Welke weg vooruit in Congo

Het regime van de Kongolese president Kabila wordt in haar voortbestaan bedreigd. Rebellen hebben het land in de tang. In het Oosten naderen ze Kisangani (Stanleystad) en leveren ze slag om Kalemie, in het Westen staan ze voor de poorten van Kinshasa. De parallellen met de gebeurtenissen van goed 2 jaar geleden, toen Kabila’s guerilla diktator Mobutu verjoeg , zijn frappant. Toch zijn er belangrijke verschillen, niet in het minst omdat Kabila nog steeds krediet krijgt van een deel van de bevolking.

Eric Byl, 1998

Kabila’s opmars werd gedragen door het volk

Toen Kabila’s rebellen eind ’96 voor het eerst opdoken in de Kivu-streek, dacht men te maken te hebben met een etnische stammentwist. Zoals vandaag kwamen ook toen de Banyamulenge, Kongolese Tutsi’s, als eersten in aktie. Het Mobutu-regime had er immers haar specialiteit van gemaakt om de onrust onder de bevolking af te leiden naar etnische konflikten.

In oktober ’92 leidde dit nog tot de uitwijzing van 200.000 mensen die voor de onafhankelijkheid in ’60 waren ingeweken om in de mijnen te werken. In ’93 vielen 7.000 doden bij incidenten tussen verschillende bevolkingsgroepen in Noord-Kivu. Op 7 oktober ’96 kondigde Mobutu’s vice-gouverneur van Bukavu aan dat 300.000 Banyamulenge binnen de week het land moesten verlaten. Dit, samen met de aanvallen van extremistische Hutu-vluchtelingen op Zaïrese Tutsi’s, deed de bom bartsen.

Al snel werd duidelijk dat de opstand meer was dan een etnische twist. Intussen waren de Banyamulenge aangesloten bij de op 18 oktober ’96 opgerichte Alliantie van Demokratische Krachten voor de Bevrijding van Kongo-Zaïre (AFDL). Deze alliantie stond onder leiding van Laurent Kabila, tot dan de leider van de PRP (Partij van de Volksrevolutie) en bevatte voorts het CNRD (Nationale Raad van het Verzet voor de Demokratie) van Kissasse, het MRLZ (Revolutionaire Beweging voor de Bevrijding van Zaïre) van Masusu Nindaga en het ADP (Demokratische Alliantie van het Volk).

Algemeen sekretaris van de AFDL werd de Banyamulenge Déogratias Bugera die vandaag door het hooggerechtshof van Kinshasa aangeklaagd wordt wegens hoogverraad voor zijn steun aan de huidige rebellen. De alliantie maakte aanvankelijk weinig indruk. Internationale waarnemers en de media gingen ervan uit dat het niet meer was dan een schaamlapje voor een buitenlandse interventie door Rwanda en Oeganda.

De regimes van beide buurlanden hadden trouwens goede redenen om de grens met Zaïre over te steken. Toen het FPR (Rwandees Patriottisch Front) in ’94 de macht in Kigali (Ruanda) overnam, vluchtten heel wat Hutu’s naar Zaïre. Onder hen ook 30.000 aanhangers van de extremistische Hutu-militie Interahamwe en 40.000 soldaten van de FAR (het voormalig Rwandees leger). Die pleegden op bijna dagelijkse basis aanslagen in Rwanda. Kigali beschuldigde Kinshasa en de internationale gemeenschap ervan hieraan niets te willen doen en dreigde ermee zelf de kampen te zullen opruimen.

Bovendien voerden andere gewapende krachten, o.a. de Alliantie van Demokratische Krachten (ADF) vanop Zaïrese bodem aanvallen uit op Oeganda. Geen wonder dus dat voor beide landen de rebellie van het AFDL en de Banyamulenge een geschenk uit de hemel was dat ze van bij het begin steunden.

Etnische konflikten en steun vanuit Rwanda en Oeganda waren noodzakelijke voorwaarden voor Kabila om zijn offensief te starten en een zekere slagkracht te verwerven. Hetzelfde geldt voor de minder expliciete, maar evenmin onbelangrijke, steun die Kabila kreeg van Burundi, de rebellen van Zuid-Soedan, Angola en vooral de Katangese Gendarmes.

Die steun is echter onvoldoende als verklaring voor de vlotte overwinning van Kabila. Integendeel, ondanks deze steun liet de uitrusting van Kabila’s troepen te wensen over. Wie herinnert zich niet het geschimp over de gummi-botjes waarmee de soldaten van het AFDL waren uitgerust? Aan de uitrusting en de slagvaardigheid van de rebellen was de overwinning geenszins te danken. Gelukkig kwam er, eens de Kivu bezet, nog maar weinig vechten aan te pas.

