Werkloosheid: De oplossingen van de traditionele partijen werken niet

Weinig commentatoren zoeken de verklaring voor de score van extreem-rechts op 13 juni bij de problemen rond werk. Dat het kapitalisme zowat alle zekerheden op dit vlak heeft weggeslagen, blijft voor hen een gesloten boek. Nochtans heeft de burgerij al 25 jaar een offensief gelanceerd op dit vlak.

Peter Delsing

1975-’81: begin van de crisis, patstelling tussen arbeid en kapitaal

In 1975 breekt voor België de crisis door. Tijdens dat jaar kent de werkloosheid bijna een verdubbeling: van 96.933 naar 174.484. In volle oliecrisis eisen de patroons de afschaffing van de index, die ervoor zorgt dat de lonen worden aangepast aan de prijsstijgingen. Een systeem van “indexering” dat in België sinds begin jaren ’20 bestond. De vakbonden zullen nog jaren te sterk staan om hier aan te raken. Ook de sterke stakingsbewegingen begin jaren ’70 – heel Europa radicaliseerde na mei ’68 in Frankrijk – had de bedrijfswinsten onder druk gezet. Terwijl de reële lonen tussen ’70 en ’75 stegen met 44%, steeg de productiviteit “maar” met 31%. De winst per eenheid kapitaal werd aangetast.

De overproductiecrisis kondigde zich echter al aan. Ondanks de stijgende lonen in de jaren ’60 en begin jaren ’70 waren ook de investeringen indrukwekkend gegroeid in deze periode. In die mate dat, door de ongelijke verdeling van de rijkdom tussen de kapitalisten en de rest van de bevolking, de groei van de markt de productiecapaciteit niet kon bijhouden.

Tussen 1974 en 1983 groeit de werkloosheid in België van 96.933 naar 545.109. Het antwoord van de regering op deze explosie? Ze doet wat ze in de jaren ’50 en ’60 had gedaan: de vraag Keynesiaans stimuleren door zelf meer geld uit te geven (zie theoretische kader).

Bij de overheid worden in deze periode – van ’74 tot midden jaren ’80 – bijna 200.000 jobs bijgecreëerd. Er wordt massaal geld geleend om “tewerkstellingsprogramma’s” te financieren en industrieën in crisis te subsidiëren. Al deze maatregelen zorgden echter niet voor een daling van de werkloosheid. Ze voorkwamen een nog groter drama.

De burgerij liet de overheid opdraaien voor haar crisis, met oplopende begrotingstekorten (het verschil tussen inkomsten en uitgaven), een loodzware schuldenlast en sterke prijsstijgingen tot gevolg. Tegenover de geldcreatie door de overheid stond geen rendabele productie meer: de faze van algemene expansie was voorbij. In de jaren ’60 was de gemiddelde reële economische groei 4,8%. In de jaren ’70 was dat 3,4%; in de jaren ’80 2% – ondanks de aangroeiende overheidsschuld; in de jaren ’90 zakte dit onder de 2%. Sinds de recessie (economische crisis) in de VS van 2001 zijn de groeipercentages voor de Belgische economie er nog erger aan toe.

1982: het neoliberale offensief

In 1980 zijn er 4 regeringen. De doorbraak voor een harde besparingspolitiek komt er met Martens 5 in 1982. Die neemt tal van besluiten zonder het parlement te raadplegen (de volmachtsbesluiten). In februari ‘82 gaan de vakbondsleiders door de knieën. Vooral ACV-topman Jef Houthuys laat de regering toe om een devaluatie (ontwaarding) van de Belgische frank van 8,5% door te duwen, om zo de export en groei te stimuleren. Dit natuurlijk op de kap van een dalende koopkracht voor de arbeiders. Om de werkende bevolking het mes op de keel te houden wordt de loonindexering meermaals bevroren. Tussen ’81 en ’85 zouden de reële lonen, afhankelijk van de categorie, tussen de 13% en 21% dalen!

