Latijns-Amerika en de strijd voor een politiek alternatief

Het proces van revolutie en contra-revolutie is erg duidelijk in Latijns-Amerika. Er zijn snelle ontwikkelingen waarbij een centraal element de zoektocht naar een politiek alternatief is. Dat was een belangrijk gegeven in Argentinië bij de beweging eind 2002, maar is dit evenzeer in Brazilië vandaag. Daar is momenteel een nieuwe partij opgericht, de SOL (Partij voor Socialisme en Vrijheid), als reactie op het aanvaarden door Lula en de PT-leiding van het beleid dat hen opgelegd wordt door het IMF en de Wereldbank.

Het volledige continent bevindt zich in een instabiele situatie. De enige zogenaamd stabiele regimes zijn deze van Chili en Mexico. Zoals Lenin stelde, wordt een ontwikkeling van een revolutionaire situatie voorafgegaan door een periode van splitsingen binnen de heersende klasse. De burgerij kan de situatie op economisch en sociaal vlak niet verbeteren en heeft de afgelopen jaren gefaald. Met het neo-liberaal beleid van de afgelopen 15 jaar heeft de lokale burgerij haar eigen rol opgegeven.

In de jaren ’70 en ’80 was er een reële druk om te gaan naar een Moskou-gezind alternatief op het kapitalisme. Het schipperen tussen kapitalisme en stalinisme was een belangrijk element in de situatie van Latijns-Amerika. Daarbij werd in een aantal gevallen zelfs overgegaan tot het nationaliseren van de grondstoffen. Zo is in Mexico nog steeds in de grondwet opgenomen dat geen enkele regering de olie mag privatiseren.

De privatiseringen van de afgelopen jaren waren nochtans enorm. In Argentinië werd 60% van de overheidsdiensten geprivatiseerd, in Brazilië is dat – ondanks enorm verzet – 70% en in Bolivië is het 51%. Dat privatiseringsbeleid werd echter nooit gesteund door brede lagen van de bevolking. Dit werd erg duidelijk toen de president van Bolivië ontslag moest nemen toen hij probeerde om een deel van de gasvoorraad te verkopen. De bevolking sprak zich daarmee uit tegen de logica van het neo-liberalisme. De beweging in Bolivië werd versterkt door nationale tegenstellingen waarbij de indianen hun rechten opeisen.

Het is duidelijk dat de burgerij geen oplossingen aan te beiden heeft, dat een deel van de middenklasse zich richt naar de arbeidersbeweging en dat het potentieel er is voor een algemene sociale beweging. Die beweging is er echter nog niet en het gebrek aan een subjectieve factor is ook een belangrijk element.

Maar het beleid van de burgerij legt de basis voor een revolutionaire opstand. Er is een extreme polarisatie tussen arm en rijk. In Haïti bedraagt het gemiddeld inkomen zowat 1 dollar per dan. In Brazilië is 2/3 van de bevolking ervan overtuigd dat werkloosheid het belangrijkste probleem van dit ogenblik is. De sociale situatie leidt er zelfs toe dat in bepaalde delen van Brazilië er sprake is van slavernij.

Deze situatie leidt tot een sterke daling van het vertrouwen in de burgerlijke politici. Zo is de steun voor president Toledo in Peru gedaald tot zo’n 5%, een historisch dieptepunt. Er wordt gezegd dat enkel zijn familie en vrienden hem nog steunen.

De burgerij dacht dat het in Latijns-Amerika goede zaken kon doen met een sterk doorgedreven liberalisering. De investeringen kwamen er niet in de industrie, maar om goedkope geprivatiseerde bedrijven op te kopen. Dit leidt er in Chili bvb toe dat nog slechts 15% van de inkomsten uit de grondstoffen in het land blijven en daarvan gaat dan nog een groot deel naar het leger. Intussen stijgt de overheidsschuld in alle landen in de regio. Brazilië moet 50 miljard dollar schulden betalen. Dit zet de regimes onder druk, zo werd in de beweging in Argentinië destijds een kwijtschelding van de schulden geëist.

Regionale conflicten zijn niet uitgesloten. In hun buitenlandse politiek steunen de meeste regimes het imperialisme, zo stuurde Brazilië troepen naar Haïti. In Colombia dreigt er nog steeds een conflict nadat het land het slachtoffer werd van een doorgedreven imperialistische interventie van de VS onder Clinton toen geprobeerd werd de revolutionaire beweging in het land tegen te gaan en tegelijk een bastion te creëren tegen het regime in Venezuela. President Uribe in Colombia is een agent van het imperialisme en heeft een politie-dictatuur gevestigd. Dit leidt er echter niet toe dat de dreiging van sociale bewegingen verdwenen is in het land of dat er geen dreiging meer is van een conflict tussen Venezuela en Colombia.

Venezuela toont aan hoe ver de burgerij bereid is om te gaan. Er zijn reeds verschillende pogingen geweest om komaf te maken met Chavez en daartoe werden verschillende pogingen tot staatsgrepen geweest. In 2002 werd Chavez gered door de spontane beweging van de massa’s. Maar Chavez probeert de tegengestelde krachten te verzoenen in plaats van de lessen te trekken uit het verleden. Momenteel kiest het imperialisme voor de taktiek van een langzame staatsgreep. Daartegenover maakt Chavez geen bocht naar links, de massa’s daarentegen doen dit wel en zetten het regime zo onder druk.

Chavez is afhankelijk van de steun onder bredere lagen van de bevolking, maar is geen socialist. Hij hoopt op een menselijker kapitalisme. Wij moeten daartegenover de waarheid vertellen om de revolutie vooruit te kunnen helpen. Het zal noodzakelijk zijn om massa-organisaties te ontwikkelen, ook al is dat niet direct de praktische optie van Chavez die uit het leger voortkomt. Het opzetten van stevige arbeidersorganisaties en het bewapenen van de bevolking zullen daarbij van cruciaal belang zijn. Dit werd duidelijk in Chili in 1970 toen Allende aan de macht kwam. Chavez heeft extra tijd gekregen omdat Bush en de VS het te druk hadden in Irak, maar na een langere periode dreigen de massa’s vermoeid te raken waardoor er meer ruimte komt voor het imperialisme.

Er moet in Latijns-Amerika gebroken worden met het kapitalisme. Het voorbeeld van Argentinië maakt duidelijk waarom: 50% van de bevolking leeft er in armoede terwijl het land in de jaren 1930 op eenzelfde niveau stond als Duitsland en Frankrijk en een hogere gemiddelde levensstandaard kende dan Spanje. De huidige crisis leidde er tot tal van acties en een reeks bedrijfsbezettingen. Maar bij die bezettingen dreigt het gevaar van isolement, waardoor ze niet ten volle kunnen ontwikkelen.

Daartoe is er nood aan eigen politieke organen. In Brazilië is er een belangrijke stap gezet met de oprichting van de SOL (partij voor socialisme en vrijheid). Het programma van deze nieuwe partij is anti-kapitalistisch en brengt de noodzaak van democratie en socialisme samen. De partij is voornamelijk gebaseerd op verschillende trotskistische groeperingen, maar heeft een grote impact. Dit is belangrijk als antwoord op de houding van de PT in de regering en de toegevingen aan het IMF en de Wereldbank om het beleid van het imperialisme door te voeren.

Momenteel besteedt de PT in Brazilië 54% van de begroting aan de afbetaling van de schulden, onder president Cardoso was dat slechts 42%. Er is hierdoor weinig geld voor een sociaal programma. De werkloosheid neemt toe en er is ook een verdere radicalisatie. Zelfs de katholieke kerk heeft een 1-mei boodschap uitgebracht waarin ze stelden dat er dringend nood is aan meer werk. In totaal werkt 60% van de bevolking in de informele sector. Toen in Rio 1.500 vuilnismannen werden aangeworven, waren er op de eerste dag van de selecties al 15.000 kandidaten voor deze jobs!

De opbouw van revolutionaire krachten in Latijns-Amerika is dringend noodzakelijk om te kunnen inspelen op de snelle ontwikkelingen die er plaatsvinden. De crisis van het neo-liberalisme en de globalisering hebben de bevolking van het continent hard getroffen en er komen meer en meer bewegingen hiertegen. Een beweging op zich zal echter niet volstaan als er geen duidelijke richting aan gegeven wordt om eigen politieke instrumenten op te bouwen en een socialistische programma naar voor te brengen.

Delen: Printen: