Handen af van onze pensioenen!

Als de regering niet valt over DHL, kunnen we ons verwachten aan een beleidsverklaring van Verhofstadt die de aanval op het brugpensioen centraal stelt. De media zijn ons al een hele tijd aan het voorbereiden op de “onbetaalbaarheid” van de pensioenen. In 2000 waren er 16,8% 65-plussers in België. In 2050 wordt geschat dat dat er 26,5% zullen zijn. Vanaf 2010 begint de zogenaamde babyboomgeneratie van vlak na WO 2 op pensioen te gaan.

Peter Delsing

De bijkomende kost van een oudere bevolking wordt door de Studiecommissie voor de Vergrijzing tegen 2030 geschat op 3,4% van het BBP. Als de kosten van de gezondheidszorg echter tot in 2030 jaarlijks blijven stijgen met 4,5% – het huidige ritme – stijgt die kostprijs tot 6,7% van het BBP.

De parlementaire Studiecommissie gaat er daarbij vanuit dat de gemid-delde productiviteit met 1,75% per jaar zal groeien tot in 2030 (per werknemer wordt er dus jaarlijks 1,75% meer waarde geproduceerd). In dit scenario zou de economie voor de komende decennia op z’n minst een gemiddelde reële groei moeten kennen van 2,5% per jaar, wil men de werkgelegenheidsgraad van 61,5% vandaag tot de vooropgestelde 68,5% in 2030 laten groeien.

De hele financiële argumentatie waarop de regering haar “kostprijs van de vergrijzing” baseert, is op zand gebouwd. De gemiddelde, reële economische groei is sinds de jaren ’70 elk decennium gedaald, onder invloed van de overproductiecrisis van het kapitalisme. Tussen 2001 en 2003 lag de gemiddelde groei in België op 0,8%. (1) Sinds 2002 zitten we dan nog zogezegd internationaal in een periode van economische “heropleving”. De idee dat, onder het kapitalisme, de economie tot in 2030 jaarlijks met minstens 2,5% zal groeien is een complete fictie. Het is veel waarschijnlijker dat het wereldkapitalisme een periode van nieuwe, veel sneller op elkaar volgende economische crisissen tegemoet gaat – mogelijk met hetzelfde soort schokken als na de crash van Wall Street in 1929. Wie zegt dat het kapitalisme tegen 2020 nog in België zal bestaan?

De cijfers van de Studiecommissie en de regering zijn dus nog een enorme onderschatting van het “probleem” van de vergrijzing, als je het op kapitalistische basis bekijkt. Minister van begroting Vande Lanotte ziet het opzij zetten van begrotingsgeld om de vergrijzing op te vangen nochtans anders: “Dat lukt wel, maak u niet ongerust.” (2)

Is “de vergrijzing” werkelijk niet betaalbaar? De laatste 24 jaar sloot de Sociale Zekerheid maar 7 keer haar begroting af met een tekort, in ’80, ’91-’93, ’95-’96 en 2003. (3) En dit ondanks de jaarlijks tot miljarden euro’s oplopende vermindering van de “sociale bijdragen van de patroons” aan de Sociale Zekerheid.

Tussen begin 2000 en einde 2003 bedroeg het overschot in de Sociale Zekerheid 3 miljard euro, ongeveer 1,3% van het BBP. Wat is er met al dit geld gebeurt? En wat is er gebeurd met de pensioenbijdragen van de werkenden uit de jaren ’60, ’70,…? Waarom heeft de regering jarenlang met het gemeenschappelijke, sociale spaar-geld van de werkenden haar schulden aan de banken afbetaald, in de plaats van in de noden van de toekomstige generaties te voorzien?

De “betaalbaarheid van de pensioenen” is een kwestie van politieke keuzes. De burgerlijke regeringen hebben de pensioenen de afgelopen 20 jaar al enorm in koopkracht laten zakken, om zo de patroons meer geld in de zakken te steken. 66% van de pensioenen bedraagt minder dan 1000 euro, 39% heeft minder dan 750 euro per maand! Frank Vandenbroucke (SP.a) zelf geeft toe dat 22% van de 65-plussers, in 1998, arm was. (4) Vandaag worden bovendien ook de “hoge” ambtenarenpensioenen meer en meer in vraag gesteld.

Arbeiders en gewone bedienden mogen zich niet laten verdelen: de rijkste 10% van de bevolking bezit de helft van het vermogen in België. Daaronder zitten de echte “profiteurs”. De opeenvolgende regeringen hebben de rijksten nog rijker gemaakt en de meerderheid van de bevolking armer.

Brugpensioen onder vuur

De regering wil de mogelijkheid van brugpensioen stelselmatig beperken. Zo wil ze snoeien in de uitgaven voor het brugpensioen (ook door de patroons) en de bijdragen voor de Sociale Zekerheid op peil houden. Voor die hogere werkgelegenheidsgraad wil de regering de werkenden de prijs van verhoogde flexibiliteit en lagere lonen laten betalen. De bazen en de regering willen ons ook meer en meer via bedrijfspensioenen en individueel laten betalen voor de toekomstige pensioenen. Zo willen ze de structurele solidariteit breken.

Die bedrijfspensioenen – op de EU-top van Barcelona in maart 2002 nog in een richtlijn gegoten – komen echter op de beurs terecht. Dat belooft wanneer de beurzen nog eens crashen. Individueel pensioensparen zal enkel voor een kleine groep beter begoeden zijn weggelegd, die dan nog moeten opletten dat ze niet getroffen worden door de groeiende werkloosheid.

Federaal Minister van Werk Freya Van den Bossche (SP.a) lanceerde al een aantal ideeën om de brugpensioenen te ondermijnen. Ze wil het stelsel beperken voor bedrijven die zogenaamd niet voldoende in opleiding investeren. Moeten de arbeiders echter worden bestraft, met werk-loosheid, voor de tekortkomingen van de bazen? Ze denkt ook aan verplichte outplacement bij herstructeringen. Dit is een manier om de lonen op het einde van de loopbaan naar beneden te halen. Van den Bossche wil ook een uitbreiding van de tijdelijke werkloosheid en meer deeltijdse eindeloopbaanregelingen. Kortom: de regering wil ons meer flexibiliteit aan lagere lonen aansmeren, ofwel een botte terugval in de werkloosheid bij herstructureringen.

De vakbonden moeten zich verzetten tegen de afbraakpolitiek van de regering. We moeten de politieke keuze maken die de burgerlijke regeringen niet durven maken: voor een herverdeling van de geproduceerde rijkdom in dienst van de hele bevolking. Die strijd kan enkel definitief worden veilig gesteld onder een socialistische maatschappij.


Voetnoten

(1) Jaarverslag Nationale Bank van België 2003

(2) De Morgen, 11/9/2004

(3) Jaarverslag Nationale Bank van België, 1995 en 2003

(4) “Vergrijzing en het Belgische regeringsbeleid”, website Vandenbroucke (2003)

Delen: Printen: