Dossier door Per-Ake Westerlund uit ‘De echte Lenin’, een voorwoord op ‘Staat van Revolutie’ van Lenin (een uitgave die in 2019 gepland is). 

FBI-topman J. Edgar Hoover merkte in 1964 het volgende op over Lenin en de Bolsjewieken: “Fanatisme, niet de leden, vormden de sleutel. Leden moeten de revolutie leven, eten, ademen en dromen. Ze moeten liegen, bedriegen en moorden als het de partij uitkomt. Discipline moet strak zijn. Geen enkele afwijking is toelaatbaar.”

Een edito van het Svenska Dagbladet stelde op 5 december 1998: “Grote delen van de linkerzijde leven nog met het beeld van de Sovjet-propaganda waar de crimineel Lenin voorgesteld werd als een intellectuele superman.”

In de periode voor de Eerste Wereldoorlog behoorde Lenin tot de leiding van de Russische sociaaldemocraten en was hij in 1907 verkozen in het Internationaal Bureau van de Tweede Internationale, de internationale groepering van sociaaldemocratische partijen. De Russische sociaaldemocraten moesten in tegenstelling tot andere sociaaldemocraten ondergronds werken. De activiteiten werden vervolgd door de politie van de tsaar. Voortrekkers werden verbannen naar Siberië. Heel wat verbannen sociaaldemocraten vluchtten uit Siberië en gingen in ballingschap naar West-Europa.

De Russische Sociaaldemocratische Arbeiderspartij (RSDAP) werd in concurrentie met verschillende andere politieke ideologieën in verzet tegen het tsarisme opgezet. Vanaf de jaren 1870 was er een populistische beweging op het Russische platteland: de Narodniks (Volkswil). Die gingen over tot aanvallen in anarchistische stijl. In de jaren 1890 werden de ‘legale marxisten’, intellectuelen die zelf gecensureerde socialistische boeken en kranten uitgaven, getolereerd door de tsaristische autoriteiten. Noch de Narodniks, noch de legale marxisten wilden een arbeiderspartij opzetten. In 1898 werd de RSDAP gevormd op een congres met amper acht afgevaardigden. De partij bestond op lokaal vlak meer uit studie- en propagandagroepen dan echte partijafdelingen.

Tijdens het tweede partijcongres in 1903, dat in Brussel begon maar in Londen verderging, werd de partij verdeeld in twee tendensen: de Bolsjewieken (van het Russische woord voor meerderheid) en de Mensjewieken (minderheid). Het eerste debat ging over wie als lid van de partij kon gezien worden. Lenin wilde dat de statuten een partijlid zouden definiëren als iemand die actief is in verschillende organisaties van de partij. Dit werd verbonden aan het perspectief dat de partij zou groeien, zeker onder de werkenden. Deze formulering werd bestreden door diegenen die de Mensjewieken zouden worden en die vooral uit intellectuele middens kwamen. Zij wilden zelf beslissen wie er als lid zou gezien worden, los van de rol van die leden in de partijorganisaties. In tegenstelling tot de mythe, haalde het voorstel van de Mensjewistische leider Julius Martov dat leden niet actief betrokken moesten zijn in de partij het op het congres met 28 tegen 23 stemmen. Het was pas toen rechtse afgevaardigden die het voorstel van Martov stemden zich uit het congres terugtrokken dat de aanhangers van Lenin de meerderheid verkregen en dat de naam ‘Bolsjewieken’ opdook.

De splitsing over de statuten werd door zowel de stalinisten als de burgerij voorgesteld als het cruciale meningsverschil tussen de Bolsjewieken en de Mensjewieken. Lenin had daar een andere opvatting over. Dat leden moeten deelnemen aan de werking van de partij was niet de basis voor een ‘staalharde’ partij, het was de basis om een partij op zich te vormen. Het voorstel van Lenin was erop gericht om de RSDAP om te vormen tot een partij. De voorstellen waren geen ‘nieuw partijmodel’, ze waren gebaseerd op het model dat ook door andere sociaaldemocratische partijen in Europa werd gehanteerd, in het bijzonder in Duitsland.

De tweede splitsing tussen de Bolsjewieken en de Mensjewieken vond plaats bij de verkiezing van een nieuwe redactieraad voor de partijkrant Iskra. Lenin wilde ervan afstappen dat de redactieraad zich in de praktijk zelf aanstelde. Hij eiste dat de redactie verkozen werd en zich onderwierp aan het partijcongres. Zijn voorstel was om het aantal redacteurs van zes tot drie te herleiden. De drie waren Georgi Plechanov, Martov en Lenin zelf, met name diegenen die het meeste werk voor de krant deden. Dit betekende dat de veteranen Pavel Axelrod en Vera Zasulich samen met Alexander Potresov de redactie zouden verlaten. Lenin wilde het bijna familiale karakter van de redactie doorbreken en botste daarbij op verzet vanwege de vertegenwoordigers van deze specifieke sfeer. Martov weigerde deel uit te maken van de nieuwe redactieraad waarvoor vervolgens slechts twee leden verkozen werd.

De tegenstellingen op het congres kwamen voor iedereen als een verrassing. Lenin begreep zelf niet hoe de verdeeldheid op het congres zo diepgaand kon zijn. Achteraf omschreef hij de debatten in die jaren als “een verhitte, soms bittere en destructieve controverse” met “veel onsympathieke elementen.” Maar tegelijk was het een debat dat niet kon vermeden worden indien de oude kringen zouden omgevormd worden tot een partij. Niet lang na het congres in 1903 kwam Plechanov op zijn positie terug en keerden de afgezette redacteurs op zijn initiatief terug. Iskra werd daarop een Mensjewistische krant en Lenin nam ontslag uit de redactie.

De rol van de arbeidersklasse

In 1904 kristalliseerden de cruciale verschillen tussen de twee tendensen zich. Deze hadden niets te maken met de organisatorische principes van de partij. De Bolsjewieken en Mensjewieken waren het erover eens dat het karakter van een toekomstige Russische revolutie burgerlijk zou zijn. De klassieke burgerlijke revoluties, met de Franse Revolutie als meest prominente voorbeeld, hadden als doel om de grond te herverdelen, een republiek in te voeren, een natiestaat te vormen en de economie te moderniseren.

Een klassieke burgerlijke revolutie zou Rusland omvormen naar het model van andere burgerlijke democratische staten in Europa.

De debatten gingen over de rol van de arbeidersklasse in deze revolutie. Aangezien het om een burgerlijke revolutie zou gaan, stelden dat de Mensjewieken dat een revolutie in Rusland moest geleid worden door de burgerij. In tegenstelling tot de Mensjewieken benadrukte Lenin de onafhankelijkheid van de arbeidersklasse. Dit was gebaseerd op de ervaringen van eerdere burgerlijke revoluties en de concrete situatie in Rusland. Hij merkte op dat het dan wel om een burgerlijke revolutie ging, maar dat de ruggengraat van de revolutie niet uit de grote burgerij of de fabriekseigenaars zou bestaan. Reeds in de Franse revolutie van 1848 had de burgerij een stap achteruit gezet en een compromis met de adel gezocht uit angst voor de opkomende arbeidersklasse. In een Russische revolutie zouden de arbeidersklasse en de boeren een nog veel grotere rol spelen en dit jaagde de burgerij angst aan. De Russische burgerij was erg zwak en meer dan in andere landen verbonden met het oude regime. De angst van de burgerij voor arbeidersstrijd was veel groter dan de bereidheid om het tsaristische regime omver te werpen.

“Het marxisme leert de proletariër niet, zich van de burgerlijke revolutie verre te houden, zich van deelname eraan te onthouden, de leiding ervan aan de bourgeoisie over te laten,” zo vatte Lenin het debat samen in ‘Tweeërlei tactiek van de sociaaldemocratie in de democratische revolutie.’ De arbeiderspartij moet ernaar streven om de strijd van de werkenden en de boeren te leiden. Daarop antwoordden de Mensjewieken dat een dergelijk standpunt de krachten van de revolutie dreigt te verzwakken omdat de burgerij zich zou terugtrekken. Lenin antwoordde dat de burgerij zich al had teruggetrokken en dat de arbeiderspartij dit ook wenst. De revolutie zou niet tot stand komen door de leiding van de burgerij, maar “ondanks zijn inconsequentie, inhaligheid en lafheid.” Zelfs Plechanov sprak zich aanvankelijk uit tegen het idee dat het mogelijk zou zijn om zich te onderwerpen aan de Russische liberalen door enkele voorwaarden te stellen. Ze zouden de voorwaarden de ene dag aanvaarden om die de volgende dag te verraden, merkte Plechanov op. De liberalen zouden uiteindelijk de kant van de reactie tegen de werkenden kiezen. De arbeidersklasse was de enige democratische kracht en moest een leidinggevende rol in de revolutie spelen.

Het belangrijkste verschil tussen de Bolsjewieken en de Mensjewieken kwam niet voort uit een formulering of het principe van de opbouw van een partij. Het ging over de vraag of de arbeidersklasse zich aan de burgerij zou onderwerpen. Lenin verdedigde het basisprincipe van het socialisme dat de arbeidersklasse over eigen onafhankelijke organisaties en een eigen koers moet beschikken.

De belangrijke rol van het platteland in de revolutie en het feit dat de boeren goed waren voor meer dan 80% van de bevolking, maakten dat Lenin nadruk legde op de nood aan een alliantie tussen werkenden en boeren. Zijn formulering was dat de revolutie de democratische dictatuur [het woord dictatuur was toen nog synoniem voor heerschappij] van werkenden en boeren moest vestigen. Deze omschrijving toonde dat de taak van de revolutie burgerlijk-democratisch was en de exacte machtsverdeling werd bewust open gehouden.

Tijdens het revolutiejaar 1917 nam Lenin afstand van deze onprecieze formulering van ‘democratische dictatuur van werkenden en boeren’ om plaats te maken voor de eis dat de sovjets de macht moesten nemen. In ‘Staat en Revolutie’ schrijft hij: “Het omverwerpen van de burgerij is enkel mogelijk als het proletariaat de heersende klasse wordt.”

De taken van de burgerlijke revolutie kunnen enkel opgelost worden indien de arbeidersklasse de macht neemt, gesteund door arme boeren en landeloze mensen vanop het platteland. Dit standpunt werd door de Bolsjewieken pas na verschillende harde debatten ingenomen. Zinovjev probeerde dit te verbergen toen hij in de ‘Geschiedenis van de Bolsjewistische Partij’ schreef dat “de partij in 1916 nog steeds sprak over een democratische revolutie. Het was pas toen we de diepgaande veranderingen zagen die de imperialistische oorlog in zowel Rusland als de rest van de wereld aanbracht, dat we ons platform herformuleerden tot dat van de socialistische arbeidersrevolutie.” Dit werd in 1923 geschreven toen Zinovjev een bondgenootschap had gesloten met Stalin. In de realiteit dachten Stalin en oude Bolsjewieken zoals Zinovjev dat Lenin “gek” was toen hij in april 1917 zei dat de democratische taken van de revolutie moesten verbonden worden met de socialistische taken opdat de revolutie zou doorgevoerd worden.

Pas na debat en de druk van de revolutie zelf was Lenin in staat om een meerderheid te winnen voor zijn standpunt dat de werkenden de macht moesten grijpen. Toen Stalin en de stalinisten de macht overnamen in de Sovjet-Unie werd de politieke koers opnieuw gewijzigd. Zo was er in de Chinese Revolutie van 1925-27 een Mensjewistische opdeling tussen democratische taken aan de ene kant en een minimalisering van de socialistische taken anderzijds. De Chinese communisten volgden de dictaten van Moskou en onderwierpen zich aan de burgerlijke Kwo-Ming-Tan. Dit leidde tot een bloedige nederlaag.

Lenin en de partij

De visie over partij-opbouw die Lenin al voor 1903 had ontwikkeld in zijn boek ‘Wat te doen?’ was op heel wat vlakken een samenvatting van de positie die in de voorgaande jaren door Iskra was verdedigd. Het boek bevat belangrijke principes over de opbouw van een revolutionaire partij. In ‘Wat te doen?’ pleit Lenin voor het opzetten van een al-Russische marxistische krant.

De partij organiseert zich rond een krant die de verdediging opneemt van elke uitbarsting van strijd. Dat lag in dezelfde lijn als wat Lenin eerder benadrukte: “Agitatie onder de arbeiders betekent dat de sociaaldemocraten deelnemen aan alle spontane uitingen van arbeidersstrijd, in alle conflicten tussen arbeiders en kapitalisten rond de arbeidsdag, lonen, arbeidsvoorwaarden, … Onze taak bestaat erin dat we onze activiteiten samenbrengen met de praktische dagelijkse kwesties van het leven van de arbeidersklasse (…) om de aandacht van de arbeiders te vestigen op de belangrijkste gevallen van misbruik, om hen te helpen bij het formuleren van hun eisen aan de werkgevers zodat die preciezer en praktischer zijn, om het bewustzijn van de werkenden te versterken rond solidariteit en de gemeenschappelijke belangen van alle Russische werkenden als een eengemaakte arbeidersklasse die deel uitmaakt van het internationale leger van het proletariaat.”

Lenin voerde een polemiek tegen een tendens onder de sociaaldemocraten – de economisten – die stelde dat het volstond om de vakbonden of de economische strijd van de werkenden te ondersteunen. Lenin stelde dat de sociaaldemocraten ook democratische en politieke eisen moesten stellen om het bewustzijn te versterken en alle vormen van strijd te verenigen. Het was de taak van de partij om een tribune te zijn voor al wie betrokken was in strijd, om “het ongenoegen onder de bevolking samen te brengen” in een “eengemaakte reusachtige storm.” Lokale activiteiten of economische stakingen zouden geen einde maken het tsaristische regime of de dictatuur van de kapitalisten op de werkvloer. Daarvoor was een revolutionaire socialistische strijd nodig.

Omwille van de specifieke voorwaarden in Rusland was het nodig dat de partij over geheime structuren beschikte en dat het werk van de illegale partij sterk gecentraliseerd gebeurde. Rond de geheime partijafdelingen waren er open arbeidersorganisaties in de vorm van culturele verenigingen of verzekeringskassen. Maar het meest bekritiseerde onderdeel van ‘Wat te doen?’ bevat een standpunt dat toen vrij algemeen aanvaard was binnen de revolutionaire sociaaldemocratie. Lenin schreef in de geest van de Duitse toenmalige marxist Karl Kautsky dat de arbeidersklasse enkel “tot een vakbondsbewustzijn” kon komen en dat socialistische ideeën van buitenaf moeten ingebracht worden. De critici van Lenin en zelfs sommige aanhangers die menen dat dit de basis van het Leninisme is, begrijpen niet dat het geschreven werd in een polemiek met de economisten. Het was een argument dat de partij moest proberen om invloed te krijgen op arbeiders in strijd en niet gewoon moest wachten tot socialistische ideeën spontaan zouden ontwikkelen. Als de bewering van Lenin over het inbrengen van socialistische ideeën op zich geïsoleerd wordt bekeken, dan was deze fout. Lenin erkende dit later. Het feit dat arbeidersstrijd zelf leidt tot de ontwikkeling van socialistische standpunten, is fundamenteel voor marxisten.

De kritiek en beschuldigingen tegen Lenin’s standpunt over partij-opbouw zijn vooral gericht op het concept van democratisch centralisme en de nadruk van Lenin op beroepsrevolutionairen. Beide concepten, zo stellen tegenstanders, wijzen in de richting van een soort van elitepartij. Het democratisch centralisme was nochtans een concept dat aanvankelijk door zowel Bolsjewieken als Mensjewieken werd gehanteerd. Na de eenheidsconferentie tussen beide tendensen in 1906 legde Lenin het democratisch centralisme als volgt uit: “We zijn er diepgaand van overtuigd dat de sociaaldemocratische arbeidersorganisaties verenigd moeten zijn, maar in deze eengemaakte organisaties moet er een brede en vrije discussie zijn over partijkwesties, vrije kameraadschappelijke kritiek en inschattingen van gebeurtenissen in het partijleven (…) We zijn het allemaal eens over het principe van het democratisch centralisme, over garanties voor de rechten van alle minderheden en voor elke loyale oppositie, over de autonomie van elke partij-organisatie, over de erkenning dat elke partijfunctionaris verkozen moet worden, verantwoording verschuldigd is aan de partij en steeds afzetbaar is.”

Democratisch centralisme betekende eenheid in actie en volledige vrijheid van debat en discussie. Doorheen de volledige geschiedenis van Lenin’s Bolsjewieken waren er heel wat scherpe discussies waarin georganiseerde opposities over volledige democratische rechten beschikten. Dit contrasteert met het bureaucratisch centralisme, de heerschappij van een bureaucratie zoals dit het geval was onder het stalinisme maar evengoed in de sociaaldemocratie.

De beroepsrevolutionairen waar Lenin over sprak, waren zoals de naam duidelijk maakt sociaaldemocraten die beroepshalve met de uitbouw van de partij bezig waren. Het ging om agitatoren, organisatoren, medewerkers van de partijkranten, … Beroepsrevolutionairen waren een voorwaarde om ervoor te zorgen dat de lessen van de partij en de arbeidersklasse collectief zouden getrokken en bewaard worden. Binnen de Duitse Sociaaldemocratische Partij waren er begin jaren 1900 een duizendtal personeelsleden. Een groeiend deel daarvan waren carrièristen, parlementsleden en conservatieve vakbondsleden die steeds verder afstond van het dagelijkse leven van de werkende klasse en als gevolg daarvan ook van revolutionaire politiek. De beroepsrevolutionairen van de Bolsjewieken genoten geen privileges. Hun taak was om het marxisme te verspreiden en de partij samen te houden onder vaak erg moeilijke omstandigheden. Het feit dat de Russische beroepsrevolutionairen vaak erg geheimzinnig tewerk moesten gaan, was geen “Bolsjewistisch principe” maar een gevolg van de onderdrukking door het regime. Lenin schreef in 1907 dat hij in zijn eerdere werk het idee van beroepsrevolutionairen “overdreven” had om “een punt te maken,” maar dat dit niet langer nodig was omdat het idee op zich ingang had gevonden.

Diegenen die verwijzen naar de kritiek van Rosa Luxemburg in 1904 op Lenin’s boek ‘Een stap voorwaarts, twee stappen terug’ (over het congres van 1903), gaan eraan voorbij dat de kritiek van Luxemburg op de beroepsrevolutionairen gebaseerd was op de Duitse ervaring. Lenin antwoordde zelf op de kritiek van Luxemburg dat hij een ultra-centralist was: “Kameraad Luxemburg is dus van mening dat ik het ene organisatiesysteem tegenover het andere verdedig. De werkelijkheid is echter anders. In het hele boek, van de eerste tot aan de laatste bladzijde, verdedig ik de elementaire grondbeginselen van elk systeem van elke denkbaar mogelijke partijorganisatie. Mijn boek houdt zich niet bezig met het verschil tussen het ene of het andere organisatiesysteem, maar met de vraag op welke wijze men welk systeem dan ook moet handhaven, bekritiseren en corrigeren, zonder in strijd te komen met het partijbeginsel.” Drie jaar later, in 1907, nam Rosa Luxemburg als afgevaardigde van de Poolse Sociaaldemocratische Partij deel aan het congres van de RSDAP en was ze, samen met Lenin, een woordvoerder van de Bolsjewieken. In tegenstelling tot het beeld van een Leninistische partij die nooit veranderde, toont de geschiedenis van de Bolsjewieken een bijzonder flexibele benadering ten aanzien van partij-opbouw.

De revolutie van 1905

De Russisch-Japanse oorlog in 1904 leidde tot een massale radicalisering van de Russische samenleving. De hoop dat de tsaar kon omvergeworpen worden, groeide onder zowel de arbeiders als de burgerij. Deze stemming en het feit dat de oorlogskost op de armen werd afgewenteld, leidden tot de eerste Russische Revolutie in 1905. De revolutie werd opgestart door tijdelijke leiders, in het bijzonder de priester Gapon die de tsaar om hervormingen vroeg. Op ‘bloedige zondag’, 9 januari 1905, richtte het tsaristische leger een bloedbad aan onder de betogers die deelnamen aan de betoging waartoe Gapon had opgeroepen. De revolutie werd toen een realiteit.

1905 maakte dat voorheen theoretische kwesties over de rol van de arbeidersklasse concreet werden. Als gevolg daarvan wisselden heel wat leidinggevende Russische sociaaldemocraten van kamp. Georgi Plechanov werd gezien als de meest prominente sociaaldemocratische leider. In 1903 stemde hij met Lenin mee, maar hij ging over naar de Mensjewieken. Leon Trotski had op het congres van 1903 met de Mensjewieken gestemd, maar brak met hen en stond politiek dicht bij de Bolsjewieken, met uitzondering van de kwestie van partij-opbouw en dit tot in 1917, toen hij bij de partij aansloot.

Begin 1905 probeerden de Mensjewieken hun programma van de burgerij achterna lopen in de praktijk te brengen. De belangrijkste focus lag op deelname met liberalen en de burgerij aan de lokale dorpscomités. De Bolsjewieken bouwden hun partij vooral uit op de werkvloer. Ze startten een eigen krant, Vperjod (Voorwaarts), en vormden een afzonderlijk Bolsjewistisch comité nadat regionale partijconferenties waren gehouden. In 1905 organiseerden de Bolsjewieken hun eigen RSDAP-congres.

De revolutie zorgde voor druk van de leden voor eenheid tussen de twee vleugels. De Mensjewistische arbeiders schoven sterk naar links op. Een duidelijk voorbeeld van deze ontwikkeling was de steun die er was voor Trotski die noch Mensjewiek noch Bolsjewiek was. Zijn krant ‘Nachalo’ werd een populaire arbeiderskrant met een politieke koers die dicht bij de Bolsjewieken aanleunde. Eind 1905 werd Trotski verkozen als voorzitter van de arbeidersraad, de Sovjet, die in de hoofdstad St Petersburg was opgezet. De Sovjet was aanvankelijk opgezet om een algemene staking in oktober te coördineren, maar het werd al gauw een  orgaan van arbeidersmacht. Zoals Lenin opmerkte was de Sovjet in heel wat opzichten een arbeidersregering, het begin van een nieuwe staatsmacht. Binnen de Bolsjewieken was er aanvankelijk een sectaire opstelling die pas verdween na heel wat interne discussies na Lenin’s terugkeer uit ballingschap in de herfst van 1905. Veel Bolsjewieken keken neerbuigend naar de aanhangers van Gapon maar ook naar de nieuwe arbeidersorganisaties die ontstonden, zoals nieuwe vakbonden. Heel wat Bolsjewieken stonden afwijzend tegenover de Sovjet, waar ze een rivaal voor de partij in zagen. Lenin bekritiseerde dit standpunt omdat het betekende dat de Bolsjewieken aan de zijlijn van de beweging bleven staan. Hij stelde dat het niet ging om een keuze tussen partij of Sovjet, maar om de partij en de Sovjet.

Tegen het einde van 1905 riepen zowel de Bolsjewieken als de Mensjewieken de arbeiders op om zich te bewapenen en steunden ze een gewapende opstand. Dit betekende vooral het opvoeden van de arbeiders over het onvermijdelijke gebruik van geweld dat door de contrarevolutie zou ingezet worden. De RSDAP had alles samen slechts tegen de herfst van 1905 een paar honderd leden en een paar duizenden sympathisanten in St-Petersburg.   

Deze beperkte krachten konden de arbeidersklasse niet tot een overwinning brengen. De arbeidersklasse en de revolutie verloren de beslissende confrontatie met de reactie van oktober tot december.

De algemene staking in oktober 1905 werd de toenmalig grootste en bekendste algemene staking in de wereld. De revolutie leidde tot een opgang van arbeidersstrijd in Duitsland, waar 500.000 arbeiders deelnamen aan stakingen of andere strijdbewegingen in de loop van het jaar. De enorme kracht van de arbeidersklasse verbaasde zowel de burgerij als de Mensjewieken, ondanks de nederlaag van de werkenden. De cruciale opstand van de Moskouse arbeiders in december werd bloedig gestopt.

De Mensjewistische leiders trokken de conclusie dat de arbeiders te ver waren gegaan met hun eisen. De Bolsjewieken daarentegen verklaarden de nederlaag in 1905 door verschillende andere factoren. De revolutie had het Bolsjewistisch standpunt over de rollen van de arbeidersklasse en de burgerij in een revolutie bevestigd. De burgerij durfde niet voluit te gaan en de tsaar uit te dagen. Die taak kwam bij de arbeidersklasse te liggen. De arbeidersklasse kon in 1905 het regime enkel aan het wankelen brengen. Het kon het regime nog niet ten val brengen omdat het ontbrak aan kracht en organisatie. De tsaar controleerde nog steeds het leger en had voldoende passieve steun op het platteland om de macht te behouden.

In 1905 waren de Bolsjewieken niet in staat om de arbeidersklasse te organiseren rond een noodzakelijk programma van machtsovername ondersteund vanop het platteland. Ook de tijdelijke neergang in internationale arbeidersstrijd speelde een rol.

In 1905 zelf en in de periode van radicalisering die zelfs na de nederlaag van de revolutie volgde, legde Lenin een heel andere klemtoon inzake partij-opbouw dan in 1902-03. “We moeten stoutmoediger, grootschaliger en sneller jonge strijders recruteren voor de rangen van al onze organisaties. Er moeten daartoe honderden nieuwe organisaties opgezet worden. Ja, honderden; dit is geen hyperbool, en laat niemand zeggen dat het nu ‘te laat’ is om zo’n brede organisatorische taak aan te vatten.” De partij werd uit noodzaak losser en opener dan in de voorgaande jaren. Tegen eind 1905 telden de Bolsjewieken 8.400 leden na een drastische toename van het aantal leden. In april 1906 waren het er al 13.000 en in oktober van dat jaar 33.000. Tegen 1907 waren er 46.000 leden. Met die cijfers waren de Bolsjewieken voor het eerst sinds het begin van de revolutie groter dan de Mensjewieken.

Deze snelle toestroom van nieuwe leden was succesvol omwille van het stabiele politieke fundament van de partij. De partijkaders werden geschoold in het partijprogramma, klassenbewustzijn, geschiedenis, praktische taken in de organisatie, … Deze traditie werd doorgegeven aan de nieuwe leden. Het feit dat duizenden nieuwe leden met ervaring in de revolutie aansloten bij de twee vleugels van de RSDAP leidde tot het eenheidscongres van 1906. Op dat congres kwamen de Bolsjewieken en de Mensjewieken tot een akkoord over onder meer de controversiële formulering van Lenin in 1903 voor de partijstatuten.

Jaren van reactie

De revolutie van 1905 was op een nederlaag uitgedraaid, maar het tsaristische regime moest voorzichtig handelen om geen nieuwe revoltes te provoceren. Het was pas na een zekere tijd dat het regime sterk genoeg stond om over te gaan tot harde repressie en jaren van reactie. Duizenden mensen werden vermoord en gevangengenomen door het tsaristisch regime.

In 1906 alleen werden 1.306 mensen ter dood veroordeeld. De snelle groei van zowel de Bolsjewieken als de Mensjewieken begon te keren vanaf midden 1907. Het was het begin van een erg moeilijke periode. “Achteraf beschouwd, kunnen we zonder aarzelen zeggen dat de partij in die harde tijden zo goed als onbestaand was: ze was gedesintegreerd in kleine individuele kringen,” schreef Zinovjev in zijn ‘Geschiedenis van de Bolsjewistische Partij.’ Hij merkt op: “De demoralisatie was overal voelbaar” met een degeneratie “op alle culturele vlakken, zowel bij de wetenschappen als de literatuur. Het leidde tot een bloei van pornografie, mysticisme en alle vormen van religieuze houdingen.” Trotski beschreef later hoe oud bijgeloof en vooroordelen terugkeerden en hoe activisten hun invloed op de werkvloer verloren. De sfeer van strijd werd vervangen door apathie.

Voor de Bolsjewieken brak een tijd van discussies en interne strijd aan, en daarmee ook van politieke vorming. Lenin en de Bolsjewieken namen deel aan gemeenschappelijke sociaaldemocratische congressen met de Mensjewieken en internationaal met andere sociaaldemocratische partijen. Tegelijk behielden de Bolsjewieken hun eigen structuren en hun eigen pers.

Elke verandering in de Russische situatie leidde tot uitgebreide debatten en de vorming van fracties binnen de RSDAP en binnen de Bolsjewieken. In de meeste gevallen was het de zogenaamd ‘staalharde’ Lenin die de methode en benadering van de Bolsjewieken wilde veranderen. In de jaren van reactie stond Lenin vaak in een minderheid binnen de Bolsjewieken. In de twee belangrijkste debatten stond Lenin alleen onder de drie meest prominente Bolsjewieken. Alexander Bogdanov werd zijn tegenstander in debatten en Leonid Krasin werd politiek inactief. Na twee jaar van discussies, waarin Lenin zijn uiterste best deed om zijn tegenstanders te overtuigen, kondigden de Bolsjewieken in 1909 aan dat de oppositie niet langer tot de Bolsjewistische fractie in de RSDAP behoorde. Ze werd niet uit de partij gezet, maar gedwongen om een eigen fractie binnen de RSDAP te vormen.

Het eerste debat ging over de verkiezingen voor het parlement, de Doema die ingesteld was door de tsaar als toegeving na de revolutie van 1905. Ondanks het karakter van de Doema als democratisch vijgenblad voor de tsaar, gingen de leden ervan in verzet tegen het regime toen de Doema werd afgeschaft. Alle revolutionaire partijen boycotten de eerste Doema in maart 1906, maar de herenigde RSDAP besloot om deel te nemen aan de verkiezingen voor de tweede Doema. De aankondiging van verkiezingen voor een derde Doema in 1907 leidde tot een debat binnen de Bolsjewieken. Lenin stelde dat de boycot van de Doema-verkiezingen in de revolutie van 1905 correct was, maar dat een boycot in 1907 verkeerd was. Lenin kwam tot de conclusie dat de revolutionaire golf na 1905 definitief beëindigd was. De kwestie van het bewapenen van de arbeidersklasse voor een nieuwe revolutie stond niet langer op de agenda. Nu ging het om het aanpassen van het politieke werk aan de nieuwe omstandigheden. Het boycotten van de verkiezingen zou de partij een kans doen missen om tot massadialoog te komen met de arbeidersklasse tijdens de verkiezingscampagne. In 1905 spraken de revolutionairen “Frans”, ze riepen op tot een stoutmoedige benadering en een offensieve strijd. Maar nu kwam het erop aan om “Duits te spreken”, om stap per stap geduldig te werken. Zo legde Lenin het uit. De fout van Bodganov en andere voorstanders van een boycot, was dat hun vertrekpunt niet de actuele situatie was maar een mogelijk scenario tijdens een revolutionaire situatie. Lenin vond de kwestie zo belangrijk dat hij op het RSDAP-congres in juli 1907 met de Mensjewieken voor deelname aan de verkiezingen stemde, terwijl een meerderheid van Bolsjewieken voor een boycot stemde.

Het tweede debat ging over de filosofische fundamenten van het marxisme. De leidinggevende Bolsjewieken Bogdanov en Anatoly Lunacharski verwierpen het dialectisch materialisme, de filosofie die door Marx en Engels werd ontwikkeld. Het is een materialistische filosofie die vertrekt van de materie, de objectieve realiteit. Dat staat in tegenstelling tot een idealistische filosofie waar gedachten en ideeën het vertrekpunt vormen. Maar het is niet het mechanisch materialisme van Ludwig Feuerbach, waar de materiële basis alle ontwikkelingen volledig bepaalt. Marx en Engels voegden aan het materialisme de dialectiek van Hegel toe. Dialectisch materialisme legt de algemene bewegingswetten van zowel de natuur als de samenleving uit, het verklaart hoe ontwikkeling een proces van sprongen is en uiteindelijk gedreven wordt door tegenstellingen.

In politieke termen betekent dialectisch materialisme ruw gesteld dat de materiële basis van de samenleving beperkingen opwerpt voor welke ideeën en partijen kunnen ontwikkelen en steun verwerven, terwijl de dialectiek nadruk legt op het belang van acties van partijen en klassen gebaseerd op de objectieve, materiële situatie.

In 1908 ontwikkelde Bogdanov een eigen theorie die hij haalde uit de werken van de Oostenrijkse filosoof Ernst Mach. Bogdanov omschreef zijn filosofie als marxistisch, maar de theorie van Mach was idealistisch. Het enige wat reëel was voor Mach en Bogdanov waren menselijke gewaarwordingen (geluid, kleuren, gevoelens).

Lenin legde uit dat de logische conclusie hieruit was dat het onmogelijk was om te weten of er een objectieve wereld bestond buiten de menselijke gewaarwordingen. Als gevolg hiervan kunnen mensen hun kennis niet uitbreiden of de realiteit niet veranderen. In de filosofie van Bogdanov waren alle gewaarwordingen even belangrijk, wat de weg opende voor de mogelijkheid van spirituele ideeën.

Lenin wordt vaak afgebeeld als de onbetwiste leider van de Bolsjewieken, maar er bestond in de rangen van de organisatie een brede steun voor de theorieën van Bogdanov. Het boek van Lenin tegen de filosofie van Bogdanov, ‘Materialisme en Empirio-criticisme’, was niet in staat of bedoeld om tot een homogeen beeld op de marxistische filosofie te komen. De steun die Lenin kreeg, behaalde hij niet door dictaten van de partijleiding maar op basis van zijn argumenten.

De jaren van reactie leidden ook tot een grotere kloof tussen de Bolsjewieken en de Mensjewieken. Die laatsten verloren nog meer steun en partijstructuren in Rusland. Een tendens binnen de Mensjewieken, de liquidatoren, maakten van de ineenstorting van de partij tijdens de reactie een methode. Ze pleitten voor wat in de praktijk de ontbinding van de partij was om plaats te maken voor werk binnen legale organisaties, vakbonden en verzekeringskassen die getolereerd werden door het tsaristische regime. De steun voor de liquidatoren binnen de Mensjewieken nam toe en vanaf 1910 pleitte zelfs hun krant voor dit standpunt. Het resultaat was effectief een ‘liquidatie’ van de Mensjewistische organisatie.

Het ‘verharden’ van de Bolsjewieken in deze jaren was het resultaat van diepgaande politieke debatten en argumenten over in te nemen posities. Er werd een jonge generatie Bolsjewieken opgeleid en gevormd. Onder hen Grigory Zinovjev en Nikolai Boecharin. Dit gebeurde op een manier die mijlenver afstaat van een “ijzeren hand” van Lenin, zoals het voorgesteld wordt door de burgerij en herhaald wordt door de stalinisten. De situatie veranderde opnieuw in 1912 en bracht nieuwe uitdagingen voor de Bolsjewieken. De politieke en theoretische vorming zou nu uitgetest worden.

Bijna revolutie

De klassenstrijd in Rusland nam toe in de lente van 1912. De Bolsjewieken kwamen in januari in Praag bijeen voor een congres waar de politieke situatie waar geëvalueerd en waar het programma zou bepaald worden. De verschillen met de Mensjewieken op zowel politiek als praktisch vlak waren scherp toegenomen in de jaren van reactie. De Mensjewieken waren voor een programma van hervormingen en compromissen met de burgerlijke liberalen, zelfs in de context van een verderzetting van het tsaristisch regime. Het vertrekpunt van de Bolsjewieken was het begrip dat de klassenstrijd opnieuw zou opleven en nieuwe revolutionaire mogelijkheden zich zouden voordoen.

Op het congres in Praag werden de Bolsjewieken officieel een onafhankelijke partij, ook bleef de naam ‘Russische Sociaaldemocratische Arbeiderspartij (Bolsjewieken).’

In augustus kwamen de andere vleugels van de RSDAP in Wenen bijeen waar ze het ‘Augustus Blok’ vormden. De Mensjewieken, volgelingen van Bogdanov en de liquidatoren namen er deel aan het congres dat was samengeroepen door Trotski en zijn groep. Trotski bleef niet lang in dit blok, hij brak er snel mee. Trotski bekritiseerde achteraf zijn toenmalige positie van verzoening tussen alle tendensen en zijn kritiek op Lenin en de Bolsjewieken wegens het vormen van een eigen partij. Lenin verdedigde het feit dat het programma en de politiek van de partij moesten gebaseerd zijn op de actuele situatie en niet op basis van een compromis tussen de verschillende fracties van de RSDAP. De praktijk van de Bolsjewieken toonde aan dat dit geen sectarisme was. Hun eigen programma en partij opzetten, was geen obstakel voor samenwerking met andere stromingen of met andere groepen buiten de sociaaldemocratie rond alle mogelijke concrete kwesties. Het resultaat van de verschillende conferenties in 1912 was dat de Bolsjewieken zich begonnen voor te bereiden op de komende strijd, terwijl de Mensjewieken verder uit elkaar vielen.

In de jaren 1912-1914 bestond de rol van Lenin er vooral uit om vanuit ballingschap het werk van de Bolsjewieken op de twee belangrijkste domeinen te begeleiden: het werk in de Doema en de krant Pravda. Bij de verkiezingen voor de zesde Doema in 1912 wonnen de Bolsjewieken zes verkozenen. Het verkiezingsstelsel was gebaseerd op landgoederen waarbij de stem van een grote landeigenaar 45 keer meer woog dan die van een gewone werkende. De zes Bolsjewieken werden verkozen in arbeidersbuurten en vertegenwoordigden 1,1 miljoen werkenden. De zeven Mensjewistische verkozenen vertegenwoordigden 136.000 industriële arbeiders. De groeiende steun voor de Bolsjewieken onder de arbeiders bleek ook uit het nieuwe dagblad van de partij, de Pravda die elke dag op 20.000 tot 60.000 exemplaren verscheen. De krant werd gefinancierd door kleine bijdragen van werkenden en vanop de werkplaatsen. De krant bevatte veel artikels door arbeiders uit de bedrijven. De metaalarbeider AY Badayev was een van de Bolsjewistische verkozenen in de Doema. Hij legde uit hoe de krant werkte. Toen enkele duizenden textielarbeiders in januari 1913 in St Petersburg het slachtoffer van een lock-out werden, riep Badayev in de Pravda op om geld voor de arbeiders in te zamelen: “De reacties waren overweldigend; er werd geld opgehaald in alle bedrijven. ’s Avonds werd het geld aan mij gegeven zodat ik het aan de vertegenwoordigers van de stakers kon geven. Op de eerste dag werd 700 roebel gegeven, de dag erna meer dan 500, … “

Vergelijkingen met de Mensjewieken tonen dat de Bolsjewieken de sterkste partij waren en dat Pravda het meest invloed had onder de arbeiders. Begin 1914 klaagde Chenkeli, een van de Mensjewistische verkozenen in de Doema, dat zijn fractie “alle invloed verloren was, het politieke leven in het land verliet en alle banden met de arbeiders gebroken had.” De Mensjewistische leider Martov omschreef zijn partij als een “zwakke kleine kring.” Andere Mensjewieken spraken over de “epidemie van de Pravda.” In 1913 en 1914 wonnen de Bolsjewieken een meerderheid van de vakbonden over van de Mensjewieken en kregen ze ook de controle op de verzekeringskassen van de arbeiders. De door de liquidatoren geprezen organisaties verkozen Bolsjewistische leidingen.

In 1914 kende Rusland de sterkste stakingsbeweging sinds 1905. De beweging kwam in de buurt van het niveau dat uiteindelijk zou gehaald worden in 1917. In maart namen 30.000 arbeiders deel aan een politieke 24-urenstaking tegen het feit dat vrouwelijke rubberarbeiders vergiftigd werden op hun werkplaats. Enkele dagen later waren er 120.000 stakers. De werkgevers reageerden met een lock-out die 70.000 arbeiders trof. In juli ontstond een solidariteitsbeweging met de 50.000 olie-arbeiders in Bakoe die staakten voor huisvesting. De politie schoot twee arbeiders dood tijdens een solidariteitsmeeting met 12.000 aanwezigen in de Putilov-fabriek in St Petersburg. Enkele dagen later waren er 150.000 stakers in de hoofdstad.

Voor de anti-leninisten is de periode 1912-1914 moeilijk te verklaren. De spectaculaire successen van de Bolsjewieken staan in schril contract met hoe de andere stromingen en klassen in de samenleving ontwikkelden. Er was de brutale repressie door het tsaristische regime, de alliantie van de liberalen en de kapitalistische klasse met het regime tegen de arbeiders en de Mensjewieken stonden bijzonder zwak. De methoden van de Bolsjewieken – steun en stakingsoproepen samen met geduldig vakbondswerk en politieke vorming – stemmen evenmin overeen met de mythes.   

De Bolsjewieken waren erg aandachtig voor de omstandigheden van vrouwelijke arbeiders, zowel op de werkplaats als thuis. In 1913 startte de partij met een speciale krant voor vrouwelijke arbeiders.

Statistieken uit Moskou tonen aan dat 60% van de leden in die stad arbeiders waren, onder de lokale partijleiding was dat 49%. Deze arbeiders wonnen vertrouwen op hun werkplaatsen door deel te nemen aan open discussies en door de ervaring van hun collega’s met de Bolsjewistische politiek en hun harde werk. De politieke vorming van de arbeider-Bolsjewieken gebeurde op het ogenblik dat er debatten waren tegen de positie van Bogdanov om verkiezingen en vakbonden te boycotten en ook op het ogenblik dat de Mensjewieken hun eigen partij en hun socialistisch programma naar de achtergrond dreven.

De sterke beweging die in 1914 ontstond werd onderbroken door de start van de oorlog op 17 juli volgens de oude kalender (30 juli volgens de nieuwe).

Eerste Wereldoorlog

De Eerste Wereldoorlog was reeds voor 1914 een belangrijke kwestie voor de internationale arbeidersbeweging. De sociaaldemocratische Tweede Internationale en zijn partijen, samen goed voor 25 miljoen leden, had sinds de eeuwwisseling veel discussie gehad over reacties op de grote oorlog.

De onderliggende reden voor de oorlog was dat het opkomende Duitse kapitalisme, net als het Amerikaanse kapitalisme, een steeds grotere bedreiging werd voor de Engelse en Franse rijken. “Als er een oorlog dreigt uit te breken, is het de taak van de arbeidersklasse en hun parlementaire vertegenwoordigers in de betrokken landen om de gecoördineerde activiteit van het Internationaal Socialistisch Bureau te ondersteunen en om alle mogelijke inspanningen te doen om de oorlog te vermijden,” stelde de Internationale op een congres in 1907. Als een oorlog zou uitbreken, dan moesten de partijen er alles aan doen om een versnelde omverwerping van het kapitalisme te bewerkstelligen, vervolgde de verklaring. In juli 1914 waren er grote anti-oorlogsbetogingen doorheen Europa. Maar toen in juli-augustus de oorlog effectief uitbrak, waren er maar twee partijen van de Tweede Internationale die tegen de oorlogskredieten stemden: de Bolsjewieken in Rusland en de Servische partij. De Mensjewieken stemden tegen bij de eerste stemming over oorlogskredieten in Rusland, maar gingen nadien de oorlog steunen. In december volgde het Duitse sociaaldemocratische parlementslid Karl Liebknecht het voorbeeld van de Bolsjewieken. Hij werd hiervoor gevangen gezet.

Net als de Duitse sociaaldemocratische partij, de SPD, stonden alle andere sociaaldemocratische partijen achter ‘hun’ burgerij tijdens de oorlog. De SPD verklaarde dat het voor de “verdediging van het vaderland tegen het Russische barbarisme” was. Deze verklaring kon op applaus rekenen bij alle andere partijen in het Duitse parlement. De SPD capituleerde bij de eerste grote imperialistische oorlog. In ‘Staat en Revolutie’ schrijft Lenin: “Reeds in 1891 kon Engels op de ‘veroveringsconcurrentie’ wijzen als op een van de belangrijkste kenmerken van de buitenlandse politiek der grote mogendheden; maar in de jaren 1914-1917, nu deze met een veelvoud verscherpte concurrentie de imperialistische oorlog heeft voortgebracht, bemantelen de schoften van het sociaal-chauvinisme de verdediging van de roversbelangen van ‘hun’ bourgeoisie met frasen over ‘verdediging van het vaderland’ en over ‘bescherming van de republiek en van de revolutie’ enz.”

Op organisatorisch vlak althans was de SPD veruit de sterkste partij in de Internationale met tientallen dagbladen, 100.000en leden en miljoenen kiezers. De partij was formeel gezien wel marxistisch, maar het opportunisme vond ingang bij de SPD. De leiding raakte gewoon aan de legale werking en de eigen privileges. De revolutie die Marx voorzien had, was al lang omgevormd tot een gradueel proces. Lenin merkte dat ze door hun eigen levensomstandigheden verburgerlijkt waren.  De rechterzijde van de partijleiding verklaarde openlijk dat ze de keizer vertrouwden toen hij stelde dat hij vrede wilde. Zelfs de centrumvleugel van de partij, geleid door de ‘marxist’ Karl Kautsky, capituleerde. Hij verklaarde voorstander te zijn van de verdediging van de natie als voorwaarde voor arbeidersstrijd.

Kautsky stelde ook dat de internationale enkel een nuttig instrument in tijden van vrede was. De conclusie van Lenin, die gedeeld werd door Trotski, was dat de ineenstorting van de Tweede Internationale een realiteit was en dat er bijgevolg een definitieve breuk moest komen met alle sociaaldemocratische leiders die de oorlog gesteund hadden.

In het Bolsjewistisch manifest van september 1914 legt Lenin uit hoe de politieke meningsverschillen ontwikkelden: de opportunisten hadden over een lange tijd de socialistische revolutie vervangend oor burgerlijk reformisme. Ze predikten ‘klassencollaboratie’ en ontkenden dat de klassenstrijd kon leiden tot burgeroorlog. Ze hadden de waarheid uit het Communistisch Manifest dat de arbeidersklasse geen vaderland heeft, vervangen met chauvinisme en patriottisme. Het anti-militarisme was gebaseerd op sentimentaliteit, in plaats van op de noodzaak om de imperialistische oorlog om te vormen tot een revolutionaire oorlog met alle werkenden uit alle landen tegen de burgerij van alle landen. Ze maakten van het burgerlijk parlementarisme en de legaliteit een fetisj, ze vergaten dat de illegale methoden van organisatie en propaganda noodzakelijk zijn tijdens periodes van crisis.

De opportunisten herhaalden ook de propaganda van de burgerij dat de wereldoorlog de “laatste oorlog” zou zijn. Dit ging in tegen wat de Tweede Internationale voor de oorlog verklaarde, met name dat enkel de arbeidersklasse en het socialisme een einde zouden maken aan grote oorlogen. Het werd nadien in de 20e eeuw eerder de regel dan de uitzondering dat oorlogsvoerende machten verklaarden dat het doel van de oorlog was om toekomstige oorlogen te vermijden.

Het belangrijkste vertrekpunt van Lenin tijdens de oorlog was het internationalisme. Bij het begin van de oorlog wilde Lenin zich zo duidelijk mogen afscheiden van de opportunisten en verdedigde een standpunt dat marxisten in alle landen ervoor moesten pleiten dat hun eigen regering een nederlaag zou leiden in de oorlog. Hij pleitte van bij het begin van de oorlog voor een nieuwe internationale. Er werd een eerste stap in die richting gezet toen verschillende sociaaldemocratische partijen in maart 1915 samenkwamen in Zimmerwald in Zwitserland. De steun voor Zimmerwald kwam uit verschillende hoeken, van pacifisten tot marxisten. Zo was er steun van de Italiaanse Socialistische Partij, waar de leiding politiek rechts was maar zich onder druk van de leden tegen de oorlog moest uitspreken. Lenin organiseerde de linkerzijde op Zimmerwald waarbij de revolutionaire marxisten werden verzameld. Onder de aanwezigen voor de linkerzijde onder meer Karl Radek, vertegenwoordiger van de sociaaldemocratische linkerzijde in Bremen (Duitsland) en Zäta Höglund van de sociaaldemocratische linkerzijde in Zweden. Ook deze groep was niet homogeen, maar er was overeenstemming rond het standpunt dat er geen hereniging mogelijk was met de partijen die de arbeiders hadden verraden met hun steun voor de oorlog.

In Rusland betekende de oorlog dat het repressieve staatsapparaat van de tsaar overging tot een frontale aanval op alle arbeidersorganisaties. Het volstond om jezelf Bolsjewiek te noemen om meteen opgepakt te worden of aangevallen door diegenen die door de chauvinistische golf waren gegrepen. In St Petersburg viel het aantal leden van de Bolsjewieken terug van 6.000 bij het uitbreken van de oorlog tot 100 in december.

Het standpunt van Lenin over de oorlog werd niet automatisch overgenomen door de leden of zelfs de leiders van de Bolsjewieken. Toen de Bolsjewistische verkozenen in de Doema in februari 1915 voor de rechtbank verschenen, distantiëren ze zich allemaal, behalve één, van het standpunt van Lenin en verdedigden ze opportunistische argumenten. Kamenev werd vervolgd als redacteur van de Pravda. Hij verklaarde dat hij op verschillende cruciale punten van mening verschilde Lenin.

Gedurende de oorlog namen heel wat arbeidersleiders uit 1914 het standpunt van de Bolsjewieken tegen de oorlog over. Begin 1917 had de partij 3.000 leden in Petrograd (de naam van de stad was tijdens de oorlog veranderd van het Duitse St Petersburg naar Petrograd).

De nationale strijd en imperialisme

Tijdens de oorlog ontwikkelde Lenin verschillende belangrijke bijdragen aan het marxisme. Met een voorspelling die vandaag nog steeds accuraat is, merkte Lenin op dat de nationale beweging het sterkste waren tijdens de opkomst van het kapitalisme en opnieuw opdoken bij het verval ervan. Hij toonde aan dat de strijd voor nationale rechten een belangrijke kwestie was voor de arbeidersklasse, zeker in de ‘gevangenis van naties’ zoals hij tsaristisch Rusland omschreef.

Burgerlijk-nationalistische partijen of bewegingen konden steun winnen op basis van nationale onderdrukking, maar ze durfden niet voluit in te gaan tegen de tsaar. Tegelijk waren deze burgerlijke partijen gekant tegen arbeidersstrijd. Lenin verdedigde onvoorwaardelijke steun voor het recht op zelfbeschikking voor alle onderdrukte naties, waaronder het recht op onafhankelijkheid. Hij toonde hoe een Russische sociaal-democraat die tegen de vorming van nieuwe kleine naties pleitte aan dezelfde kant stond als de tsaristische onderdrukkers en als gevolg hiervan een kans miste om tot een gezamenlijke strijd te komen. Lenin benadrukte de steun die de Zweedse arbeiders gaven aan de Noorse onafhankelijkheid van Zweden in 1905 als model om de eenheid van de werkenden in beide landen te behouden. In heel wat delen van de wereld blijft dit bijzonder relevant en actueel.

Tijdens de oorlog schreef Lenin ook zijn analyse van het imperialisme, dat hij omschreef als het hoogste stadium van het kapitalisme. Het imperialisme betekent dat de grootmachten doorheen constante competitie en zelfs gewapende conflicten de wereld onder elkaar verdelen. Onderdrukking en uitbuiting in de kolonies zorgde voor de grondstoffen en de goedkope arbeidskrachten die nodig waren voor de ontwikkeling van het kapitalisme in het westen. In het Lenin-debat in Zweden in 1999 verdedigden anti-communisten hun geloof in de “democratieën.” Maar de kapitalistische democratieën zijn gebouwd op koloniale oorlog en slavernij.

Met het imperialisme controleert het financiekapitaal een steeds meer parasiterende kapitalistische economie. Lenin stelde dat het idee dat het opkomende monopoliekapitalisme op de een of andere wijze kon gecontroleerd worden als ‘belachelijk.’ Hij ging ook in tegen diegenen die dachten dat het systeem uiteindelijk zou stabiliseren en dat de ongelijkheid en bestaande tegenstellingen zouden verzwakken. “Het monopolie dat in bepaalde sectoren van de industrie tot stand komt, versterkt en intensifieert de anarchie die inherent is aan de kapitalistische productie als geheel.” Oorlogen en crisissen zijn onvermijdelijk met steeds nieuwe machtsverdelingen. “Het kapitalisme is uitgegroeid tot een wereldsysteem van koloniale onderdrukking en van financiële wurging van de overweldigende meerderheid van de bevolking door een handvol ‘ontwikkelde’ landen. De ‘buit’ wordt verdeeld tussen twee of drie machtige wereldplunderaars die tot op de tanden gewapend zijn,” schreef Lenin in het voorwoord voor de Franse en Duitse edities.

Deze samenvatting toont dat de waren Lenin veraf staat van het beeld dat vaak van hem gebracht wordt. Lenin en Trotski waren beter dan anderen in staat om te begrijpen wat er in Rusland in 1917 gebeurde op basis van hun politieke analyses van de rol van de burgerij, het imperialisme, de nationale kwestie, de Eerste Wereldoorlog en hun ervaringen van de revolutie in 1905 en de concrete opbouw van een arbeiderspartij in Rusland. De conclusie van hun studie van het imperialisme was dat dit een periode van oorlog en revolutie was, en niet van de democratie, harmonie en vrede die volgens de burgerij gepaard gaan met kapitalisme. Dit parasiterende systeem moet wereldwijd verdwijnen. Die taak was (en is) de historische opdracht van de arbeidersklasse.

Toen de tsaar werd omvergeworpen door de Februarirevolutie in 1917 werd deze analyse bevestigd. De burgerlijke Voorlopige Regering verbond zich met de reactie en de imperialistische bondgenoten om de oorlog verder te zetten. De heerschappij van de burgerij werd een obstakel om land aan de landlozen en arme boeren te geven. De regering stond de nationale bevrijdingsstrijd in de weg: de Voorlopige Regering ontbond het Finse parlement en verzette zich tegen de nationale bevrijdingsstrijd in de Oekraïne, … De arbeiders moesten na Februari verder gaan en de macht zelf in handen nemen.