Oostenrijk: is regeringsdeelname een wapen tegen extreem-rechts?

Van waar komt de FPÖ?

De geschiedenis van het FPÖ kent enkele vreemde wendingen. Vrij vlug na Wereldoorlog Twee waren er in Oostenrijk tal van organisaties die teruggaan op de traditie van het nazisme. Opvallend is dat in die organisaties een groot aantal professoren, dokters, advokaten,… actief is. De FPÖ baseert zich op die lagen om bij de oprichting in 1956 een aantal te liberale elementen uit de partij te zetten. De eerste FPÖ-voorzitter was Anton Reinthaller (1956-58). Reinthaller werd in 1938 minister en was lid van de nationale leiding van de NSDAP-Oostenrijk. Ook z’n opvolger als FPÖ-voorzitter, Friedrich Peter (1958-1978), had een nazi-verleden als SS-officier. Onder Peter verklaart de FPÖ dat het bereid is toegevingen te doen. De manier waarop dit aangekondigd wordt is veelzeggend: "We moeten ook met Joden en vrijmetselaars aan een zelfde tafel kunnen zitten" (Express, 9/10/1963). Een jaar later verklaarde hij dat de FPÖ moet openstaan voor zowel liberalen als "nationalen" (een term die veel gebruikt wordt om nationalisten te omschrijven, waarbij de link naar de "nationalen" als nationaal-socialisten nooit ver weg is).

Vanaf de jaren ’70 is er ook in Oostenrijk een verlinksing merkbaar in de maatschappij. Binnen de FPÖ komt dat tot uiting in de versterking van de liberale vleugel, vooral onder de jongeren. De studentenorganisatie van de FPÖ, de "Ringes Freiheitlichen Studenten", valt in studentenverkiezingen terug van meer dan 30% voor de jaren ’70 tot 7% (1979) en in ’87 zelfs tot 2%. Het is opvallend dat ze op studentenvlak nooit meer de oude positie hebben kunnen heroveren en zelfs midden jaren ’90 niet verder kwamen dan 3,5% in studentenverkiezingen (1993). De invloed van de liberale jongeren zorgt ervoor dat er een open machtsstrijd losbarst voor de voorzittersverkiezingen van 1980. De kandidaat van de rechtse vleugel is Harald Ofner. De tegenkandidaat is Norbert Steger, een liberaal. Steger haalt het waardoor de rechterzijde tot oppositie wordt gedwongen.

Naast Ofner zijn de centrale figuren in die oppositie Otto Scrinzi en Jörg Haider. Het zwaartepunt van de oppositie ligt in Karinthië. Tegen eind jaren ’80 verliest Steger aan steun in de partij door verkiezingsnederlagen. Daarnaast begint de rechterzijde binnen de FPÖ zich beter te organiseren en een machtswissel voor te bereiden. De onvrede met de partijleiding van Steger en de sterkte van de Haider-aanhangers werd duidelijk in de stemoproep van de Karinthische FPÖ-afdeling in de presidentsverkiezingen van 1986 waar opgeroepen werd voor de scheurpartij van Otto Scrinzi, de National-Freiheitliche Aktion (NFA). Naar aanleiding van deze verkiezingen wordt Scrinzi uitgesloten uit de FPÖ (maar wordt later opnieuw opgenomen). Scrinzi genoot ook de steun van de National Demokratische Partei (NDP) van Norbert Burger. Scrinzi behaalde slechts 1,2% van de stemmen.

Een belangrijk keerpunt voor de FPÖ was het congres van Innsbrück in 1986. Hier loopt de discussie uit de hand, later wordt duidelijk dat dit voorbereid en georchestreerd werd door een groep die zich "Lorenzer Kreis" noemde en waar o.a. Haider toe behoorde. Op het congres wordt over de liberalen gesproken als "Joden" die beter "vergast" zouden worden… De groep rond Haider haalt nipt een meerderheid waardoor Haider voorzitter wordt. Hij haalt 263 stemmen (59,5%) tegenover 179 voor Steger (40,5%).

