Home / 1917 / De verloren revolutie in Finland 1917-1918

De verloren revolutie in Finland 1917-1918

Ondanks de harde onderdrukking door de Russische tsaar bouwden socialisten in Finland aan een krachtige beweging. Er waren stakingsgolven in 1905 en 1906. De Russische revoluties van 1917 maakten een einde aan het tsaristische bewind en creëerden de eerste arbeidersstaat ter wereld. Dit leidde tot een nieuwe golf van massastrijd. De werkenden konden de macht nemen. Een dossier door Per Olsson van Rättvisepartiet Socialisterna (onze Zweedse zusterorganisatie).

De socialistische revolutie in Rusland werd enthousiast onthaald door werkenden en onderdrukten in de hele wereld. Dat was zeker het geval in Finland dat sinds 1809 onder Russische controle stond. Finland was een groothertogdom in het tsaristische rijk dat door de Bolsjewieken als een “gevangenis van nationaliteiten” werd omschreven. Een week na de revolutie begon de Finse arbeidersbeweging een algemene staking en enkele dagen had de arbeidersbeweging de macht in het grootste deel van het land in handen. De staking duurde van 14 tot 19 november 1917 en toonde de kracht van de arbeidersbeweging. De kapitalistische heersende klasse was helemaal geschokt door de gebeurtenissen. Maar uiteindelijk werd de staking afgeblazen op het moment dat een revolutionaire doorbraak mogelijk was. De verzwakte regering kreeg hierdoor tijd om zich te herstellen en wraak voor te bereiden.

De Finse burgeroorlog – een klassenoorlog – van eind januari tot mei 1918 was een direct gevolg van de angst van de kapitalisten voor een verderzetting van de Russische Oktoberrevolutie met een socialistische revolutie in Finland. De contrarevolutionaire Witte Gardes werden ondersteund door het Duitse imperialisme. Ze kregen wapens en 10.000 soldaten waarmee de Finse revolutie werd neergeslagen. De Witte Terreur die beloofde om “de Roden tot paria’s te herleiden” toonde hoe ver de reactie bereid is te gaan. De omvang van het geweld kan enkel vergeleken worden met de bloedbaden waarmee de Commune van Parijs in 1871 werd neergeslagen en waar meer dan 30.000 mensen omkwamen.

In Finland vielen er in 1918 ook 30.000 doden. Daarvan werden er 10.000 geëxecuteerd in de weken na het einde van de confrontaties. Er vielen 13.000 doden in gevangeniskampen die opgezet werden na de burgeroorlog. Bijna 3% van de bevolking, 80.000 mensen, werden gevangengenomen. Wat in Finland gebeurde, geeft ook een beeld van wat er in Rusland zou gebeurd zijn indien de nieuw gevormde Sovjet-republieken het niet hadden gehaald van de Witte contrarevolutionaire troepen, ondersteund door 21 buitenlandse legers, in de burgeroorlog die in 1918 begon.

De furie van de contrarevolutie vormde een hoogtepunt van de crisis die in Finland onmiddellijk na de Februarirevolutie ontstond (maart in de Gregoriaanse kalender) en de val van de tsaar begin 1917. De dramatische gebeurtenissen in Finland 1917-18 brengen enkele lessen die kunnen samengevat worden in de conclusie dat de socialistische revolutie nood heeft aan een partij en een leiding om te winnen.

De opkomende arbeidersbeweging

Rusland en Finland werden op het begin van de 20e eeuw gekenmerkt door organisatie en strijd. In 1899 werd de Finse arbeiderspartij opgezet die in 1903 van naam veranderde naar Sociaaldemocratische Partij (SDP). De SDP werd snel een massapartij. Strijdbewegingen in tsaristisch Rusland en Finland beïnvloedden elkaar. Zo was de Russische Revolutie van 1905 het startpunt voor een uitgebreide strijd voor democratie, nationale zelfbeschikking en sociale hervormingen in Finland. “Op 13 april 1905 betoogden 11.000 arbeiders in Helsinki voor algemeen stemrecht. Dat was de tot dan toe grootste betoging in de Finse geschiedenis. Op de slotmeeting waren er 35.000 aanwezigen.” (“Finland’s Röda Garden” (rode gardes) door Carsten Palmær en Raimo Mankinen).

Eind oktober en begin november 1905 begonnen de Finse arbeiders een algemene staking met verdere stakingsgolven in 1906. In die periode moesten ze eigen verdedigingskrachten opzetten. De kapitalisten en grootgrondbezitters bewapenden zichzelf ook met de zogenaamde ‘beschermingstroepen.’ In augustus 1906 ging een burgerlijke militie over tot een aanval op werkenden op de Hakaniemi markt in Helsinki. In de ogen van de arbeiders ging het voortaan om ‘slachttroepen.’

Als gevolg van deze revolutionaire bewegingen moest het regime van de tsaar toegevingen doen. De oude Finse Diet werd afgeschaft en vervangen door een nieuw parlement waarbij de 200 leden verkozen werden door algemeen stemrecht met gelijk stemrecht voor zowel mannen als vrouwen. Op deze manier werd Finland het eerste land in Europa waar vrouwen konden stemmen, en ook het eerste land ter wereld waar vrouwen zelf kandidaat konden zijn. In 1905 en 1906 was er een snelle groei van de arbeidersbeweging die de beweging naar links duwde: “Tegen eind 1906 was de georganiseerde arbeidersbeweging sterker dan ooit. In 1904 telde de SDP 16.600 leden, in 1906 waren het er al 85.000.” (Finland’s Röde Garden)

De eerste vrije verkiezingen van 1907 waren erg succesvol voor de SDP. Op het partijcongres een jaar voorheen werden stappen naar links gezet en werd een programma aangenomen dat de sociale strijd koppelde aan die voor het recht op nationale zelfbeschikking. De SDP werd de grootste in het nieuwe parlement met 80 zetels. In verhouding tot de bevolking was de Finse arbeidersbeweging op dat ogenblik de sterkste ter wereld.

Tsaristische repressie

De democratische doorbraken en de toegevingen op het vlak van zelfbeschikking werden afgedwongen door de massa’s, maar deze waren niet blijvend. Steeds opnieuw werd de hoop op verregaande sociale verbeteringen en, in het bijzonder, op het einde van gedwongen onderwerping van de werkenden op het platteland en de vreselijke omstandigheden in de landbouw, de kop ingedrukt. Het was onder meer in deze strijdbewegingen dat de jonge sociaaldemocratie werd opgebouwd.

Ondanks het algemeen stemrecht werd het parlement regelmatig gesloten en bestond de grotere autonomie enkel op papier. Het stemrecht bij de gemeenteraadsverkiezingen was nog steeds erg beperkt. Samen met het feit dat de arbeidersbeweging moest vechten tegen aanvallen van zowel het tsarisme als de Finse kapitalisten en grootgrondbezitters, leidde dit tot sterke strijdbare  tradities die na 1905-06 aanwezig bleven, ook al namen de acties vanaf 1907 af. De macht van een bureaucratie en de nadruk op parlementarisme was bovendien niet zo sterk aanwezig in de Finse arbeidersbeweging als in Zweden of West-Europa.

Het tsarisme was uiteindelijk in staat om zijn autoritaire bewind opnieuw te vestigen. Het parlement werd regelmatig ontbonden en Finland werd een verschillende Russificatie-campagnes onderworpen. Het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog in 1914 leidde tot toenemende repressie en een verbod op stakingen. Er werden steeds meer Russische troepen in het land gevestigd, waardoor het in de praktijk onder een Russische militaire dictatuur werd geplaatst. De Finse arbeiders slaagden er wel in om aan de dienstplicht voor het leger te ontsnappen, maar de zonen van de hoogste klassen deden enthousiast dienst als officieren in het Russische imperialistische leger. Een van die Finse officiers was Gustaf Mannerheim die later commandant van de Witte Gardes en de belangrijkste verantwoordelijke voor executies zou worden.

Februarirevolutie in Rusland

In de eerste jaren van de oorlog ging de tsaar over tot investeringen en infrastructuurprojecten in Finland die als doel hadden om een Duitse invasie moeilijker te maken. Dit gaf aanleiding tot een economische groei en verdere industrialisering. Maar er waren ook tekorten aan goederen en de prijzen bleven stijgen. Het gebrek aan goederen leidde tot een erg diepe crisis in de grote steden. In 1917 kwam de oorlogsgroei ten einde en verloren tienduizenden werkenden hun job. Een jaar eerder had de SDP een historische verkiezingsoverwinning geboekt: de partij haalde een absolute meerderheid van 103 zetels in het parlement, dat echter meteen terug ontbonden werd op bevel van de tsaar.

Pas na de Februarirevolutie in Rusland zou het Finse parlement bijeenkomen. De socialistische meerderheid in dit parlement was een directe bedreiging voor zowel de kapitalisten als de grootgrondbezitters in Finland. Het werd uiteindelijk ook een bedreiging voor de Voorlopige Regering in Rusland – die aanvankelijk verwelkomd werd door de werkenden en de armen op het platteland van Finland die zich meteen verenigden met de radicaliserende Russische soldaten. De val van de tsaar leidde tot een offensief van de Finse arbeiders die wilden heroveren wat ze verloren tijdens de oorlogsjaren, maar tegelijk ook opkwamen voor een 8-urenwerkdag en algemeen stemrecht op gemeentelijk niveau.

De nieuwe Voorlopige Regering in Rusland drong aan op de vorming van een coalitieregering in Finland en kondigde aan dat het een niet-soevereine raad zou blijven. De houding van de Voorlopige Regering en de bereidheid van die regering om de oorlog verder te zetten aan de kant van het Amerikaanse, Britse en Franse imperialisme zorgden ervoor dat het snel tot een conflict kwam met de massa’s in Finland, en overigens ook met de Russische massa’s. De partijen van de Voorlopige Regering waren slechts bereid om Finland erg beperkte en voorwaardelijke autonomie toe te kennen. In Rusland stonden de Bolsjewieken alleen in het volledig ondersteunen van het Finse recht op zelfbeschikking, met inbegrip van het recht om een eigen staat te vormen.

De leiding van de Finse SDP was ondanks sterke interne oppositie tegen ‘ministerieel socialisme’ uiteindelijk bereid om een coalitieregering te vormen. Die regering, de Senaat, bestond uit evenveel leden van de burgerij als van de SDP. Langs kapitalistische kant was er echter ook een Russische gouverneur-generaal die een stem had. De coalitie was dus een burgerlijke regering, ondanks de SDP-meerderheid in het parlement.

Staking

In de lente van 1917 waren er verschillende stakingen. De metaalarbeiders waren de eersten die in april het werk neerlegden en aankondigden dat ze het werk enkel zouden hernemen indien ze nog slechts 8 uur per dag moesten werken. “Toen de werkenden in heel wat plaatsen beslisten om de achturendag toe te passen, kon de burgerij daar niets tegenover plaatsen. Het Finse leger was in 1901 door de tsaar ontbonden en de gehate rijkswacht was ontbonden na de Februarirevolutie in Rusland. De burgerij had geen politie of leger, waardoor bijvoorbeeld in Helsinki de gemeenteraad verplicht was om de achturendag op lokaal vlak toe te passen.” (Finland’s Röda Garden). Ook op het platteland gingen werkenden in het offensief voor een kortere arbeidsweek.

Tegen eind 1917 telde de SDP maar liefst 120.000 leden en de Finse vakbondsfederatie Suomen Ammattijärjestö had er 160.000. De nieuwe leden waren doorgaans linkser met een ongeduldige oppositie tegen de bereidheid van de leiding om met het kapitalistische establishment samen te werken. De arbeidersbeweging en de burgerij voerden een beslissende strijd over welke klasse de nieuwe staatsmacht zou vormen na de val van de tsaar. In de steden vormden de arbeidersmilities de nieuwe politiemacht en de kapitalisten moesten zich haasten om beschermingstroepen te vormen waarmee ze de eigen klassenbelangen konden verdedigen.

De Finse kapitalistische klasse vond een bondgenoot bij het Duitse imperialisme dat uitbreiding in het oosten zocht en de controle over Finland wilde overnemen als onderdeel van de oorlog tegen Rusland. Het Duitse imperialisme probeerde de veroveringsdrang natuurlijk te verbergen achter een zogenaamde steun voor Finse onafhankelijkheid. Dat was een lege belofte, maar de Finse burgerij was tevreden dat er militaire steun van de Keizer was voor de poging om een kracht tegen de arbeiders te vormen. Enkele jaren voordien werd een Fins bataljon gevormd en opgeleid in Duitsland om aan de kant van de Keizer te vechten. Zowat 1.000 leden van dit bataljon – na een zuivering van al wie van linkse sympathie werd verdacht – werden begin 1918 naar Finland gestuurd om de contrarevolutionaire Witte Gardes te vervoegen.

Tegelijk ontwikkelde de revolutionaire crisis naar een hoogtepunt in Finland en groeide de invloed van de Bolsjewieken in Rusland en onder de Russische soldaten in Finland. Zij stonden niet zonder redenen bekend als de rode flank van de Russische Revolutie. De SDP-conferentie in juni 1917 werd bijgewoond door Russische activisten van de Bolsjewistische partij en van de rechtse sociaaldemocratische Mensjewieken.

De Bolsjewieken werden vertegenwoordigd door Alexandra Kollontai die “in naam van Lenin de eis voor onmiddellijke Finse onafhankelijkheid steunde en kritiek gaf op de Russische Voorlopige Regering die kleine naties en volkeren bleef onderdrukken. Haar toespraak vond grote steun onder de aanwezigen. De Mensjewistische Lydia Cederbaum kon op veel minder enthousiasme rekenen toen ze verklaarde dat de kwestie van Finse onafhankelijkheid moest geregeld worden door een toekomstige Russische nationale vergadering.” (Tobias Berglund en Niclas Sennerteg, Finska Inbördeskriget – de Finse burgeroorlog)

Op dezelfde conferentie besloot de SDP om de Zimmerwald-beweging te vervoegen. Die beweging had socialistische partijen en activisten bijeengebracht die op socialistische en internationalistische basis tegen de oorlog gekant waren na de ineenstorting van de Tweede Internationale in 1914.

In juli stemde het door de SDP gedomineerde parlement voor de Machtswet waarmee het Finse parlement bevoegd werd voor alle kwesties met uitzondering van buitenlandse zaken en defensie. Dit kreeg enorm massale steun. Tegelijk voerde het parlement de achturendag in en algemeen gemeentelijk stemrecht. De Russische Voorlopige Regering verwierp dit echter en toonde daarmee een vijandige opstelling tegen de Finse roep naar nationale zelfbeschikking.

De Russische regering – een coalitie met de Mensjewieken en de op de boeren gebaseerde Sociaal Revolutionairen – was zelfs bereid om een militaire bewind in Finland op te leggen. Er werden nieuwe troepen gestuurd in plaats van die troepen die volgens de regering-Kerenski ‘onbetrouwbaar’ waren wegens een te grote Bolsjewistische invloed. Maar zelfs de nieuwe troepen zouden al gauw de Bolsjewieken steunen en werden niet het repressie-instrument waar Kerenski op gehoopt had.

De Finse kapitalistische klasse werkte nauw samen met Kerenski. Samen met de hoogste Russische gezant in Finland, algemeen-gouverneur Mikhail Stakhovitsj, stemde de regering voor het ontbinden van het parlement en de intrekking van de Machtswet. Daarmee werd ook een einde gesteld aan de achturendag en het algemeen gemeentelijk stemrecht. Er werden nieuwe verkiezingen gepland in oktober. De SDP-meerderheid in het parlement weigerde zich te onderwerpen aan de dictaten van de Voorlopige Regering en de kapitalistische heersende klasse. Ze namen geen deel aan de marionettenregering van lopende zaken die aan de macht bleef in afwachting van de verkiezingen in oktober.

Naar een burgeroorlog

In de herfst werd de situatie op alle fronten meer gespannen. Er was een tekort aan voedsel en de klassenstrijd nam toe. In 1917 waren er ongeveer 500 stakingen en de arbeidersmilities doken opnieuw op, zeker in de geïndustrialiseerde gebieden in het zuiden van Finland. De grootgrondbezitters en de kapitalisten zetten hun eigen ‘beschermingstroepen’ op die de ruggengraat van het contrarevolutionaire leger zouden worden. In zowel augustus als september 1917 werden er meer dan honderd van die beschermingstroepen opgezet, waardoor ze aanwezig waren in minstens twee derden van de gemeenten in het land.

De SDP verklaarde dat de verkiezingen van oktober onwettig waren, maar nam er toch aan deel. De partij won 60.000 stemmen meer dan in 1916 en bleef de grootste partij, maar verloor de absolute meerderheid en hield 92 zetels over. De partij kampte ook met het probleem dat veel werkenden en armen begonnen te denken dat het niet de moeite was om te stemmen omdat er meer nodig is dan parlementaire zetels om sociale en nationale bevrijding te bekomen.

Er was een ongemakkelijke impasse. De Russische revolutionair Victor Serge beschreef de situatie als volgt: “De Finse arbeidersklasse kon zich moeilijk bij deze verkiezingsnederlaag neerleggen en de Finse burgerij kon bezwaarlijk tevreden zijn met de weinig overtuigende ‘overwinning.’ De kwestie moest buiten het parlement geregeld worden. De burgerij had dit resultaat al lang op voorhand voorzien en bereidde zich bewust voor op een burgeroorlog. Dit was een ontwikkeling die de Finse Sociaaldemocratische Partij, die meer dan 20 jaar eerder opgericht was naar het model van de Duitse sociaaldemocratie, had willen vermijden.” (Het eerste jaar van de Russische Revolutie).

Het nieuwe parlement en de regering waren niet in staat om de bestaande sociale problemen op te lossen. De nadruk lag op pogingen om een burgerlijke staatsmacht te consolideren. Dit leidde onvermijdelijk tot een verdieping van de revolutionaire crisis en het leidde tot steeds meer aanvallen op de werkenden en hun organisaties. Anderzijds werden de verkiezingen gevolgd door een toenemende radicalisering. De arbeidersbeweging begon de kwestie van het opzetten van milities ernstig te nemen als antwoord op het groeiende aantal beschermingstroepen en de Witte Gardes die in opbouw waren. Dit gebeurde jammer genoeg niet op een gecoördineerde wijze, niet als aan bewuste politieke stap als onderdeel van de voorbereiding op een revolutionaire socialistische strijd.

De kapitalisten daarentegen waren zich sinds de herfst van 1917 bijzonder ernstig aan het voorbereiden om de arbeidersbeweging bloedig neer te drukken. Op 3 oktober was er een bijeenkomst tussen de grote kapitalisten en bankiers uit Helsinki en de toekomstige leiding van de Witte Gardes. Op de bijeenkomst werd gesteld dat het land enkel kon gered worden door gewapende krachten. De bankiers beloofden een lening om wapens aan te kopen, de regering zou dit terugbetalen (met belastinggeld) zodra de arbeidersklasse was verslagen. Er kwamen wapens uit Duitsland voor de contrarevolutionaire troepen.

Macht in arbeidershanden

De door de Bolsjewieken geleidde Oktoberrevolutie duwde de Finse arbeidersbeweging verder naar links, zeker aan de basis. Anderzijds was de rechterzijde van de SDP en het steeds twijfelende centrum in de partij gekant tegen een revolutionaire opstand. Ze beweerden dat de tijd niet rijp was of ze waren bang omdat er geen garantie op succes was. In november 1917 was de situatie echter meer dan rijp. Om zelfs nog maar de bescheiden eisen af te dwingen van het programma dat op 8 november naar voor werd geschoven, was een revolutionaire machtsgreep nodig. Die eisen omvatten sociale hervormingen, de achturendag, stemrecht op gemeentelijk niveau, een antwoord op de voedseltekorten en de ontwapening van de beschermingstroepen.

De invloed van de Bolsjewistische revolutie kwam ook tot uiting in de leiding van de SDP en de vakbondsfederatie SAJ. In de Revolutionaire Centrale Raad die ze hadden opgezet, was er steun voor de eis van een revolutionaire machtsovername en de SAJ stelde voorstander te zijn van een revolutie indien het parlement de eisen niet inwilligde. Dit betekende echter dat de algemene staking die door de leiding was uitgeroepen aanvankelijk niet het karakter van een machtsstrijd aannam. Het was eerder beperkt tot een krachtmeting. Dit bleek een rampzalige beslissing die de arbeidersbeweging zou verdelen, ook al bleef de linkerzijde voorzichtig in haar houding tegenover de rechterzijde en het centrum. Het resultaat van dit verkeerde nastreven van eenheid was dat de vleugel die zich tegen revolutie verzette de toon kon zetten.

Tijdens de algemene staking die op 14 november begon, namen de arbeiders in de praktijk grote delen van Finland over. De contrarevolutie beschikte toen nog niet over een militaire overmacht. De kapitalistische klasse was verlamd en verward. De beschermingstroepen konden ontwapend worden. Het parlement en de regering gingen snel over tot de herinvoering van de achturendag en het algemeen gemeentelijke stemrecht. Ze voerden zelfs hun eigen versie van de Machtswet door in een poging om de mobilisaties van de werkenden te stoppen. Zo hoopten ze door hervormingen van bovenaf een revolutie van onderuit te vermijden. Dit mislukte. De algemene staking was erg succesvol.

Het succes van de staking schrok de rechterzijde van de arbeidersbeweging af. Die wilde de staking zo snel mogelijk stoppen. Er werd vooral gezocht naar een manier om het parlementarisme en samenwerking met de burgerij terug op de agenda te zetten. Jammer genoeg was er geen alternatieve leiding om de macht die de werkenden tijdens de vijf dagen van actie hadden veroverd ook te consolideren.

‘De algemene staking is voorbij, de revolutie gaat door!’ Met die slogan werd de staking afgeblazen. Om minstens de indruk te geven dat ze bereid waren om de strijd verder te zetten, werd de belofte gedaan om een ‘rode regering’ te vormen in het parlement. Deze slogan omvatte ook de hoop van de rechterzijde in de SDP om een nieuwe coalitieregering op de been te brengen met vertegenwoordigers van de heersende klasse. De kapitalisten hadden geen interesse in samenwerking met de rechterzijde, omdat ze dachten dat deze niet langer in staat was om de arbeiders, en de milities in het bijzonder, onder controle te houden. De burgerij gebruikte in plaats daarvan de meerderheid in de regering om de contrarevolutie vooruit te stuwen en om de Witte Gardes te vormen. Dit zorgde ervoor dat de regering onder premier Pehr Svinhuvfud steeds meer autoritaire trekjes vertoonde.

Naar een nederlaag

De algemene staking kwam ten einde nadat de SDP-leiding weigerde om een nieuwe arbeidersregering te vormen op basis van de stakingscomités en de arbeiderscontrole die op lokaal vlak ontstond. De eis dat de arbeiders de macht moesten nemen, werd besproken op de Revolutionaire Centrale Raad van 16 november. Aanvankelijk was er een meerderheid voor. Maar onder druk van de rechterzijde werd het uiteindelijk verworpen met één stem verschil.

Enkele dagen later stemde dezelfde raad met een kleine meerderheid voor het einde van de algemene staking. “Het doel van de gematigde socialistische leiders was om met de staking de aandacht af te leiden van de revolutie en in de plaats daarvan een situatie te creëren om verbetering te bekomen doorheen hervormingen. Dit mislukte en de leiding van de partij verloor nog meer de controle over de massa’s.” (Finland 1917-20, Volume 1). De arbeiders hadden de macht effectief in handen, maar de beslissingen van hun leiders gaven de kapitalistische klasse de tijd om zich te herstellen en te bewapenen. Dit had vernietigende gevolgen en het plaatste de dreiging van burgeroorlog op de agenda.

Bij gebrek aan een revolutionair alternatief – zoals dat van de Bolsjewieken in Rusland – kwam het tot een bloedige nederlaag in 1918. Voor het zover kwam, moest de burgerlijke regering van Finland begin december 1917 de onafhankelijkheid van Finland aankondigen. Dat gebeurde uit angst voor zowel de algemene staking als de Russische Oktoberrevolutie. De SDP stemde tegen en kwam met een eigen verklaring waarin het de Sovjet-regering erkende. De onafhankelijkheid werd bekomen door de strijd van de werkenden in Finland en Rusland. Toen de Finse regering de onafhankelijkheid vroeg, werd dit meteen aanvaard door de Sovjet-regering onder leiding van de Bolsjewieken. Die aanvaarding gebeurde op 31 december 1917.

Daarna was het een kwestie van dagen vooraleer de burgeroorlog begon. De arbeidersbeweging was verdeeld met een revolutionaire vleugel die heel wat steun genoot in de grotere steden, in het bijzonder onder de Rode Gardes die aan de controle van de SDP-leiding waren ontsnapt. Na de algemene staking kreeg de heersende klasse echter de tijd om de klassenoorlog voor te bereiden. Dit gebeurde eerst in het grootste geheim. Midden januari gaf de regering de macht over aan Gustaf Mannerheim. Hij kreeg vrije baan om de ‘orde te herstellen.’

De doorbraak van de arbeidersbeweging in Finland is een bron van inspiratie en een krachtig voorbeeld van het potentieel van collectieve strijd. Toen Finland op 6 december de 100ste verjaardag van de onafhankelijkheid vierde, werd er niet op gewezen dat de arbeidersstrijd en de Oktoberrevolutie aan de basis van die onafhankelijkheid lagen. Er werd integendeel verwezen naar de kapitalistische regering en de heersende klasse. Die waren verantwoordelijk voor een enorme historische misdaad: het afslachten van 30.000 werkenden en armen in 1918. Dat mag niet vergeten worden. In de strijd voor socialisme vandaag moeten we de strijd van vorige generaties herdenken en levendig houden. Het is enkel door met de werkenden en de onderdrukten de macht te nemen, zoals in Rusland in 1917, dat de wereld kan bevrijd worden van alle geweld en onderdrukking.

Print Friendly, PDF & Email