Hoe wil de regering de werkloosheid oplossen? De idee is dat de winsten en de concurrentiekracht van de bedrijven moeten worden hersteld. De loonkost moet in deze logica worden gedrukt, om aanwervingen goedkoper te maken. Naast de directe aanval via het bevriezen of gedeeltelijk doorvoeren van de loonaanpassingen (de indexering) was er in ’81 de Maribel-operatie: voor het eerst worden de “patronale bijdragen aan de sociale zekerheid” algemeen verminderd. Dit is dus een aanval op het indirecte loon van de arbeiders bij werkloosheid, ziekte, ouderdom, etc. In deze periode wordt ook de ontwikkeling van de loonkosten in België gekoppeld aan die van de belangrijkste handelspartners, om de “concurrentiekracht” te behouden. De neoliberale politiek zorgt midden jaren ’80 ook voor een doorbraak in de flexibiliteit: beperkingen op deeltijdse arbeid, zondag- en ploegenarbeid, maximale arbeidsduur,… worden weggeveegd.

Een andere maatregel tegen de werkloosheid waren de tewerkstellingsprogramma’s: stages voor jongeren (vanaf ’76), Bijzonder Tijdelijk Kader (’77), Derde Arbeidscircuit (’83), loonkostensubsidies voor KMO’s, later Gesco,… Het gaat om geheel of gedeeltelijk door de overheid gesubsidieerde statuten. Ook de invoering van verschillende stelsels van brugpensioen moest de werkloosheid aanpakken. Deze statuten blijven echter gedeeltelijk afhankelijk van werkloosheidsuitkeringen.

Al deze geschenken aan het patronaat zorgden niet voor een daling van de werkloosheid. Zelfs tijdens de sterkere economische groei van ’86-’89 blijft de reële werkloosheid op hetzelfde niveau (“jobless growth”). De regering vervalst echter de statistieken door schorsing van uitkeringen (bijna 110.000 tijdelijke en definitieve tussen ’83 en ’85) en door oudere werklozen, schoolverlaters, bruggepensioneerden, onvrijwillig deeltijds werklozen, loopbaanonderbrekers,… niet meer in de statistieken op te nemen. Verschillende van die categorieën blijven nochtans afhankelijk van uitkeringen van de RVA.

Als de werkloosheid niet werd teruggedrongen, dan werd toch een andere doelstelling bereikt. De bedrijfswinsten stijgen van 20 miljard BF in ‘80 naar 169 miljard BF in ’87 (in muntwaarde van ’80). In ’87 wordt met de Jobclub de begeleiding van Vlaamse werklozen gelanceerd, en wel onder de slogan: “Er is een baan voor iedereen”. Zwarte humor?

De val van het stalinisme (’89-’92) en zijn effecten op de arbeidersbeweging

Het begin van de neoliberale aanval werd uitgevoerd door uitgesproken rechtse figuren (Verhofstadt, Martens, Thatcher, Reagan,…). Na de val van het stalinisme en het ideologische “vrije markt”-offensief van de burgerij grepen ook de sociaal-democratische leiders hun kans om de afbraak op te voeren. De sociaal-democratie – de SP, en in een trager tempo PS – verliest in de loop van de jaren ’90 volledig haar actieve arbeidersbasis. De LSP beschreef als enige de verschillende stadia van dit proces van verburgerlijking. We trokken er ook politieke conclusies uit: vanaf midden jaren ’90 pleiten we voor een nieuwe, brede arbeiderspartij die alle strijdbewegingen bundelt.

In het kader van het behalen van de Maastrichtnormen, om de euro in te voeren, wordt in 1993 het Globaal Plan opgesteld – een groot besparingsprogramma. De vakbondsleidingen weigeren het volledig weg te staken, uit schrik voor een nog rechtsere regering: het spookbeeld van “baby Thatcher” Verhofstadt.