De liberalen stappen niet direct allemaal uit de partij, pas begin jaren ’90 is er een volledige zuivering van de partij. Wellicht stond de tendens van Haider in 1986 nog niet sterk genoeg om de volledige machtswissel door te voeren en de liberalen buiten te krijgen. Daarnaast waren er een aantal liberalen die eieren voor hun geld kozen en vlug kant begonnen te kiezen voor Haider. Onder hen bevindt zich huidig FPÖ-parlementslid Helene Partik-Pablé. In 1986 zit de FPÖ in de coalitie maar toch trekt Haider naar de parlementsverkiezingen als oppositie-partij. Met een agressieve oppositie-campagne behaalt Haider vrij vlug, in 1986 nog, een verkiezingsoverwinning en groeit de FPÖ tot 9,7% van de stemmen. Vooral in Karinthië worden hoge scores gehaald. Haider wordt in Karinthië in 1989 zelfs kanselier door een coalitie van de FPÖ en de christen-democraten van de ÖVP. De basis voor deze verkiezingsoverwinningen was voornamelijk een imago van anti-corruptie en anti-establishment. Vanaf 1992-93 wordt ook het vreemdelingenthema boven gehaald, hierrond lanceerde de FPÖ in 1992 een petitie waarvoor een doelstelling van 1 miljoen handtekeningen werd naar voor gebracht (deze petitie strandde echter op 417.000 handtekeningen, de tegenbetoging van 23 januari 1993 op 250.000 deelnemers…).

In 1991-93 vindt een redelijk grote verandering plaats in de FPÖ. Er is sprake van een ‘Haiderisierung’ van de partij. Een overzicht van de uitsluitingen en al dan niet vrijwillige uittredingen is indrukwekkend: Walter Candussi (vice-burgemeester Klagenfurt, ex-vertrouweling van Haider met wie hij in 1982 een geheime schriftelijke overeenkomst maakte om wederzijdse hulp te bieden bij hun carrière in de partij, wegens "bedreiging" van Haider een functie-verbod opgelegd), Norbert Gugerbauer (parlementair, functieverbod opgelegd door de partij zonder duidelijke reden), Friedrich Peter (ex-voorzitter, verlaat de partij omdat hij niet akkoord is met de anti-Europese koers), Kriemhild Trattnig (parlementsvoorzitter in Karinthië, verlaat de partij in ’92 maar wordt opnieuw lid in ’93), een groep van een vijftal meer liberale parlementsleden onder leiding van FPÖ-presidentskandidaat Heide Schmidt, Norbert Steger (ex-voorzitter),…

Het wordt duidelijk dat Haider hierin een cruciale rol speelde en elke mogelijke oppositie in de partij het zwijgen oplegde. Aangezien hij hierbij ook z’n dichtste medestanders, zoals Candussi, laat vallen, wordt angstig gereageerd binnen de partij. Ongeveer terzelfdertijd als de uitsluitingen, wordt een deel van de oude garde neo-nazi’s terug binnen gehaald. In 1987 was er al een eerste poging hiertoe. Op 4/7/87 was er een discussie tussen Haider en Trattnig van de FPÖ en Otto Scrinzi (NFA) en Norbert Burger (NDP). Over deze discussie in Moosburg is niets geweten qua inhoudelijke elementen, behalve dat het over samenwerking ging en dat later Scrinzi opnieuw in de FPÖ opgenomen werd. Wellicht werd er een evaluatie gemaakt van de presidentsverkiezingen van 1986 (kandidatuur Scrinzi), de voorzittersverkiezingen in de FPÖ van 1986 en de parlementsverkiezingen van 1986. Pas vanaf begin jaren ’90 wordt echter duidelijk dat een aantal neo-nazi’s figureren als FPÖ-kandidaten in de verkiezingen. In de Weense gemeenteraadsverkiezingen van 1991 zijn o.a. Dietmar Sulzberger (ex-NDP) en Elmar Dinrberger (ex-Aktion Neue Rechte) kandidaat. In de lokale parlementsverkiezingen in Niederösterreich op 16 mei 1993 zijn Barbara Rosenkranz (vrouw van de beruchte Horst Jakob Rosenkranz) en Hans Jörg Schimanek sr. kandidaat.

Meer militante nazi’s blijven formeel buiten de FPÖ, al is die scheidingslijn niet altijd even duidelijk. Zo figureerde Gottfried Küssel (samen met Gerd Honsik het uithangbord van de skinheads in Oostenrijk en erbuiten) als FPÖ-kandidaat voor de gemeenteraadsverkiezingen in het dorpje Payerbach in 1993. Küssel is voorzitter van de Volkstreue Ausserparlementarische Opposition (VAPO) dat het blad "Sturmfahne" uitbrengt en contacten onderhoud met de VS-organisatie NSDAP-AO. De internationale contacten van de VAPO reiken ook tot bij ons. Zo onderhield Küssel minstens tot eind jaren ’80 (verdere info ontbreekt) goede contacten met Bert Erikkson, Roger Spinnewijn,… Er is ook contact tussen de VAPO en de Duitse terroristische Hoffman-groep (die bij een bomaanslag in München in 1980 een bloedbad met 14 doden aanrichten). In 1982 werd Paul Leroy, de rechterhand van Karl Heinz Hoffman, gearresteerd bij Roger Spinnewijn in Brugge.

Vanaf het voorzitterschap van Haider is de FPÖ enorm gegroeid. Terwijl enerzijds de interne partijstructuur volledig veranderd is en de partij gezuiverd is, werd anderzijds ook de externe retoriek van de rechterzijde gewijzigd. Daar waar voor de jaren ’90 de neo-nazi’s voornamelijk bestonden uit goed opgeleide academici die elitair clubjes vormden, smijt Haider de boel open. Met z’n anti-establishment retoriek haalt hij vooral steun onder de armste lagen van de arbeidersklasse. In ’93 zijn 27% van de FPÖ-kiezers zijn arbeiders, wat ongeveer evenveel is als bij de SPÖ.

De zuiveringsoperatie en de wijzigingen binnen de FPÖ begin jaren ’90 zijn opvallend. Samen met de electorale groei was er een ware transformatie van de partij. Zowel qua thema’s in de propaganda (het opnemen van het vreemdelingenthema) als qua interne werking, waren er belangrijke wijzigingen. De zuiveringsoperatie leidt tot een angstklimaat in de partij op basis waarvan Haider zijn machtspositie versterkt. Anderzijds leidt dit tot een beperking van het aantal topkaders in de partij waardoor interne tegenstellingen gemakkelijker mogelijk worden.

FPÖ aan de macht

Sinds 2000 zit de FPÖ van Jörg Haider in de regering. In 2002 verloor de partij de verkiezingen na een reeks blunders van Haider en na het voeren van een asociaal beleid. De partij bleef echter in de regering zitten en staat vooraan bij de aanvallen op de pensioenrechten en de besparingen in de sociale zekerheid.

In 2002 hoopte Haider om zijn stunt van 1987 nog eens over te doen. Toen slaagde hij er als kersverse partijleider in om zijn partij, die in de regering zat, als dé oppositiepartij te profileren. Dit bleek een succesvolle strategie, de FPÖ van Haider haalde een denderende overwinning. Het versterkte meteen ook de positie van Haider binnen de FPÖ. Haider was met het oppositie voeren tegen de eigen rangen (de eigen ministers) in 1987 niet aan zijn proefstuk toe. Bij de presidentsverkiezingen van 1986 riep de FPÖ in Karinthië, toen reeds een bastion van de rechtervleugel van de FPÖ, op om niet op de FPÖ-kandidaat te stemmen omdat deze te liberaal was. In de plaats daarvan werd opgeroepen voor een kleine scheurpartij, de National-Freiheitliche Aktion (NFA) van Otto Scrinzi.

Bij de verkiezingen van 2002 was duidelijk dat Haider hoopte om opnieuw vanuit het niets tevoorschijn te komen op basis van een oppositie-campagne. Dat hij daartoe de eigen ministers het mes in de rug moest steken, maakte hem blijkbaar weinig uit. Haider verloor hierdoor één van zijn ministers die overliep naar de conservatieve ÖVP. Tot op de verkiezingsdag zelf liet hij zich optimistisch uit. Het resultaat was echter anders dan gehoopt door Haider.

Een aantal burgerlijke kranten jubelde de dag na deze verkiezingen. Na de Lijst Pim Fortuyn werd nu ook de FPÖ van de kaart geveegd, het einde van extreem-rechts is in zicht. Dat is een bijzonder oppervlakkige analyse die geen rekening houdt met de specifieke situatie. Het is niet correct om de LPF zomaar te vergelijken met de FPÖ, laat staan met het Vlaams Blok. De LPF is een onsamenhangend geheel waarbij enkel het populisme aanwezig is, terwijl partijen als de FPÖ en het Vlaams Blok wel een stevige partij vormen ook al lijkt de interne verdeeldheid binnen de FPÖ groter te zijn dan bij het Blok. Het is correct dat ook het FPÖ en het Vlaams Blok op electoraal vlak groot worden door het gebruiken van populistische methoden, maar bij de LPF is die methode een "partij" op zich geworden.

Als er de afgelopen jaren iets aangetoond is in Europa, is het wel dat we voorzichtig moeten zijn vooraleer een extreem-rechtse formatie afgeschreven wordt. Denk maar aan Frankrijk waar het einde van Le Pen enige jaren terug bejubeld werd nadat een groot deel van het partijkader afsplitste om de MNR te vormen onder leiding van Mégret. Bij de presidentsverkiezingen in april stond Le Pen er echter opnieuw. Hoe was dit mogelijk? De burgerlijke media stond met de mond vol tanden. Nochtans was het duidelijk dat de traditionele politici bijzonder gehaat waren door hun beleid dat enkel gericht is op de belangen van de grote bedrijven en de banken, waar enkel de winst telt. Dat daarbij een steeds groter wordende groep uit de boot valt, lijkt de traditionele politici koud te laten. Het is logisch dat velen op zoek gaan naar een alternatief op de gevestigde partijen. Extreem-rechts speelt daar op populistische wijze op in door zich voor te stellen als de echte oppositie. Bij gebrek aan sterke tegenbewegingen op straat die beschikken over een politiek verlengstuk, kan extreem-rechts daar bovendien tot op zekere hoogte in slagen

We mogen niet te vroeg juichen over de ondergang van de FPÖ. Met een regering geleid door de conservatie ÖVP wordt een nieuwe aanval op de werkenden en de armste lagen van de bevolking voorbereid. Als het protest tegen deze aanval niet gekanaliseerd wordt doorheen acties en bewegingen van waaruit aan een politiek verlengstuk gewerkt wordt, kan de FPÖ (of een variant ervan) snel opnieuw groeien. Dat is enkel te vermijden door een sterke en bewuste linkerzijde.

De verkiezingsnederlaag van de FPÖ in 2004 volgde op de grote nederlaag van 2002. Toen viel de partij van 27% in 1999 terug op 10%. In 2004 bleef daar nog 6% van over.

Een aantal asociale maatregelen van de regering omvatten: het opdrijven van het inschrijvingsgeld voor studenten van 0 naar 750 euro per jaar, een aanval op de pensioenen, de bouw van private gevangenissen,…

Door de radicalisatie bij het aantreden van de FPÖ in de regering (er waren betogingen met tot 300.000 deelnemers), werd ook de vakbondsleiding onder druk gezet om acties te organiseren tegen het asociale beleid. Zo was er in 2001 een betoging met 50.000 deelnemers tegen de aanvallen op de sociale zekerheid. In juni 2003 gingen meer dan 1 miljoen arbeiders in staking, de grootste staking in het land sinds de Tweede Wereldoorlog. Zelfs de politie en rijkswacht namen deel aan de protestacties. Een meerderheid van de bevolking steunde de acties, wat uiteraard de vraag deed rijzen van een politiek alternatief op de regering.

De SPÖ probeerde zichzelf naar voor te schuiven als alternatief en ook de Groenen gingen sterk vooruit door het protest tegen de conservatieve regering van christen-democraten en de FPÖ. Het is echter duidelijk dat de sociaal-democratische SPÖ geen antwoord te bieden heeft op het rechtse beleid. Ondanks de poging tot het aanmeten van een linkser imago, was de partij bereid om in 2004 in een regering met de FPÖ te stappen in deelstaat Karinthië, de thuisbasis van Jörg Haider. Daarmee wordt het anti-FPÖ gehalte van de SPÖ doorprikt.

Zonder een echt politiek alternatief is het mogelijk dat de FPÖ terugkeert. Er zijn nu een aantal zware electorale nederlagen geleden na grote bewegingen tegen het asociaal beleid. Maar indien die bewegingen geen politiek verlengstuk krijgen, kan Haider op populistische wijze inspelen op het ongenoegen om dit te kanaliseren als zogenaamde oppositie tegen het huidige beleid. Haider heeft ervaring met het voorstellen van zijn partij als oppositiepartij, ook al zit die in de regering. Hij heeft alvast zijn zuster laten aanstellen als partijvoorzitter om dit werk gemakkelijker te maken. Als Haider kan terugkomen zal dit niet zozeer afhangen van zijn eigen sterkte, maar wel van de afwezigheid van een politiek alternatief dat opkomt voor de belangen van de arbeiders en jongeren.

Delen: Printen: