Home / Edito - Internationaal / Iran en Tunesië: de vlam van de revolte is niet uitgedoofd

Iran en Tunesië: de vlam van de revolte is niet uitgedoofd

“Ook al zouden we alle bloemen plukken, de lente kunnen we niet tegenhouden.” Pablo Neruda

De afgelopen weken en maanden kwam het tot sociale uitbarstingen in Marokko, Algerije, Iraaks Koerdistan, … Maar vooral de bewegingen in Iran en Tunesië waren indrukwekkend door hun omvang in omstandigheden die nochtans erg moeilijk zijn.

door Nicolas Croes (uit maandblad ‘De Linkse Socialist’)

Protest tegen besparingen

De woede onder de Iraanse bevolking leidde op 28 december tot betogingen. De golf van protest vertrok vanuit de provincies door heel het land en de hoofdstad. De begroting voor 2018 was de directe aanleiding voor het sociaal protest. Onder het voorwendsel van een “herstel van de economie en het aantrekken van buitenlandse investeerders” – een argument dat ook hier steevast wordt opgediept – kondigde de ‘gematigde’ president Hassan Rohani een reeks besparingsmaatregelen aan. Daaronder een vermindering van de middelen voor sociale diensten (zoals de afschaffing van sociale steun aan 34 miljoen mensen) en een verhoging van zowel de brandstofprijzen (een stijging met ongeveer 40% voor diesel en benzine) als de voedselprijzen.

Een tiental dagen later, op 8 januari, ontstond in Tunesië een protestbeweging die zich uitbreidde naar alle delen van het land. Dit gebeurde erg spontaan na een oproep onder de hashtag Fech Nestannew (Waar wachten we op?). Ook hier is het protest gericht tegen de stijgende levensduurte. Ook hier is er sprake van een besparingsbeleid opgelegd door de begroting voor 2018. Op het programma: hogere douanetarieven, extra taksen, verhoging van de BTW met 1% en de dreiging van een extra inhouding op het loon van 1%.

In zowel Iran als Tunesië grijpt het regime terug naar repressie. De “Tunesische democratie” die door de westerse leiders als model naar voor geschoven werd, kent al sinds 2015 een noodtoestand. Tussen 8 en 11 januari werden 773 mensen opgepakt. Vorig jaar werden een aantal fabrieken gemilitariseerd door de regering als antwoord op sociale bewegingen in het zuiden van het land. Waar een aantal westerse leiders snel op hypocriete wijze hun steun uitspraken voor de beweging in Iran en tegen de repressie in dat land, werd algemeen gezwegen over wat er in Tunesië gebeurt. Het verschil? Het protest in Tunesië is gericht tegen een bevriende regering uit de westerse invloedssfeer.

De woede komt niet uit de lucht gevallen

Om het massale karakter van deze bewegingen te begrijpen, moeten we naar de bredere context kijken. Zeven jaar na de revolutionaire omverwerping van Ben Ali in Tunesië op 14 januari 2011 is de sociale crisis helemaal niet opgelost. Het is zelfs nog erger geworden, onder meer door de druk van het Internationaal Monetair Fonds (IMF) en de Wereldbank die strenge neoliberale voorwaarden koppelen aan nieuwe leningen voor de overheidsschuld. De mensen zijn de gebroken beloften, de arrogantie en de corruptie van de rijke elite meer dan beu. Ze zien hun eigen levensstandaard steeds verder teruglopen: de levensduurte nam sinds 2011 met 35% toe zonder dat de lonen  en uitkeringen volgden.

Hetzelfde zien we in Iran. “De Iraanse werkenden dromen al vier decennia van een beter leven, maar nu hebben gewone mensen twee of drie jobs nodig om te overleven,” stelde Mehdi Kouhestaninejad, een Iraanse syndicalist die momenteel in Canada woont en actief is in de internationale solidariteitsbeweging voor de rechten van Iraanse arbeiders. “Veel mensen in Iran en in het buitenland zijn misschien verrast door wat er nu gebeurt, maar vakbondsmilitanten waarschuwen al tien jaar voor een opstand tegen de heersende klasse en hun kleptocratie,” voegde hij er nog aan toe (1). “De revolte gaat veel meer uit van de onderlagen dan van de middenklasse.  Het is een uitdrukking van de ellende, de dalende levensstandaard in een samenleving waar de olie-inkomsten nochtans voor rijkdom zorgen en waar corruptie alomtegenwoordig is,” aldus de Frans-Iraanse socioloog Farhar Khosrokhavar. (2)

De betogers klaagden aan dat het regime wel zegt dat er geen middelen zijn, terwijl het tegelijk wel projecten van Hezbollah in Libanon financiert en tussenkomt in Syrië om het regime van Assad te ondersteunen en ook in Irak en Jemen. De regionale politiek wordt niet bepaald door de president, maar door de Revolutionaire Gardes, de conservatieve steunpilaren van het regime. De slogans van de betogers maakten geen onderscheid tussen de zogenaamd ‘gematigde’ president, ayatollah Khamenei of de Revolutionaire Gardes. Dat is een groot verschil met de massabetogingen in 2009.

Hoe gaat het nu verder?

De gelijkenissen tussen Iran en Tunesië springen in het oog, maar er zijn natuurlijk ook grote verschillen. In Tunesië bestaat er een grote vakbondsfederatie, de UGTT, met een grote impact onder de bevolking en meer dan een miljoen leden. Jammer genoeg weigeren de leiders van deze belangrijke sociale kracht stelselmatig om hun gewicht achter het sociaal protest te zetten. De vakbondsleiding heeft er de afgelopen maanden alles aan gedaan om de regering van Youssef Chahed te ondersteunen. Zeven jaar geleden werd Ben Ali omvergeworpen door een reeks regionale algemene stakingen. Waarom niet hetzelfde doen met Chahed, zijn begroting en zijn regering?

Het is mogelijk om een sterk eengemaakt front van verzet op te bouwen met de activisten van Fech Nestannew, de werkenden en hun vakbonden, de werklozenorganisaties en lokale strijdbewegingen. Zoals onze Tunesische zusterorganisatie Al-Badil al-Ishtiraki (Socialistisch Alternatief) opmerkt: “Tenzij de beweging een eigen onafhankelijke politieke uitdrukking opbouwt op basis van de eisen van de revolutie, kan de kapitalistische heersende klasse er steeds in slagen om regeringen op de been te brengen die haar belangen dienen tegen die van de meerderheid van de bevolking in.”

Om te vermijden dat dit steeds opnieuw gebeurt, moeten massale actiecomités opgezet worden in de bedrijven en de wijken om de beweging van onderuit op te bouwen, de politieke strijd te coördineren om de regering ten val te brengen en om de mogelijkheid van een revolutionaire regering voor te bereiden, een regering gevormd door democratisch verkozen vertegenwoordigers van de werkenden, kleine landbouwers en jongeren. Met een democratisch socialistisch beleid op basis van het publiek bezit van de banken, fabrieken, de grond van de huidige grootgrondbezitters en de diensten, kan een radicaal andere toekomst uitgebouwd worden.

Lessen uit revolutionaire bewegingen trekken

Tunesië kent een lange revolutionaire ervaring die zich niet beperkt tot de gebeurtenissen van 2011. Ook in Iran is er een geschiedenis van strijd met de revolutie van 1978-79 en de betogingen van 2009. Ondanks de pogingen van het regime om communicatie over het protest te stoppen, kunnen sociale media en andere kanalen gebruikt worden om informatie te verspreiden, voorstellen voor de strijd te doen en praktische ervaringen uit te wisselen om zo de volgende stappen voor te bereiden. Dat is belangrijk om te vermijden dat de beweging gerecupereerd wordt, zoals dit in 2009 gebeurde door ‘gematigde’ leiders als Rohani die ondertussen hun krediet verloren.

Het ritme van de betogingen en stakingen kan afnemen – dat was althans het geval op het ogenblik dat dit artikel geschreven werd – maar de situatie in Iran is fundamenteel veranderd. Deze ervaring kan de basis leggen voor de heropbouw van een arbeidersbeweging die in staat is om in te gaan tegen het regime, maar ook tegen de manoeuvres van het westerse imperialisme en het kapitalisme. De eerste stappen moeten bestaan uit het bijeenbrengen van de activisten in groepen en comités om de activiteiten te coördineren en om eisen en een programma uit te werken. De linkerzijde moet een dialoog zoeken om een eenheidsfront te vormen als stap naar het opzetten van een massale arbeiderspartij die op democratische wijze werkenden, armen en jongeren bijeenbrengt in de strijd voor een alternatief.

De beweging mag geen illusies hebben in de hypocriete westerse leiders zoals Trump.  Die beweerde de Iraanse bevolking in de strijd voor democratie te steunen, maar heeft tegelijk geen enkel probleem met de dictatuur van bondgenoot Saoedi-Arabië. De zogenaamde alternatieven uit kringen van de pro-westerse Iraanse elite zullen evenmin soelaas brengen. De bevolking kan enkel een betere toekomst afdwingen als ze haar eigen lot in handen neemt. Dan is het mogelijk om de kapitalistische uitbuiting omver te werpen en te bouwen aan een nieuwe samenleving gebaseerd op het publiek en democratisch bezit van de natuurlijke grondstoffen en de productiemiddelen.

Enkel een samenleving geleid door vertegenwoordigers van de werkenden en armen kan een einde maken aan de chronische crisissen in de regio van het Midden-Oosten en Noord-Afrika. Enkel zo’n samenleving kan democratische rechten vestigen en een einde maken aan armoede en onderdrukking op basis van gender, religie of etnische afkomst. Een revolutie van de werkenden in Iran of Tunesië zou de progressieve, democratische en socialistische krachten in heel de regio en de rest van de wereld inspireren om dezelfde weg op te gaan. Het zou meteen ook de steun voor reactionaire islamistische ideeën en krachten ondermijnen.

 

1)            https://theintercept.com/2018/01/06/iran-protests-working-class-rouhani/

2)            http://www.lemonde.fr/idees/article/2018/01/05/en-iran-le-blocage-est-total_5237812_3232.html