Home / Dossier / Lenins strijd tegen het stalinisme

Lenins strijd tegen het stalinisme

Dossier door Per-Ake Westerlund uit ‘De echte Lenin’, een voorwoord op ‘Staat van Revolutie’ van Lenin (een uitgave die in 2019 gepland is). 

Stalin

Het 11de congres van de Communistische Partij vond plaats in maart-april 1922, na een verschrikkelijke periode van oorlog, burgeroorlog en honger. Het was het laatste congres van Lenin. Stalin werd op 4 april verkozen als algemeen-secretaris van de partij. Dat vormde een belangrijke overwinning voor de bureaucratie die opgang kende in de staat en de partij. De bureaucratie parasiteerde op de arbeidersstaat en zou onder leiding van Stalin alle vormen van arbeidersdemocratie de kop indrukken. Niemand kon echter in 1922 voorzien welke rol Stalin zou spelen, ook Stalin zelf kon dit niet.

Wat was er tussen de revolutie van 1917 en dit congres, vier en een half jaar later, gebeurd? Op het congres voerde Lenin zijn strijd tegen de bureaucratie op. Een groot deel van zijn verslag van het voorbije jaar ging over de groeiende dreiging van bureaucratie: “We hebben een jaar gekend waarin de staat in onze handen was, maar is de Nieuwe Economische Politiek in dit jaar uitgedraaid zoals we het wilden? Neen. De machine weigert de hand die het leidt te volgen.”

Lenin toonde hoe het bureaucratisch apparaat de partij in zijn greep hield. “Neem nu Moskou met 4.700 communisten in verantwoordelijke posities. Als we naar deze grote bureaucratische machine kijken, moeten we de vraag stellen: wie leidt wie? Ik twijfel er sterk aan dat het correct is als we zeggen dat de communisten die grote machine leiden. Het is de waarheid dat zij niet leiden, maar geleid worden.”

Deze bezorgdheid van Lenin toont dat het beeld van de burgerij – en deels van de stalinisten – niet klopt. Zij stellen dat Lenin, Trotski en de leiding van de Russische Revolutie de samenleving vestigden die ze voor ogen hadden. Volgens de burgerij werd het de hel op aarde, volgens de stalinistische een socialistische droomsamenleving.

De Zweedse journalist en zelfbenoemde anti-Lenin expert Staffan Skott schreef in 1992 in het dagblad Dagens Nyheter al dat Lenin geschift was en dat dit typisch Russisch was. “Er is een oude Russische traditie van gekke mannen van God die met een grote obsessie en gekheid grote groepen fanatieke aanhangers verzamelen. Lenin moet wellicht in deze categorie ondergebracht worden, zonder het godsdienstige element dan.” Skott baseerde zich op een historicus uit de Sovjet-bureaucratie: generaal Dmitry Volkogonov. Dezelfde Volkogonov, die in 1996 overleed, schreef tot eind jaren 1980 vol lof over Lenin. Het ging om het stalinistische iconische beeld van Lenin, niet de echte revolutionair.

In 1992 legde Skott de verantwoordelijkheid voor de ontwikkeling van de Sovjet-Unie bij de Russische culturele geschiedenis en stelde hij dat Lenin gek was. Nog geen tien jaar later behoorde hij tot die vleugel die stelt dat de ontwikkeling van de Sovjet-Unie een bewust plan van Lenin volgde. Nu stelt Skott dat Lenin een “kwaadwillig genie” was. Om de vraag te beantwoorden of de Sovjet-dictatuur het resultaat was van de revolutie en het beleid van Lenin en Trotski in de eerste jaren na de revolutie, moeten we terugkeren naar 1917.

Het begin van een internationale revolutie

In Februari 1917 werd de tsaar omvergeworpen door een volksrevolutie van onderuit. Maar de Voorlopige Regering die aan de macht kwam, loste de in haar gestelde verwachtingen niet in.

  • De Wereldoorlog waarin meer dan twee miljoen Russen omkwamen, ging gewoon door en werd zelfs opgevoerd.
  • De grootgrondbezitters bleven gewoon hun zitten.
  • De economische ellende en het tekort aan voedsel werd erger.
  • De onderdrukte naties in het tsaristische rijk werden het recht op onafhankelijkheid ontzegd.
  • De kern van de staat, de gewapende mensen, werd nog steeds gecontroleerd door de tsaristische generaals.

Zoals eerder gezegd lukte het Lenin in april na scherpe discussies om zijn partij, de bolsjewieken, ervan te overtuigen dat een nieuwe revolutie nodig was. De arbeidersraden, de sovjets, moesten de macht grijpen, gesteund door de soldaten, de boeren en de armen op het platteland. Met de slogan ‘Brood, land en vrede’ slaagden de bolsjewieken er, doorheen de opwaartse en neerwaartse fasen van de revolutie, in om tegen de herfst van 1917 een meerderheid in de sovjets te verkrijgen. Op 25 oktober 1917, volgens de Russische kalender, namen de werkenden onder leiding van de bolsjewieken de macht over. De leiders, Lenin en Trotski, zagen het als het begin van een internationale revolutie. Hun houding werd in 1922 door Lenin samengevat: “Van bij het begin stelden we dat we een compleet nieuwe taak opnamen en dat we zonder snelle steun van onze kameraden, de werkenden in de kapitalistisch meer ontwikkelde landen, op grote moeilijkheden zouden botsen en ongetwijfeld een reeks fouten zouden maken.”

Rusland was een land waar 80% van de bevolking in de erg primitieve landbouw actief was. Socialisme betekende een hoger niveau van economische ontwikkeling dan het kapitalisme en een meer ontwikkelde democratie. Om dat te bekomen, had Rusland de hulp nodig van de moderne technologie die bijvoorbeeld in Duitsland bestond.

De Russische Revolutie werd gevolgd door internationale revoluties. De Bolsjewieken werden door hun tegenstanders omschreven als ‘Duitse agenten’, maar de Duitse keizer werd zelf verjaagd toen de revolutie zich begon te verspreiden. Er was echter in geen enkel land een bewuste socialistische revolutionaire partij, zoals die van de bolsjewieken, om de arbeiders naar de macht te leiden. De revoluties liepen op nederlagen uit in Hongarije, Duitsland, Beieren, Oostenrijk en Italië. In Finland vielen 30.000 doden langs de rode kant toen de contrarevolutie het haalde. De nederlaag van de internationale revoluties leidde tot een isolement van Rusland en maakte de problemen nog een pak groter.

De bolsjewieken konden zich niet op precedenten beroepen. Hun historisch voorbeeld was de Franse Revolutie van 1789 en de daaropvolgende jaren, onder meer met de machtsovername door de Parijse arbeiders in 1871. Daarnaast was er het voorbeeld van de eigen verloren revolutie van 1905.

Na de Oktoberrevolutie werd een regering gevormd: de Raad van Volkscommissarissen. De linkervleugel van de Sociaal-Revolutionairen (een linkse partij die vooral op het platteland sterk stond) nam drie ministerfuncties in. De nieuwe regering begon de beloften waar te maken. Afzonderlijke vredesonderhandelingen met Duitsland leidden tot het eerste vredesakkoord in de Eerste Wereldoorlog. Dat was in maart 1918. De boeren en landarbeiders waren al begonnen met de grond te bezetten. Nu werd deze onder hen verdeeld. De bolsjewieken stonden ook voor de vrijheid van de door het tsarisme onderdrukte naties, zo werd Finland in december 1917 onafhankelijk. Er kwamen een reeks van hervormingen en andere werden gepland. Zo kwamen er gelijke rechten voor vrouwen en mannen.

De revolutie zorgde voor enorm enthousiasme onder de werkenden van heel de wereld en een grote angst onder de kapitalisten. In de buurlanden moesten burgerlijke regeringen landhervormingen of parlementaire hervormingen doorvoeren om de revolutie af te blokken. Maar het antwoord van de burgerij was vooral van militaire aard. In november-december 1917 begonnen de oude generaals van de tsaar al hun krachten te verzamelen in het zuiden van Rusland.