De haat ten aanzien van het korrupte Mobutu-regime zat zo diep dat niemand het nog voor de diktator wou opnemen. Diens troepen waren niet of onderbetaald, kompleet gedemoraliseerd en sloegen ofwel aan het plunderen alvorens te vluchten ofwel liepen ze over naar Kabila, waar ze wel soldij kregen.

Hier en daar werd erop gewezen dat Kabila’s troepen nog nooit echt gevochten hadden, dat ze door Mobutu’s goedbetaalde en goed uitgeruste elite-troepen, de Speciale Presidentiële Divisie (DSP), gestopt zouden worden. Sommigen beweerden dat Kinshasa , een stad met 6 miljoen inwoners, onmogelijk door Kabila’s slecht uitgeruste troepen kon worden ingenomen. Ze beweerden dat Franse en Amerikaanse troepen klaar stonden om in te grijpen.

Hun fout was dat ze enkel de militaire kant van de zaak zagen en geen oog hadden voor het enthousiasme waarmee Kabila’s «bevrijdingsleger» onthaald werd. Kabila heeft de macht niet veroverd, hij is – eens Kivu «bevrijd» – door de bevolking aan de macht gegooid.

De verwachtingen worden niet ingelost

Op 16 mei ’97, 32 jaar nadat hij door het Westen werd uitverkoren om haar belangen in de regio te behartigen, ontvlucht de doodzieke diktator Mobutu het land. Een dag later trekken de troepen van het AFDL Kinshasa binnen en roept Kabila zichzelf uit tot president van de «Demokratische Republiek Kongo». Kabila staat voor immense uitdagingen: de Mobutu-kliek heeft het land geruïneerd.

Sinds ’88 is de ekonomie met 40% gekrompen. De buitenlandse schuld bedraagt 141% van het BNP. De aflossing ervan slokte in ’91 2/3 van de overheidsuitgaven op, tegen minder dan 2% voor gezondheidszorg en onderwijs. De diensten zijn totaal ingestort. Heel de ekonomie staat in dienst van het Westers imperialisme en de wereldmarkt. Landbouw en infrastruktuur worden echter verwaarloosd.

Dit leidt tot schrijnende tegenstellingen. Zo wordt in de stad Mbuji-Mayi wekelijks ter waarde van 450 miljoen BEF aan diamanten gedolven. Diezelfde stad beschikt echter niet over drinkwater, riolen, elektriciteit, telefoon en ziekenhuis, heeft nagenoeg geen asfaltwegen en slechts één nauwelijks werkende school! Als klap op de vuurpijl zijn de prijzen van koper en goud gedaald wegens overaanbod. Net die inkomsten zouden nodig geweest zijn om de landbouw en de infrastruktuur nieuw leven in te blazen.

Kabila had een beroep kunnen doen op de bevolking om deze ekonomische impasse te doorbreken. Hij had de arbeiders en de arme boeren kunnen betrekken bij het opstellen en toepassen van een plan van heropbouw. Hij had beslag kunnen leggen op de goederen en de gelden van de Mobutu-kliek, niet om de schulden die het korrupt regime gemaakt heeft terug te betalen, maar om een massaal programma van openbare werken op te starten. Hij had de sleutelsektoren van de ekonomie kunnen nationaliseren en plannen in het belang van de massa’s.

Hij had zich kunnen baseren op de brede bevolking door vrije vakbonden toe te staan, door de volkskomitees uit te bouwen en door allerlei sociale projekten (scholen, ziekenhuizen,…). Hij had een staatsmonopolie kunnen instellen dat de uitvoer van de rijkdommen kontroleerde. Op die manier had Kongo onafhankelijk kunnen blijven van het imperialisme, had het de belangen van de bevolking centraal kunnen stellen, zou het een voorbeeld geweest zijn voor heel zwart Afrika en een aantrekkingspool voor internationale solidariteit.

Kabila koos een andere weg. Hij hengelde naar de steun van het imperialistische Westen. Hij sloot kontrakten met mijnmaatschappijen als American Mineral Fields en Anglo American. Grote Belgische investeerders als Texaf – een dochter van Cobepa – George Forrest International, Petrofina en Union Minière werden geen strobreed in de weg gelegd.

Sommigen zeggen: «Kabila had geen keuze. De voorwaarden voor een socialistische planning van de produktie zijn niet aanwezig. Eerst moet er een periode zijn van kapitalistische ontwikkeling, tijdens dewelke een arbeidersklasse gevormd wordt. We zijn nu in het stadium van de nationaal-demokratische revolutie, een stadium waarin de arbeiders, de arme boeren en delen van de nationale burgerij samen de strijd tegen het imperialisme aanbinden.» Deze (stalinistische) theorie van 2 stadia hangt ook Kabila aan: hij wil het grootkapitaal «gebruiken» bij de heropbouw van het land, hij wil naar eigen zeggen: «een sociaal gekorrigeerde marktekonomie».

Het is echter een kapitale fout te denken dat het mogelijk is de produktie zowel op de winst als op de sociale noden van de bevolking te richten. We weten wat kapitalisme vandaag betekent voor de arbeiders en arme boeren in de derde wereld: speciale ekonomische zones waar werkdagen van 16 uur aan een hongersloon de norm zijn. Wie zich niet naar deze norm schikt, maakt geen kans op de wereldmarkt. «Sociaal» kapitalisme behoort zelfs in het rijke Westen steeds meer tot het rijk der fabels, laat staan in een geruïneerd en geplunderd land als Congo.

Kabila probeert zaken te verenigen die niet verenigbaar zijn. Vandaar zijn wispelturig gedrag dat zich uit in het niet of onvoldoende nakomen van zijn overeenkomsten met de mijnmaatschappijen. Vandaar ook zijn dubbelzinnige houding ten aanzien van arbeiders en arme boeren.

Enerzijds is Kabila er (tijdelijk ?) in geslaagd de korruptie terug te dringen, de prijzen te doen dalen en de lonen uit te betalen. Dit verklaart deels het krediet dat hij voorlopig van de bevolking in Kinshasa nog krijgt. Anderzijds werpt Kabila zich op als een moraalridder door «onzedelijke kledij» als mini-jurken te verbieden en «onkuise» muzikanten te censureren. «Papa Kabila» of «Mwee Kabila» noemt men hem in Kinshasa. Dit drukt uit hoe Kabila zichzelf ziet: als leider van de natie die boven de klassen staat. Wij noemen zoiets een diktator.

Een diktatuur was de meest logische uitkomst van Kabila’s machtsovername. Die was immers niet gebaseerd op de bewustmaking en mobilisatie van de bevolking, in het bijzonder de stedelijke bevolking, maar op de militaire discipline van een boerenleger. Indien Kabila al beroep deed op de stedelijke massa’s, dan was dit als steun voor de militaire aktie. Marxisten sluiten guerillataktieken niet uit, maar zoals Lenin benadrukte: guerilla mag hoogstens een hulpmiddel zijn ter ondersteuning van de strijd van de massa’s die de beslissende faktor zijn in de revolutie.

Op kapitalistische basis bestaat er geen uitweg voor de Kongolese massa’s uit de miserie. Kabila’s weigering om te kiezen tussen kapitalisme en socialisme is meteen de reden waarom hij er niet in slaagt de impasse te doorbreken. Zijn onvermogen om af te rekenen met de Hutu-milities in het Oosten heeft al een deel van zijn steun doen afbrokkelen. Dat verklaart het ongenoegen van de Banyamulenge, Museveni (Oeganda) en Kagame (Rwanda) die zich door Kabila in de steek gelaten voelen.

De rebellie kreëert op haar beurt openingen waarvan de oude machten profiteren om hun verloren invloed te herstellen. Vooral bij de rebellen, maar ook aan de zijde van Kabila, duiken oud-Mobutisten op. Frankrijk, dat sinds operatie Turqoise en het verdrijven van Mobutu haar steunpunten in de regio kwijt was, ziet in steun aan de rebellen een kans om opnieuw mee te praten. De VS zijn wat voorzichtiger, maar een verzwakking van Kabila zou ook hen niet slecht uitkomen. China ziet brood in de rijke grondstoffenvoorraad en speciale ekonomische zones.

Kabila heeft beroep gedaan op de Organisatie voor Afrikaanse Eenheid (OAE). Angola en Zimbabwe hebben hun steun toegezegd. Als de rebellen Kinshasa nog niet binnengetrokken zijn dan heeft Kabila dit uitsluitend te danken aan de steun die hij nog geniet bij de bevolking. In plaats van die bevolking te mobiliseren op een socialistisch projekt verkiest Kabila echter de methodes van zijn voorganger: het stimuleren van etnische tegenstellingen. In plaats van de nationaal-demokratische revolutie zou dit wel eens kunnen leiden tot het uiteenvallen van Kongo en de Balkanisering van de regio.

Delen: Printen: