogelijk leek. De stad barstte op alle domeinen uit haar voegen. Naast de decadente levensstijl van de opkomende burgerij, die nooit naliet haar rijkdom op een vulgaire wijze te etaleren, heerste er ook massale armoede, hongersnood en werkloosheid. Groei omwille van groei en ten koste van de werkenden die de groei mogelijk maken: de mantra van kapitalisten, maar ook de ideologie van een kankercel. Voor socialisten staat Berlijn in de periode meteen na WOI bekend als een epicentrum van klassenstrijd met enorme uitbarstingen.

Tussen 1918 en 1923 waren er verschillende revolutionaire keerpunten. De novemberrevolutie van 1918 maakte een einde aan de oorlog en de keizer, een massale algemene staking blies de contrarevolutionaire poging tot staatsgreep van Kapp in 1920 in amper 100 uur van tafel, een ontluikende massabeweging maakte in de zomer van 1923 een einde aan de regering van ondernemer Cuno. De wil tot strijd was sterk aanwezig. Deze periode van revolutie en contrarevolutie in Duitsland was bepalend voor het potentieel resultaat van de Russische Revolutie van 1917: niet alleen in de zwakste schakel van het kapitalisme, maar ook in een ontwikkeld kapitalistisch land als Duitsland stond revolutie op de agenda. Verschillende factoren maakten echter dat het potentieel niet benut werd. Het kapitalisme hield stand in Duitsland en Europa, Rusland bleef geïsoleerd en raakte in de greep van de oprukkende stalinistische dictatuur. De hernieuwde kapitalistische crisis vanaf eind jaren 1920 gaf ruimte aan de vreselijkste contrarevolutionaire stroming uit de menselijke geschiedenis: het fascisme.

De tentoonstelling ‘Berlijn 1912-1932′ toont hoe omwentelingen op sociaal, politiek en technologisch vlak zich weerspiegelden in het artistieke, dat zichzelf opnieuw heruitvond op zowel vormelijk als inhoudelijk vlak. De bezoeker kan zich onderdompelen in meer dan 200 werken van zeer uiteenlopende kunstenaars. Kollowitz, Hausmann, Servranckx, Masereel, El Lissitzky, Moholy-Nagy, Jeanne Mommen, Bruno Taut, Erich Salamon, Ensor, Otto Dix, Ernst Ludwig Kirchner en Kazimir Malevich, maar ook Aleksander Rodchenko, Max Beckmann en George Grosz. Een geïnteresseerde bezoeker heeft al gauw enkele uren nodig om de verschillende galerijen te bezichtigen. Hoewel beeldende kunst (schilderkunst) centraal staat, zijn er ook beeldhouwwerken, fotoreeksen, architecturale tekeningen en ontwerpen of filmmateriaal te bewonderen.

De artistieke objecten geven een inzicht in de enorme onrechtvaardigheid en verdeeldheid van de maatschappij. De uitzichtloosheid van het kapitalisme voor de meerderheid van de bevolking kwam tot uiting in vreselijke materiële omstandigheden. Het leven van de arbeidersklasse was vaak ondraaglijk terwijl de winsten van de superrijken stegen. Deze tegenstellingen stonden op de voorgrond terwijl het trauma van de grootste slachting uit de geschiedenis tot dan toe nog niet verwerkt was. ‘De mens’ (en daarmee het collectieve bewustzijn) moest fundamentele vragen stellen en nam moeilijke, dappere, riskante beslissingen die moesten leiden tot een radicaal andere manier van handelen in de opbouw van een betere wereld. Het onvervalste optimisme dat eigen is aan revolutionaire periodes zorgt ook voor een explosie van creativiteit. De arbeidersbeweging die massaal in actie komt, drukt zijn stempel op de kunst.

Wat deze tentoonstelling typeert is de enorme verscheidenheid aan toonaangevende figuren uit de kunstgeschiedenis en hun kunstobjecten die zich meestal toeleggen op thema’s zoals oorlog, revolutie, arbeidersstrijd, utopie, anti-establishment, non-conformisme, avant-garde en geweld. Toegegeven, het is erg indrukwekkend. De aanloop met een gigantische gedocumenteerde verbluffende tijdlijn maakt het zeker voor marxisten interessant. Als deze tentoonstelling iets bevestigt of benadrukt, dan is het wel de band tussen sociaaleconomische dynamische processen en kunst.

De tijdlijn geeft onder meer een beeld van de werkloosheidscijfers in Berlijn. De economische heropleving na het stopzetten van de economische boycot van het bezette Ruhrgebied in 1923 zorgde niet alleen voor het einde van de torenhoge inflatie, maar ook voor een explosie van werkloosheid. Eerst was hun loon amper iets waard en nu verloren de arbeiders hun werk. In deze context probeerde het fascisme een eerste keer zijn kop op te steken. De putsch van Hitler in 1923 was echter gedoemd om te mislukken: het fascisme was nog geen massabeweging, genoot nog niet de steun van delen van het grootkapitaal en de arbeidersbeweging stond nog te sterk.

De pogingen van de kapitalisten om hun heerschappij op te leggen, wat in de relatief rustige periode tussen 1924 en 1929 redelijk leek te lukken, kwamen tot een einde met de economische malaise eind jaren 1920 en begin jaren 1930. De mogelijkheden en financiële ondersteuning voor een fascistische contrarevolutie werden groter. In 1932 waren er zes miljoen werklozen in Duitsland, waarvan 600.000 in Berlijn of één derde van de bevolking. De wanhoop neemt toe, maar zelfs toen bleef de mogelijkheid van antifascistisch verzet groot. De arbeidersbeweging kon nog een einde maken aan het fascistische gevaar, maar de socialistische en communistische leiders verraden of verknoeien de mogelijkheden.

Hoe hard de kapitalistische cement de kunst ook probeert te betonneren in een steriele marmeren plaat, telkens komt door de barsten onkruid gekropen dat vernieuwing en verzet symboliseert. De kunst uit de jaren 1920 toont de verdeeldheid tussen de ‘glitter and glamour’ van de bourgeoisie aan de ene kant en de strijd van de werkende bevolking aan de andere. De kunst toont hoe in het verzet tegen kapitalisme en uitbuiting de hoop op socialistische verandering leeft. Trotski merkt in ‘Literatuur en Revolutie’ op dat kunst niet alleen een spiegel van de wereld kan zijn, maar ook een hamer voor een andere. Dat kan althans in specifieke perioden van verandering en revolutionaire bewegingen. De Duitse Revolutie van 1918 tot 1923 was zo’n periode.