Home / Edito - Op de werkvloer / “Vakbonden verliezen leden”: wat is er aan de hand?

“Vakbonden verliezen leden”: wat is er aan de hand?

Pensioenbetoging op 16 mei. Foto: Walter

Begin juni verschenen er artikels in de traditionele massamedia die het triomfantelijk hadden over het verlies in ledenaantal bij “de vakbonden.” Daar werd dan gretig, en geholpen door wat nattevingerwerk, aan toegevoegd dat de vakbonden zich door hun verzet tegen de regering-Michel niet populair zouden maken. Het is niet altijd gemakkelijk om af te wegen in welke mate een hoger of lager lidmaatschap van de vakbonden economische of eerder syndicaal-politieke trends weerspiegelt. We denken wel dat de kapitalistische analisten zichzelf iets wijs maken als ze eenduidig van een “crisis bij de vakbonden” spreken.

door Peter Delsing

De hoge syndicalisatiegraad in België is reeds lang een bron van luid tandengeknars bij het patronaat, commentatoren en neoliberale partijen zoals N-VA, Open VLD of MR. Ongeveer 55% van de Belgische loontrekkenden is lid van een vakbond. Als je werklozen en bruggepensioneerden meerekent, kom je aan een syndicalisatiegraad van maar liefst 74% in 2015. (1)

Die potentiële macht van de werkende bevolking is iets wat het kapitaal en haar media voortdurend moeten ondermijnen, kleineren en verdelen. Langs de lijnen Belg-vluchteling, Vlaming-Waal, jong en oud, werkend en niet-werkend, gezond en ziek, privé en ambtenaar, … Elke dag zingen de ingehuurde stemmen van het establishment hun dramatische opera, waarmee ze de schuld voor de tekorten aan betaalbare woningen, goed betaalde jobs, betaalbare diensten, … in de schoenen van zondebokken proberen te schuiven. Het is nooit de schuld van de tendens naar overaccumulatie van kapitaal op door besparingen en dalende koopkracht ondermijnde markten, of de winsthonger van de rijkste 1%.

Sinds 2014 zouden de vakbonden gezamenlijk 88.000 leden hebben verloren. (2) Veruit het grootste deel komt echter voor rekening van het ACV, dat 76.000 leden verloor. Voor het ABVV wordt gesproken van een groei in dezelfde periode van 28.000 leden in Vlaanderen en een verlies van 17.000 in Wallonië.

Eind 2014 zagen we een brede syndicale beweging die met een opbouwend actieplan van syndicale concentraties, een nationale betoging van 150.000, regionale stakingen en een algemene staking de regering isoleerde en deed wankelen. Het ACV loste echter als eerste de rol van het eengemaakte sociale verzet, tegen de wil in van vele van haar strijdbare militanten of sectoren.

We denken dat de ACV-top hier de prijs betaalt voor haar minder militante opstelling in de brede beweging en in een aantal recente bedrijfsconflicten. Lokaal zien we dat, wanneer het ABVV een strijdbare houding aanneemt in concrete conflicten (wat ook niet altijd het geval is), de leden beginnen binnen te stromen. De burgerlijke media verkopen dus propaganda als ze menen dat actie en strijd voor ledenverlies zouden zorgen. Het tegendeel is waar.

De Belgische vakbonden blijven mastodonten en een basiswapen voor de zelfverdediging van de werkenden. Maar we mogen ook niet blind of onkritisch zijn tegenover onze eigen syndicale leidingen. Als er een element van desillusie in de rangen sluipt na het van bovenaf opgeven of stilleggen van de strijd, of als jongeren en militanten niet ideologisch bewust worden gemaakt over de rol en de fase van de klassenstrijd, dan kan er tijdelijk een terugval plaatsvinden.

Maar recent zagen we op basis van strijd – zoals bij Lidl waar er meer personeel bijkomt – ook een aantal overwinningen. Sommige militanten zullen in de periodes van luwte of meer verspreide strijd net meer verregaande conclusies trekken. We hebben syndicale netwerken nodig van linkse militanten om de discussie over de opbouw van een krachtsverhouding aan te gaan. Tegelijkertijd is er nood aan een massale politieke vertegenwoordiging van de syndicale eisen en discussie over een alternatief op het winstsysteem.

 

(1) Trends, 16/4/15

(2) De Tijd, 7/6/18