Home / Belgische politiek / Nationaal / Van acties naar verkiezingen. De uitdaging blijft: hoe einde maken aan besparingsbeleid?

Van acties naar verkiezingen. De uitdaging blijft: hoe einde maken aan besparingsbeleid?

Betoging 6 november 2014. Foto: Jean-Marie Versyp

In 2014 botste de rechtse regering-Michel meteen op massaal verzet. Betogingen en stakingen gaven aan dat het Thatcheriaanse beleid bijzonder betwist was. De regering wankelde. Zelfs de gevestigde media omschreven Michel als een kamikazepiloot van een instabiele coalitie. Als deze regering het vijf jaar kan volhouden, komt dit vooral omdat de vakbondsacties na de succesvolle algemene staking van 15 december 2014 stilvielen. De regering is maar zo sterk als de oppositie zwak is. Het had anders kunnen lopen. Maar het doorzetten van de acties eind 2014 vergde de durf om de regering weg te staken en de uitwerking van een politiek alternatief.

Edito door Geert Cool uit maandblad ‘De Linkse Socialist’

Vandaag zijn er nog wel acties zoals de betogingen in Charleroi (23 oktober), Luik (21 november) of Antwerpen (4 december) en Brussel (19 december), maar de focus om de rechtse regering weg te krijgen ligt steeds meer op de verkiezingen van 2019. Het FGTB sprak met vertegenwoordigers van PS, Ecolo en PTB over de mogelijkheid van progressieve coalities. Daarbij werd ook de optie geopperd van een Portugees model: gedoogsteun van radicaal-links voor een centrum-linkse regering die het besparingsbeleid afremt. Dat levert de Portugese sociaaldemocratie tijdelijk wat wind in de zeilen op: dit beleid wordt als een verademing ervaren na de harde besparingen. De ruimte voor ‘zachtere’ besparingen is echter bijzonder klein. De komende maanden komen er ongetwijfeld onpopulaire maatregelen.

Het voorstel van Thierry Bodson van het FGTB over progressieve coalities heeft het voordeel dat over een politiek alternatief wordt gediscussieerd. Maar dit mag niet los gezien worden van de vraag wat de inhoud ervan is en hoe we dat afdwingen. Is het de bedoeling om te breken met de besparingen of wordt gegaan voor een ‘light’-versie van hetzelfde beleid? Deze vraag is vanzelfsprekend als we kijken naar de eerdere ervaringen met de sociaaldemocratie en de groenen in federale, regionale en lokale besturen.

Dat we best niet wachten tot de verkiezingen van 2019 om deze regering weg te krijgen, maakt de ploeg van Michel zelf elke dag duidelijk. De ballonnetjes van asociale voorstellen worden afgewisseld met reële maatregelen. De rellen in Brussel werden gebruikt om te pleiten voor harde repressie – hoe verder de politicus van Brussel woont, hoe luider het pleidooi voor repressie. Iets doen aan de sociale voorwaarden is voor hen geen optie. Het enige antwoord luidt steeds opnieuw: repressie. Dat is ook het antwoord op ongenoegen van personeel bij het openbaar vervoer. Zo wordt de minimale dienstverlening bij het spoor erdoor geduwd. Praktisch is het erg moeilijk te realiseren en het kan tot chaos leiden, maar deze chaos zal enkel aangegrepen worden om nog verder te gaan in de beperking van het democratisch recht op collectieve actie. Na het falen van repressie volgt meer repressie.

De vraag naar een alternatief is heel groot. De goede scores van de PVDA in de peilingen bevestigen dit. Deelname aan regionale coalities na 2019 wordt niet langer uitgesloten. Voorzitter Peter Mertens verklaarde dat de partij “bereid is om compromissen te sluiten” en “risico’s te nemen.” Er worden ‘rode lijnen’ aan toegevoegd: “We gaan niet in een regering stappen die de pensioenen of de werklozen raakt zoals dat de voorbije 25 jaar is gebeurd.” Het intrekken van vorige aanvallen, onder meer die van de huidige rechtse regering, wordt niet als breekpunt gesteld. Er wordt evenmin gewezen op de noodzaak van verzet op straat.

De dringendheid om te breken met het besparingsbeleid verhoogt de druk voor coalities en allianties. De PVDA moet daar inderdaad rekening mee houden, vooral door de breuk met het besparingsbeleid te benadrukken. Dat vereist een gedurfde aanpak die vertrekt van wat nodig is en niet van de budgettaire beperkingen. Er is nood aan degelijke contracten in plaats van superflexibilisering, een minimumloon van 15 euro per uur, verlaging van de pensioenleeftijd, arbeidsduurvermindering met behoud van loon en evenredige aanwervingen, een massaal publiek investeringsplan in zorg, onderwijs en infrastructuur, …  Een dergelijk programma botst met de dictaten van de ‘vrije markt’ en vereist een breuk met de logica van de winst.

Een breuk realiseren, kan enkel door mobilisatie en een brede betrokkenheid. Eind 2014 was er op basis van een duidelijk actieplan een eengemaakte beweging in heel het land, van zowel publieke als private sectoren en van alle grote vakbonden. Het zette onze eisen op de publieke agenda. Zo bleek een grote meerderheid in alle delen van het land voorstander van een vermogensbelasting. Een nieuwe beweging zal niet uit de lucht komen vallen. Door de warboel aan ongecoördineerde acties van de afgelopen drie jaar ook onder de noemer ‘actieplan’ te plaatsen, verdween het belang en de rol van het actieplan in 2014 wat naar de achtergrond. Dit betekent echter niet dat alles verloren is: een nieuwe generatie heeft ervaring opgedaan met strijd en leerde de beperkingen van de huidige vakbondskoers kennen. Acties tonen een blijvende bereidheid tot mobilisatie, ondanks het wantrouwen. De onderliggende problemen worden door het afbraakbeleid enkel groter. Alle getuigenissen vanop de werkvloer tonen aan dat de onvrede groeit.

Deze situatie schreeuwt om een programma van radicale maatschappijverandering, voor een democratische socialistische samenleving. Een brede campagne daarvoor met radicaal links, de vakbonden en de sociale bewegingen kan de huidige impasse helpen doorbreken.