Home / Edito - Internationaal / Hoe vermijden we dat oorlogsretoriek en militair opbod leiden tot een rechtstreekse confrontatie tussen de grootmachten?

Hoe vermijden we dat oorlogsretoriek en militair opbod leiden tot een rechtstreekse confrontatie tussen de grootmachten?

Nog maar goed een jaar is Donald Trump de verkozen president van de VS. Toch is hij er al minstens twee keer in geslaagd de wereld de stuipen op het lijf te jagen. In augustus 2017 door de Noord-Koreaanse ‘raketman’ Kim Jong-un af te dreigen met zijn ‘grotere en krachtigere nucleaire knop’ en opnieuw in april 2018 door Rusland te verwittigen dat zijn raketten – “mooi, nieuw en slim” – eraan komen. De grootmachten zijn niet uit op een directe confrontatie; daarvoor is de inzet te groot en bestaat geen maatschappelijke draagkracht. Maar de spanning loopt wel op, lokale conflicten nemen toe en het risico op een aaneenschakeling van acties en tegenreacties ook. De enige manier om dat tegen te gaan, is het opbouwen van een krachtige, internationale anti-oorlogsbeweging.

Artikel door Eric Byl uit maandblad ‘de Linkse Socialist’

De Westerse leiders zijn zich bewust van het potentieel van zo een beweging. Ze herinneren zich nog de wereldwijde massale mobilisaties tegen de inval in Irak van 2003. Dat heeft de Golfoorlog niet gestopt. Maar intussen zijn we 15 jaar later. De beloofde democratisering kwam er niet en het land verkeert nog steeds in chaos, net zoals Somalië (inval 1993), Afghanistan (2001) en Libië (2011). Met dit in gedachten trachten ze hun tegenstanders te diaboliseren in de publieke opinie. Dat Kim Jong-un een dictator is en Assad een brutale moordenaar, helpt daarbij.

Trump, Macron en May verkochten het afschieten van 105 raketten op drie doelen in de nabijheid van Homs en Damascus op 14 april jongstleden als een vergelding voor een gifgasaanval de week tevoren op Douma. Ze beschuldigen de troepen van Assad en zouden met de vergelding willen verduidelijken dat het inzetten van chemische wapens de rode lijn is die niet mag overschreden worden.  Ze hoedden zich er wel voor geen slachtoffers te maken en al zeker geen Russische. Ze beweren een labo waar mogelijk chemische wapens werden ontwikkeld, een bunker en een andere opslagplaats voor chemische wapens te hebben vernietigd.

Dat Assad niet verlegen zit om een gifgasaanval heeft hij al bewezen. Maar dat de VS, Frankrijk en het VK een dubbele standaard hanteren ook. De VS gebruikte zelf witte fosfor in Mosoel en Raqqa tijdens de strijd tegen IS. Haar bondgenoot Saoedi-Arabië mag in Jemen een bloedbad aanrichten en de bevolking uithongeren. In de VN-Veiligheidsraad blokkeert de VS een veroordeling van het inzetten van scherpschutters door Israël, die ongewapende Palestijnen in Gaza neerschieten.

Assad en zijn Russische bondgenoten beweren dat de rebellen de gifgasaanval uitvoerden. Het zou hun eerste leugen niet zijn. Maar ook de VS, Frankrijk en het VK zijn niet te beroerd voor fake news. We herinneren ons de verontwaardiging over de troepen van Saddam die in 1990 tijdens hun bezetting van Koeweit in een ziekenhuis pasgeboren baby’s op de grond gooiden. Dat werd door Bush Sr. in 1991 aangegrepen voor een inval in Irak, Desert Storm. Achteraf bleek dat in scène gezet. Is dat opnieuw het geval? We weten het niet. Aangezien Douma zo goed als ingenomen was, zou het inzetten van chemische wapens door Assad vreselijk dom geweest zijn.

Oorlog is verderzetting van politiek met andere middelen

De verleiding kan groot zijn om oorlog te verklaren aan de hand van waanzinnige of bloeddorstige politici. In werkelijkheid is oorlog de verderzetting van politiek met andere middelen, een weerspiegeling van nationale belangen en klassentegenstellingen, zowel op nationaal als op internationaal vlak. Dat kan de indruk wekken dat politici door waanzin gegrepen worden of als ze de job niet aankunnen, vervangen worden door ‘meer geschikte’.

De Grote Recessie van 2007-2009 heeft wereldwijd geleid tot een enorm offensief van de kapitalisten tegen de arbeidsvoorwaarden en levenscondities van arbeiders en jongeren. Na een moment van verlamming zijn in verschillende landen grote bewegingen ontstaan. Het ongenoegen over de sociale catastrofe leidde in 2011 in Tunesië tot de Jasmijnrevolutie. Die bracht  een golf van revoluties in heel Noord-Afrika en het Midden-Oosten op gang. Ben Ali uit Tunesië en Moebarak uit Egypte werden gedwongen af te treden. Helaas beschikte de arbeidersbeweging niet over een revolutionaire partij, bereid om die revoluties naar socialisme te leiden, waardoor de oude regimes zich na verloop van tijd konden herstellen.

In tegenstelling tot Moebarak en Ben Ali beschikten Khadafi en Assad wel nog over steun onder een kleine tot de tanden gewapende minderheid, voldoende om die revoluties te doen verzanden in burgeroorlog. Libië werd door de NAVO platgebombardeerd en overgeleverd aan rivaliserende krijgsheren. Dat zou ook met Syrië zijn gebeurd indien Rusland, Iran en Hezbollah Assad niet in het zadel hadden gehouden. Rusland wil zo haar enige bondgenoot in het Midden-Oosten overeind houden en duidelijk maken dat ze een militaire grootmacht blijft ondanks haar economische zwakte. Iran wil een corridor van Teheran tot Damascus. Hezbollah hoopt zich door de nabijheid van bondgenoot Iran te versterken.

Voor de soennitische regimes rond Saoedi-Arabië is de versterking van Iran onaanvaardbaar, vandaar de oorlog tegen de eveneens sjiitische Houthi’s in Jemen. Netanyahu van Israël is evenmin gediend met een sterker Iran; hij kan bovendien afleiding gebruiken van het corruptieschandaal waarin hij betrokken is. De verzwakking van Assad kwam Erdogan, die een dubbelzinnige rol speelde in de strijd tegen IS, goed uit. Zolang IS een gevaar betekende verdwenen de imperialistische rivaliteiten naar de achtergrond. Zelfs de Koerden werden ingeschakeld, zij het als kanonnenvlees.

Geen vrede na einde IS

Nu de gemeenschappelijke vijand verdreven is, trachten alle betrokken partijen hun belangen te beveiligen. Assad door zoveel mogelijk grondgebied te heroveren, en met de steun van Rusland en Iran incontournable te worden. Turkije door met Rusland en Assad vrije doorgang te onderhandelen om af te rekenen met de Koerden in Rojava. Maar ook Frankrijk en het VK, de voormalige koloniale heersers van de regio, en het VS-imperialisme dat na de oorlog in Irak aan invloed in het Midden-Oosten inboette, willen niet met lege handen achterblijven. Ook dat verklaart de rakettenregen van 14 april. Bovendien kunnen zowel Trump als May en Macron buitenlandse afleiding gebruiken voor hun problemen in eigen land.

Wie dacht dat na IS een tijdperk van vrede zou aanbreken, vergist zich. Er is geen uitweg op kapitalistische basis uit de impasse in de regio. De Syrische bevolking is verlamd door contrarevolutie en oorlog. Maar in landen als Iran, Turkije en Egypte is er wel een sterke arbeidersklasse. Samen met de armen en de onderdrukten in de regio en met steun van de broodnodige anti-oorlogsbeweging in het Westen, zou die kracht met een democratisch socialistisch programma een uitweg bieden uit de nachtmerrie in Syrië en heel het Midden-Oosten.