De burgeroorlog

Er stelde zich nog een veel grotere militaire dreiging door de invasie van buitenlandse legers. De burgerlijke historicus EH Carr schrijft: “In de lente en het begin van de zomer van 1918 bezette het Duitse leger de voormalige Baltische staten, bijna het volledige grondgebied van Wit-Rusland en de Oekraïne. Het Duitse leger trok zelfs het noorden van de Kaukasus en Transkaukasië binnen.” Daarnaast waren er Tsjechische troepen in Siberië, het Britse leger in het noorden rond Moermansk en Arkhangelsk. In april 1918 vielen Japanse troepen binnen in Vladivostok. In totaal waren er 21 legers uit elf landen die deelnamen aan de oorlog tegen de regering van Moskou. In 1919 stond het grootste deel van het vroegere tsaristische Rusland onder de controle van witte legers die oprukten om Moskou vanuit drie verschillende kanten aan te vallen.

Carr stelt dat de bolsjewieken meteen na Oktober erg genereus waren. Officieren in het Winterpaleis, de oude regering en vijandige generaals zoals Krasnov werden vrijgelaten op de belofte dat ze geen wapens tegen de regering zouden opnemen. In het geval van Krasnov werd die belofte meteen gebroken. De bolsjewieken hadden ook de doodstraf aan het front afgeschaft. Die was eerder opgelegd door de Voorlopige Regering.

De openlijke militaire opstand van de witte generaals en de binnenvallende legers dwong de nieuwe regering tot het onmiddellijk opzetten van een nieuw leger. Het was Trotski’s staat om het Rode Leger uit te bouwen. Op 1 april 1918 sloten 25.000 vrijwilligers uit Petrograd en 15.000 uit Moskou zich bij dat leger aan. Het bestaan de nieuwe arbeidersstaat was bedreigd en daarom moest ze zelf de wapens in handen nemen. Het Rode Leger bestond voor een meerderheid uit arbeiders. Tegen het einde van de burgeroorlog in 1921 waren twee derden van de officiers voormalige arbeiders.

Twintig jaar later zou Trotski in een debat de vergelijking maken met Spanje, waar de arbeiders zich ook moesten verdedigen tegen de militaire staatsgreep van Franco, en met de Amerikaanse burgeroorlog die gericht was op het afschaffen van de slavernij en het leggen van de basis voor de expansieve groei van het kapitalisme in de VS. Vandaag kunnen we daar Vietnam aan toevoegen, dat uiteraard het recht had om zich tegen het VS-imperialisme te verdedigen, of Nicaragua waar in de jaren 1980 tegen de contras werd gevochten.

Sovjet-Rusland was in 1921, na drie jaar van burgeroorlog, enorm verwoest. Het nationale inkomen bedroeg nog slechts een derde van dat in 1913, voor de Eerste Wereldoorlog. De industriële productie was tot een vijfde van dat in 1913 teruggevallen. Voor belangrijke sectoren was de situatie nog erger: de steenkoolproductie bedroeg nog een tiende en de staalsector een vierde. De huidige campagnes tegen Lenin leggen de verantwoordelijkheid hiervoor bij het ‘wanbeheer’ van de bolsjewieken. Dat is compleet verkeerd. Het kapitalistische Duitsland, een van de verliezers van de Eerste Wereldoorlog, was in 1924 armer dan in 1872. Bovendien was de basis voor de revolutie sterk verzwakt: tienduizenden werkenden lieten hun leven in de burgeroorlog. Het aantal industrie-arbeiders was afgenomen van 3 miljoen in 1917 tot minder dan 1,5 miljoen drie jaar later. De landbouwproductie was afgenomen en veel werkenden moesten naar het platteland verhuizen om voedsel te vinden. Er was hongersnood in het Europese deel van Rusland. De diepe crisis ondermijnde een groot deel van de bewuste massasteun waarover Lenin en Trotski in 1917 beschikten. De noodzaak van internationale overwinningen van de arbeidersklasse werd nog groter.

Tijdens de oorlog stonden andere politieke partijen aan de andere kant van de barricaden. De burgerlijke kadetten steunden de witte generaals. De linkse sociaalrevolutionairen verlieten de regering toen vrede werd gesloten met Duitsland, zij wilden de oorlog verderzetten. Ze gingen over tot aanslagen waarbij twee bolsjewistische leiders om het leven kwamen en Lenin ernstig gewond raakte. De mensjewieken gingen geleidelijk naar de andere kant over. Hun afdeling in Moskou stelde dat de Oktoberrevolutie noodzakelijk was, terwijl hun partij in Georgië de bolsjewieken verbood en openlijk samenwerkte met zowel het Duitse als het Britse leger.

De contrarevolutionaire burgerij had liever de mensjewieken en de sociaalrevolutionairen aan de macht gezien. Toen de sociaaldemocraten de arbeidersraden controleerden in de Duitse Revolutie van 1918-19 werd het voor de burgerij mogelijk om de macht te consolideren.

Deze ontwikkelingen zorgden ervoor dat de bolsjewieken in 1921 nog de enige legale partij vormden. Dit was geen bewust plan. Lenin en Trotski waren geen voorstanders van een éénpartijstaat. Maar de ontwikkeling van oorlog, honger en tekorten leidde tot een verbod op andere partijen toen ze de wapens tegen de Sovjet-regering opnamen. Het stalinisme heeft de burgerij decennialang geholpen door te stellen dat het socialisme slechts één partij kon toelaten of enkel marionettenpartijen zoals onder de stalinistische regimes in Polen, Tsjechoslowakije en de DDR (Oost-Duitsland), waar er zelfs een regimegezinde christendemocratische ‘partij’ was. De stalinistische regimes in China en Cuba volgden dezelfde weg. Nochtans is dit niet gebaseerd op wat Lenin voorstelde. Voor marxisten is het dan ook belangrijk om de vier voorwaarden voor arbeidersdemocratie die Lenin aanbrengt in Staat en Revolutie aan te vullen met een vijfde voorwaarde: rechten voor alle partijen, met uitzondering van de fascisten.

Tijdens de crisis van 1921 legden de bolsjewieken ook een tijdelijk verbod op fracties binnen de partij op. Dit was om de druk van externe krachten op de enige partij te beperken. Het verbod werd door partijleden aanvaard omwille van de geschiedenis van democratische discussies in de partij. Lenin benadrukte dat het om een tijdelijke maatregel ging en verzette zich tegen een voorstel om bij de verkiezingen op het volgende partijcongres geen platformen toe te laten. In de aanloop naar het congres van 1921 werden acht verschillende platformen bediscussieerd. Lenin stelde dat het opduiken van een nieuwe cruciale kwestie, zoals de vredesonderhandelingen in Brest-Litovsk, onvermijdelijk moest leiden tot het opzetten van verschillende platformen. Hiermee werd het tijdelijk karakter van het verbod in de verf gezet. Deze extreme beperkingen werden echter de regel en het model van Stalin. Ze speelden een beslissende rol in de degeneratie van de Sovjet-Unie.

NEP en bureaucratisering

In 1921 werd de Nieuwe Economische Politiek (NEP) ingevoerd. Om het voedseltekort aan te pakken, moesten de bolsjewieken toegevingen doen aan de grote boeren en de zakenlui die winsten konden maken onder de NEP. In 1920 had Trotski al dergelijke stappen voorgesteld. Toen het systeem werd ingevoerd, zal Lenin er een competitie in tussen het socialistische deel van de economie en het kapitalistische. Trotski haalde een professor aan die het omschreef als een berg afrijden met de handrem op. De beslissingen werden toen, in tegenstelling tot de periode van het stalinisme, omschreven als de toegevingen en stappen achteruit die ze effectief waren, in plaats van te spreken over “nieuwe geniale socialistische vooruitgang.”

Sovjet-Rusland was een overgangssamenleving met kenmerken van feodalisme en kapitalisme, maar ook van staatskapitalisme en socialisme. Het uiteindelijke resultaat lag nog niet vast. Het nieuwe regime was politiek sterk verzwakt na de oorlog, burgeroorlog en economische rampspoed. De arbeidersklasse had de voormalige heersende klassen sociaal en economisch omvergeworpen, maar had in deze omstandigheden niet de politieke controle over de richting van het proces. Lenin legde uit wie dan wel de controle had: “Na de machtsovername in 1917 werden we gesaboteerd door regeringsvertegenwoordigers. We waren daar erg bang voor en smeekten: ‘Kom terug.’ Ze kwamen allemaal terug en dat was niet in ons voordeel.” Honderdduizenden vroegere topmensen van het tsaristische regime bleven een bureaucratische kolos vormen. Deze experten werden machtig, zoals Lenin opmerkte: “De centrale kwestie is dat we niet de juiste mensen op de juiste plaats hebben, dat verantwoordelijke communisten die zich op schitterende wijze getoond hebben in de revolutie nu commerciële en industriële functies hebben waarvan ze niets weten; en dat ze maken dat wij de waarheid niet zien omdat schurken en boeven zich achter hun rug verbergen.”

Deze beschrijving is lichtjaren verwijderd van wat het stalinisme nadien zou verklaren. Lenin wist dat enkel een overwinning van arbeiders in een ander land de revolutie kon redden. Om tot dan te overleven, werden toegevingen gedaan zoals met de NEP en nadien rond de industrialisering. Boecharin schoof naar rechts op in de partij en pleitte voor “socialisme op slakkentempo” waarbij hij de NEP in de hemel prees. De NEP legde de basis voor de contrarevolutie met ‘NEP-mannen’ die winsten maken, rijke boeren en koelakken die economisch en politiek versterkt werden.

Na de revolutie nam het ledenaantal van de bolsjewistische partij snel toe: van 313.000 begin 1919 tot 650.000 drie jaar later. Carrièristen en voormalige tegenstanders werden lid. Binnen de partij werd de macht van de centrale organisatorische leiding versterkt. Na de dood van partijsecretaris Sverdlov in 1919 werd deze taak uitgeoefend door een groep waarin Stalin betrokken was. De kracht van Stalin was niet politiek, maar organisatorisch. Hij begon al gauw te maneuvreren tegen de rest van de groep. In mei 1919 telde het secretariaat van Stalin 30 personeelsleden, in 1921 waren dat er al 602. In het jaar tussen de partijcongressen van 1921 en 1922 stond dit secretariaat in voor de aanstellingen van 42.000 partijleden. Op 4 april 1922 kreeg Stalin formeel de titel van secretaris-generaal, een teken van zijn groeiende macht. In datzelfde jaar had Lenin zijn eerste hartaanval.

De contrarevolutionaire krachten waren niet sterk genoeg om de verzwakte arbeidersstaat openlijk uit te dagen. Ze hadden bondgenoten binnen het regime zelf nodig. Stalin werd dit instrument, eerst onbewust en daarna bewust. De stalinistische fractie in de partij en de oude tsaristische bureaucratie hadden met elkaar gemeen dat ze rust wilden en hun privileges wilden behouden en uitbreiden. Ze stonden sceptisch tegenover het perspectief van Lenin en Trotski rond internationale revolutie.

Het belangrijkste kenmerk van Stalin als toekomstige dictator was de kunst om zich achter anderen te verbergen en de steun van verschillende groepen te zoeken op verschillende ogenblikken, naargelang het hem en de bureaucratie uitkwam. Begin 1920 steunde hij de opvatting van Boecharin rond de NEP: “Boeren, verrijk je.” Later zou hij zich tegen de boeren keren in een bijna volledige bocht. Trotski stelde: “Stalin weet niet nooit wat de volgende stap is.”

De laatste strijd van Lenin

In december 1922 schreef Lenin de tekst die als zijn ‘testament’ zou bekendstaan. Hij stelde: “Kameraad Stalin heeft in zijn functie als algemeen secretaris een enorme macht naar zich toe getrokken, en ik ben er niet zeker van dat hij die altijd met de nodige voorzichtigheid weet te gebruiken.”

Diezelfde maand waren er ontwikkelingen die het standpunt van Lenin over Stalin definitief maakten. De Sovjet-Unie werd gevormd als opvolger van een lossere federatie van de Sovjet regimes in Rusland, Oekraïne, Wit-Rusland, Georgië, Armenië en Azerbeidzjan. Stalin was commissaris van nationaliteiten en verantwoordelijk voor het vestigen van de nieuwe unie.

In Georgië lag de kwestie bijzonder gevoelig. In maart 1921 hadden de arbeiders en armen vanop het platteland onder bolsjewistische leiding de macht overgenomen van het vroegere mensjewistische regime. Die laatsten hadden met hulp van de Duitse en Britse troepen de onafhankelijkheid ondermijnd. Er was de verdachtmaking dat Moskou voortaan de touwtjes in handen zou nemen. De Georgische bolsjewieken verzetten zich daarom tegen Stalins plan en hadden twijfels over de Sovjet-Unie. Stalin en zijn hulpje Ordzjonikidze beschuldigden daarop de Georgische partij van nationale afwijkingen en Ordzjonikidze ging zelfs over tot fysiek geweld in een debat.

Lenin kreeg verslag van een andere stalinist, Dzerzjinski, en was bijzonder bang. Hij eiste de onmiddellijke afzetting van Ordzjonikidze. Lenin ging in tegen Stalins argument dat het ging om het behoud van de eenheid. Deze eenheid was die van het apparaat, “hetzelfde Russische apparaat dat wij overnamen van het tsarisme.” Lenin stelde: “Het apparaat dat we het onze noemen is in feite nog steeds erg vreemd aan ons. Het is burgerlijk en tsaristisch en er was nog geen mogelijkheid om er in de loop van de voorbije vijf jaar van af te raken bij gebrek aan hulp van andere landen en omdat we meestal “bezig” waren met militaire operaties en de strijd tegen de hongersnood.”

Lenin benadrukte net als voor de revolutie hoe belangrijk het was om “door de houding of door toegevingen, het wantrouwen van de niet-Russen te compenseren. Om de verdachtmakingen en de beledigingen van de regering van de “dominante” natie in het verleden te overstijgen.” Hij stelde dat niet mocht opgetreden worden als een “vulgaire Groot-Russische bullebak.” Elf leidinggevende leden van de Georgische Communistische Partij namen ontslag uit protest tegen Stalin, maar ze werden vervangen door leden aangesteld door Stalin. De laatste politieke daad van Lenin begin 1923 was zijn steun aan de kritische Georgiërs en wat hij schreef over de nationale kwestie. Om een strijd tegen Lenin te vermijden, blies Stalin op papier de aftocht.

Nieuw in deze kwestie was de groeiende macht van Stalin. Onder druk van de bureaucratie handelde hij met het oog op de belangen van de kracht en de macht van het apparaat, niet gericht op de belangen van de revolutie. Tot dan werden fouten erkend. De partijkoers werd steeds publiekelijk besproken. De basisopvattingen van de bolsjewieken verdwenen nu meer naar de achtergrond en de macht en privileges werden het directe doel. De conclusie van Lenin was dat Stalin moest vervangen worden door “een andere man die zich gunstig van Stalin onderscheidt: hij moet toleranter, loyaler, beleefder en attenter voor zijn kameraden zijn, minder grillig, enzovoorts.” Het feit dat Stalin niet loyaal was aan de zaak van de werkenden en de partij, was een vernietigende beschuldiging tegen Stalin. Na de dood van Lenin waren de trotskisten de enigen die naar dit document verwezen. Het werd in de Sovjet-Unie pas in 1956, drie jaar na de dood van Stalin, gepubliceerd.

Lenin keek naar Trotski in deze strijd tegen de bureaucratie en stelde een blok voor tegen de partijbureaucratie geleid door Stalin en tegen de volledige bureaucratisering. In het testament van Lenin werd Trotski omschreven als het meest bekwame lid van de leiding, maar met “een teveel aan zelfvertrouwen en aan verknochtheid aan de zuiver bestuurlijke kant van de dingen.” De beoordeling van Stalin was van een andere orde.

Lenin zag dat de bureaucratie niet alleen in de staat, maar ook in de partij actief was. Hij bereidde wat hij een “politieke bom” noemde voor het Elfde Partijcongres van 1923 voor. Maar hij werd getroffen door een nieuwe hartaanval en verdween uit de partij en de leiding van de staat tot aan zijn dood. Trotski nam de strijd op het congres niet op. Hij wilde niet bekendstaan als diegene die de strijd voerde om Lenin ‘op te volgen.’ Stalin gebruikte toen al campagnes tegen Trotski en het trotskisme als een methode om het beleid van Lenin aan te vallen. Op het congres werd deze campagne wat gemilderd en gaf Stalin de indruk dat hij met een aantal kritieken van Lenin en Trotski kon instemmen. Achter de schermen ging de campagne evenwel onverminderd door als onderdeel van de machtsstrijd van Stalin.

De Duitse revolutie in de zomer en herfst van 1923 toonde dat het regime in de Sovjet-Unie en dus ook de Communistische Internationale afstand had genomen van de leiding door Lenin en Trotski. Vroegere nederlagen, zoals in Hongarije en Finland, vonden plaats zonder de bewuste leiding van de internationale. Nu nam de Comintern een beleid aan dat een weerspiegeling was van de conservatieve rol van de bureaucratie. Gesteund door Stalin riep Zinovjev de Duitse leiding op om de revolutie af te remmen. De Duitse leiding begon te twijfelen en de nederlaag werd een feit.

De nederlaag in Duitsland in 1923 en het verderzetten van de NEP zorgden ervoor dat de bureaucratie zich kon versterken en dat de arbeidersklasse verzwakt werd. Stalin was in staat om zijn ‘theorie’ van ‘socialisme in één land’ naar voor te brengen, dat was in de praktijk ‘enkel socialisme in de Sovjet-Unie.’ Andere communistische partijen zagen hun rol herleid worden tot die van ambassades van Moskou. Trotski leidde de Linkse Oppositie hiertegen en eiste vrije discussie in de partij, meer werkenden in de leiding en dit zonder privileges en een sneller ontwikkeling van de industrie. Dit programma kon tijd winnen in afwachting van internationale overwinningen geleid door de Linkse Oppositie.

Maar de materiële basis voor een overwinning tegen de bureaucratie was niet in de Sovjet-Unie aanwezig. Een nieuwe aristocratie kwam op en die begon de massa’s te onderdrukken. De partij van Lenin bestond niet langer en werd vervangen door een stalinistische bureaucratie.

Het stalinisme bleef bijna 70 jaar aan de macht in de Sovjet-Unie. De bureaucratie parasiteerde op de restanten van de arbeidersstaat, de geplande economie die ondanks de dictatuur en het wanbeheer leidde tot een snelle ontwikkeling. Op die basis kon de Sovjet-Unie nazi-Duitsland verslaan in de Tweede Wereldoorlog. Dat versterkte het stalinisme voor de daaropvolgende decennia. In Oost-Europa verdreef het Sovjet leger de nazi’s. Er werden stalinistische regimes gevestigd. De Sovjet-Unie was erg aantrekkelijk voor de massale bevrijdingsbewegingen in de koloniale wereld. In 1949 nam het Rode Leger onder Mao Zedong de macht in China en werd daar een regime naar het model van Stalin gevestigd. Na decennia van economische stagnatie en crisis, veroorzaakt door de dictatoriale verstikking van de geplande economie, viel het stalinisme in Rusland in 1990-91. Het socialistisch alternatief zoals dit door Trotski al in 1936 werd verdedigd in de vorm van een arbeidersrevolutie om de bureaucraten omver te werpen en een socialistische arbeidersdemocratie en geplande economie te vestigen, stond te zwak. De stalinistische leiders vormden zich snel om tot kapitalisten en burgerlijke politici in een nieuw Russisch roofkapitalisme.