Home / Dossier / De Duitse soldatenraad in Brussel in november 1918

De Duitse soldatenraad in Brussel in november 1918

Het moet een vreemd gezicht zijn geweest voor de Brusselse bevolking, die zondagnamiddag 10 november 1918: een stoet van zowat 5 à 6.000 Duitse soldaten trok op de tonen van de Internationale door de stad met rode vlaggen. Het was het orgelpunt van de opstand van Duitse soldaten tegen hun legerleiding en regering, een weinig gekende episode uit de Duitse Revolutie die zich in ons land afspeelde.

Dossier op basis van een tekst door Tim Joosen in ons boek ‘1918-1923: revolutie in Duitsland’

De impact van de Oktoberrevolutie aan het Westelijk front

De Oktoberrevolutie in Rusland in 1917 had een enorme impact op de strijdkrachten aan het Westelijk Front. De berichten over de oprichting van een arbeidersstaat, de vredesvoorstellen en de socialistische maatregelen van de nieuwe Sovjetregering in Rusland raakten snel verspreid onder de soldaten. Plots bleek er een alternatief te bestaan op het kapitalistisch systeem dat voor deze soldaten vooral geïdentificeerd werd met de moordlust, slachtpartijen en ontberingen van het front.

De Duitse legerleiding zag in de muiterijen en verzwakkingen bij de geallieerden een kans om een nieuw offensief op te starten: het zogenaamde Lenteoffensief. Het Duitse overwicht aan troepen werd versterkt door de vrede aan het Oostfront. De Duitse opperbevelhebbers Ludendorf en Hindenburg wilden een wig drijven doorheen de geallieerde linies om de Britse, Franse en Belgische troepen van elkaar te scheiden en vervolgens apart aan te vallen.

Hoewel de aanval in eerste instantie een succes was – de geallieerden werden zo’n 60 kilometer teruggedreven – eindigde ook dit offensief in een fiasco. Logistiek was de aanval barslecht voorbereid en nogmaals toonde de legerleiding haar totale minachting voor het leven en welzijn van de gewone frontsoldaten. Aan Duitse zijde vielen in de vier maanden van het offensief 700.000 slachtoffers, aan geallieerde zijde waren de verliezen nog groter: meer dan 860.000 soldaten stierven, werden verwond of raakten vermist.

Vooral binnen de rangen van het Duitse leger was de maat nu vol: de soldaten hadden genoeg van deze slachting. Bovendien bleek het aanvoeren van soldaten die aan het Russische front hadden gevochten een dramatische vergissing van de legerleiding: velen hadden de laatste maanden van de oorlog verbroederd met Russische soldaten en vertelden hun strijdmakkers aan het Westelijk front nu over de Oktoberrevolutie. Tegen het einde van het Lenteoffensief waren er reeds 200.000 Duitse soldaten gedeserteerd en op eigen houtje naar huis teruggekeerd. Toen de geallieerde troepen op het eind van de zomer 1918 een tegenoffensief opstartten, verlieten de overgebleven Duitse soldaten massaal hun loopgraven. Eind september 1918 was ook aan het Westelijke front de oorlog in de feiten grotendeels voorbij.

Dit was de context waarin de wereldoorlog ten einde kwam: niet door militaire successen of het vernuft van de geallieerde legerleiding. De hele loopgravenoorlog was een strategische status-quo gebleken. Pas toen de arbeidersklasse zich organiseerde tegen de oorlog werden de kapitalistische regeringen gedwongen de oorlog te stoppen.

Een terugtocht in wanorde en de Duitse revolutie

De Duitse legerleiding wist dat de oorlog voorbij was en dat men beter begon met een georganiseerde terugtocht. Al snel bleek echter dat er van organisatie en orde weinig sprake was: veel legereenheden werden halfweg de terugtocht aan hun lot overgelaten, er waren problemen met de aanvoer van voedsel, drinkwater en andere benodigdheden.

Eind oktober begonnen matrozen van de Duitse marine met massale protesten in de Duitse havensteden. Oorzaak was de poging van de legerleiding om nog een laatste marine-offensief op te starten tegen de geallieerden, in de hoop de keizer ertoe te bewegen de oorlog verder te zetten. Dit offensief werd onmogelijk gemaakt doordat duizenden matrozen weigerden om de haven te verlaten. Op 3 november bezetten de muitende Duitse matrozen de havenstad Kiel en riepen er een Socialistische Sovjetrepubliek uit. Drie dagen later gebeurde hetzelfde in Hamburg, gevolgd door soortgelijke opstanden in het Ruhrgebied, Beieren en Berlijn. Op 9 november was de situatie zo uitzichtloos voor de Duitse heersende klasse dat ze de Duitse keizer Wilhelm II dwong af te treden, en zich tot de officiële leiding van de arbeidersbeweging richtte in de hoop een revolutie zoals in Rusland te voorkomen.

Het kwam tot een officieel samenwerkingsverband tussen de leiding van de Duitse sociaaldemocratie (SPD) en de vakbondsleiding enerzijds, en de legerleiding en de vertegenwoordigers van het Duitse kapitaal anderzijds. De Duitse heersende klasse engageerde zich tot democratische hervormingen en het inwilligen van sociale eisen. De SPD-leiding beloofde er alles aan te zullen doen om een Duitse versie van de Oktoberrevolutie tegen te gaan, desnoods met geweld.

Ook in België een monsterverbond

Vanaf oktober 1918 vonden er intense contacten plaats tussen vertegenwoordigers van de Duitse autoriteiten in België, afgevaardigden van de Belgische regering die in Le Havre in ballingschap zat, en vertegenwoordigers van de vakbondsleiding en de Belgische Werkliedenpartij (BWP). Hoewel de Duitsers in eerste instantie zo ver wilden gaan als het invoeren van een Belgische republiek met de socialist Edward Anseele als president, hadden de socialisten al eerder gehoor gegeven aan de oproep van koning Albert I tot een nationalistische “Union Sacrée” of “Godsvrede”: alle interne conflicten, ook de klassenstrijd, moesten opzijgezet worden in naam van de nationale eenheid.

De verregaande toegevingen aan de arbeiders (mogelijkheid van algemeen enkelvoudig stemrecht voor mannen, erkenning stakingsrecht, elementen van sociale zekerheid) toonden hoe diep de schrik er in zat bij de burgerij. Vooral de Duitse soldatenraad en de steun onder de Belgische vakbondsleden hiervoor joegen de burgerij (en de BWP-leiding) schrik aan.

Het protest van Duitse soldaten

De erbarmelijke toestand van de terugtrekkende Duitse soldaten in Brussel bleef protest oproepen. Bovendien waren er onder deze soldaten heel wat leden en militanten van de SPD en zelfs een aantal van haar linkse afsplitsing, de USPD. Enkele van die militanten hadden door hun baan bij de militaire communicatiediensten toegang tot eerstehands informatie over de revolutionaire gebeurtenissen in het thuisland. Ze deelden die enthousiast met hun strijdmakkers.

Toen op 9 november het nieuws kwam van de troonsafstand door de Duitse keizer, zorgde dit voor een opstoot van protestacties bij de Duitse soldaten in Brussel. In verschillende regimenten namen de gewone soldaten hun officieren gevangen en werden eretekens en rangtekens van de officieren in het openbaar afgenomen en vertrappeld. In de verschillende tijdelijke kazernes werden symbolen van de Duitse monarchie neergehaald: de keizerlijke Duitse vlag moest plaatsmaken voor rode vlaggen. Dit was onder meer het geval in de barakken en werkplaatsen aan het Noordstation, waar een belangrijk contingent Duitse soldaten verbleef. Het was hier dat de Duitse revolutionaire soldatenraad officieel vorm kreeg.

Diezelfde zaterdagavond 9 november vond in het gemeenschapslokaal van de spoorarbeiders aan het Brusselse Noordstation een meeting plaats die besloot om een soldatenraad op te richten en een voorlopig bestuur voor die raad verkoos. Dat bestuur moest met het Duitse opperbevel onderhandelen over de machtsovername. Het opperbevel kreeg vanuit Berlijn opdracht om op alle “redelijke eisen” van de soldatenraad toe te geven.

De Duitse soldatenraad in Brussel in actie

Net zoals in Duitsland werd ook in België het bestuur overgelaten aan socialistische leiders, met quasi als enige voorwaarde dat zij de revolutie onder controle houden. Het bestuur van de Duitse soldatenraad in Brussel is daar een uitdrukking van. Voorzitter Hugo Freund is legerarts en USPD-militant, de enige USPD’er in het bestuur. Verder waren er de SPD-militanten Kurt Heinig, Nottebohm, Auguste Horn en Siegmund. Verder was er een belangrijke rol weggelegd voor de anarchist Carl Einstein, die weliswaar geen deel uitmaakte van het bestuur, maar opdracht kreeg om de propaganda en communicatie van de soldatenraad te verzorgen. Einstein, die vloeiend Frans sprak, kreeg de bijzondere opdracht om contacten te leggen met de Belgische vakbonden en arbeiderspartijen.

Toen Freund later gevraagd werd naar de redenen voor het beperkte succes van de soldatenraad, antwoordde hij dat enkel hijzelf en Einstein links waren en dat de houding van zowel de SPD-leiding als die van de Belgische arbeidersbeweging elke andere uitkomst onmogelijk maakte.

Nochtans was de start van de Duitse soldatenraad bijzonder strijdbaar. Naast eisen rond de onmiddellijke noden van de Duitse soldaten – voedsel, huisvesting en de voorbereiding van de terugtocht naar Duitsland – werd ook veel aandacht besteed aan het contact met de Belgische bevolking. De Duitse soldatenraad beval het overgebleven Duitse legercommando om alles in het werk te stellen om de Belgische burgerbevolking van voedsel te voorzien, zowel Duitse deserteurs als Belgische verzetslieden vrij te laten, en de Belgische dwangarbeiders in Duitsland terug te laten keren. Belgische collaborateurs werden opgepakt en er kwam een onderzoek naar de officieren die verantwoordelijk waren voor de executie van de Britse verpleegster Edith Cavell, een medewerkster van het Belgische anti-Duitse verzet.

De militaire graden en eretekens werden afgeschaft en officieren werden uit hun functie ontzet. Elk regiment kon de eigen bevelhebbers democratisch verkiezen. De militaire discipline verdween: na de diensturen was elke soldaat voortaan een vrije burger. Tenslotte werd de hand uitgestoken naar de BWP en de Belgische vakbonden, die gevraagd werden om in contact te treden met de soldatenraad met het oog op samenwerking.

Op 10 november werd deze oproep aan de bevolking en de Belgische arbeidersbeweging kracht bijgezet met een betoging van Duitse soldaten in Brussel. Zowat 5 à 6.000 soldaten, allen ongewapend, trokken van hun kwartier aan het Noordstation via het beursplein naar het Poelaertplein. De soldaten droegen rode vlaggen mee, deelden Nederlandstalige en Franstalige pamfletten uit aan de burgerbevolking met een oproep tot solidariteit. Ze zongen de Internationale en vroegen omstaanders om mee te marcheren naar het Poelaertplein. Daar aangekomen hielden Freund en Einstein, de laatste in het Frans, een toespraak om de aanwezigen relaas te doen over de revolutionaire gebeurtenissen in Duitsland. Ze herhaalden de oproep tot solidariteit aan de Belgische bevolking en de arbeidersklasse.

De houding van de BWP

Tot grote consternatie en verbazing van de leiding van de BWP bleek de oproep van de Duitse soldatenraad navolging te krijgen. Verschillende socialistische militanten, vooral jongeren van de Socialistische Jonge Wacht, sloten zich bij de Duitse soldaten aan. Linkse figuren binnen de leiding van de BWP probeerden de partij te overtuigen om de kant van de soldatenraad te kiezen.

Ook binnen de vakbond was er verzet tegen de officiële pro-Belgische koers van de leiding. Dit verzet werd geleid door de vakbondsleider Volckaert, die opriep tot de creatie van een “Belgische Sociale Republiek.” De leiding van de BWP had alle moeite om deze stemming te doen keren. Emile Vandervelde werd speciaal vanuit Gent overgebracht om de linkervleugel in Brussel te bestrijden.

Tijdens een officieel overleg met de leiding van de Duitse soldatenraad liet de BWP-leiding duidelijk verstaan dat elke vorm van samenwerking en solidariteit vanuit de Belgische arbeidersbeweging uitgesloten was. De Duitsers werd aangeraden om zo snel mogelijk terug naar huis te gaan.

Het begin van het einde voor de Duitse soldatenraad

Teleurgesteld door het gebrek aan steun door de Belgische arbeidersbeweging besloot de leiding van de soldatenraad haar koers te veranderen en zich enkel nog te richten op de terugtocht van de Duitse soldaten uit België. De desillusie maakte dat een deel van de Duitse soldaten zich bezondigde aan plunderingen en overmatig drinken. De Duitse legerleiding waarschuwde de soldatenraad dat zij nu verantwoordelijk was voor het handhaven van de orde, waarna het bestuur van de soldatenraad een aantal progressieve maatregelen opnieuw introk: de militaire hiërarchie werd opnieuw ingevoerd, verloven werden ingetrokken en er werd hard opgetreden tegen plunderaars.

Er werd contact opgenomen met de Belgische autoriteiten en het Brusselse stadsbestuur, waarna het burgerlijke gezag opnieuw werd overgedragen aan de Belgische politie, het Belgische gerecht, het geallieerde leger en een “burgerwacht” aangesteld door het Brusselse stadsbestuur. De soldatenraad hield zich alleen nog bezig met de logistieke organisatie van de terugkeer naar Duitsland en de ordehandhaving onder de achtergebleven Duitse soldaten. Elke toenaderingspoging tot de Belgische bevolking en arbeidersbeweging werd gestaakt. Daarmee werden de orders van de nieuwe SPD-regering van Friedrich Ebert in Berlijn nauwgezet toegepast. Tegen 17 november verlieten de laatste Duitse soldaten Brussel, onder hen ook Freund en Einstein.

Tot slot

Terug in Duitsland keerden vele soldaten die actief waren in de soldatenraad terug naar het civiele leven. Een aantal onder hen, zoals Carl Einstein, zouden nog een belangrijke rol spelen in de revolutionaire beweging in hun eigen land. Einstein trok na het mislukken van de Duitse Revolutie naar Spanje waar hij binnen de POUM de wapens opnam tegen het fascisme. Anderen, zoals Hugo Freund, raakten gedesillusioneerd door de nederlaag van de revolutie en keerden zich af van alle politieke activiteiten.

De context waarin de Duitse soldatenraad moest handelen, was bijzonder moeilijk. Veel Belgen zagen de Duitse soldaten immers nog steeds als de bezetter die de voorbije vier jaar zo brutaal te werk was gegaan. Desondanks wisten de meest bewuste arbeiders door het nationalistische opbod heen te kijken en hun solidariteit te tonen met de opstandige Duitse soldaten. Ondanks de gruwel van vier jaar imperialistische oorlog was het internationalisme nog steeds levendig, zelfs nadat de leidingen van sociaaldemocratische partijen doorheen heel Europa de kaart van het nationalisme hadden getrokken.

Deze opmerkelijke episode uit de Belgische geschiedenis toonde aan dat ook in ons land een potentieel aanwezig was voor de uitbreiding van de Russische Oktoberrevolutie. Daartoe was er nood aan een revolutionaire partij die het potentieel tot uiting kon laten komen. De BWP-leiding deed vol overtuiging het tegenovergestelde: alles werd in het werk gesteld om een revolutie te vermijden.

Dat gebeurde nadien ook door de stakingsgolf van 1918-19 niet verder te ontwikkelen en uiteindelijk stil te leggen. Emile Vandervelde was duidelijk: “We moeten hopen dat de werkgevers begrijpen dat ze er belang bij hebben dat de vakbonden machtig worden en de woede kunnen kanaliseren. Zij verhinderen dat de eisen zich gewelddadig uiten en het land desorganiseren.” De roep naar een algemene staking op 1 mei 1920 werd door de vakbondsleiders afgewimpeld. “Om de bestaande orde omver te werpen, moet je in staat zijn om het te vervangen. Beschikken jullie over de nodige technici? Hebben jullie de arbeiders mee? Ik durf dit niet te bevestigen,” zei Delattre van de mijnwerkersbond uit de Borinage. Een staking werd vermeden om plaats te maken voor grote betogingen op 1 mei. Nadat het ‘gevaar’ van revolutie tegen 1921 geweken was, vond de burgerij het niet meer nodig om de BWP in de regering te houden.

Print Friendly, PDF & Email