In het Globaal Plan is rond tewerkstelling het Jongerenbanenplan opgenomen. Net als latere plannen (Rosetta, Activa-plan,…) gaat dit verder in het koppelen van jobs aan vermindering van de “patronale” bijdragen aan de sociale zekerheid. Een recept dat in de jaren ’80 al uitvoerig zijn ondeugdelijkheid had bewezen. In het Globaal Plan wordt met de “bedrijfsplannen” de idee van arbeidsherverdeling verraderlijk gekoppeld aan opgedreven flexibiliteit en – u raad het – verlaging van de patronale lasten.

Maar ook tijdens de boom van de jaren ’90 bleven de uitgaven van de RVA stijgen en daalde de reële werkloosheid maar miniem. De besparingspolitiek van sinds begin jaren ’80 – onder meer met een daling van de reële lonen en uitkeringen – had de koopkracht ondermijnd en de overproductiecrisis alleen maar verergerd.

Wat was de situatie eind jaren ’90? 35% van de loontrekkenden in België zit in een flexibel statuut (nacht-, avond-, weekend-, ploegenarbeid). In ’98 werkt 17,8% van de loontrekkenden deeltijds, tegenover 3% in ’73. Nog maar de helft van de voltijdse aanwervingen is van onbepaalde tijd. Bedrijven met 10% interimmers zijn geen zeldzaamheid meer. Tussen ’93 en ’97 werden 130.000 mensen, vooral vrouwen, definitief van hun werkloosheidsuitkering geschorst. Na het crisisjaar 2001 groeit het aantal mensen dat op een of andere manier werkloos is weer tot boven het miljoen: 25% van de beroepsbevolking. In 1970 was dat bijna 71.000… of 1,9%. De crisis van het kapitalisme is structureel.

En dit terwijl de werkdruk voor wie nog wel werkt, waanzinnig is toegenomen. In de kapitalistische logica is een werklozenleger nodig om de druk op de condities en lonen van de werkenden hoog te houden. Tussen ’98 en 2002 wordt 23% van de Belgen op een of ander moment geraakt door armoede. Tegelijkertijd bezit de rijkste 10% de helft van het vermogen in België (1994).

De “actieve welvaartstaat” (’99): werken voor je uitkering

Met de paarsgroene regering wordt het laten werken van langdurig werklozen en bestaansminimumtrekkers voor hun uitkering – daarvoor reeds ingevoerd met de Smet-banen en PWA’s – een principe. Op die manier moeten hun “beschikbaarheid voor de markt” en hun “arbeidsdiscipline” worden aangescherpt.

Er wordt ook gehamerd op “levenslang leren” en allerlei opleidingen. De indruk wordt gewekt dat het een kwestie is van aan jezelf werken om een job te vinden. De VDAB stelt, in 2003, echter zelf dat er voor elke vacature 6 (officiële) werkzoekenden zijn.

De Europese Top van Lissabon van 2000, die van de EU de meest competitieve regio wil maken van het kapitalisme tegen 2010, wordt een nieuw excuus om werklozen om het even welke nepjob op te leggen. De werkgelegenheidsgraad moet omhoog om op termijn de kosten van de vergrijzing te kunnen betalen en de sociale uitgaven te saneren. Doel is het brugpensioenstelsel te ondergraven en werklozen tegen Amerikaanse normen van flexibiliteit en loonkost op de markt te gooien. Bedrijven moeten zo worden aangezet om bij een economische herleving sneller in jobs te investeren. Het resultaat hiervan kan enkel een immense groei van de kloof tussen arm en rijk zijn, zoals in de VS.

De recepten van de burgerij en haar partijen voor de werkloosheid hebben niets opgelost. Loonlastverlagingen voor de patroons, tewerkstellingsmaatregelen, opgedreven flexibiliteit, competiviteitswetten, het drukken van de nettolonen en uitkeringen, vorming en begeleiding langs alle kanten,… Enkel de werkende klasse moest een voortdurend hogere prijs betalen voor de crisis van dit systeem. Er zit geen bodem in de kapitalistische economie, zolang de arbeidersbeweging de macht niet uit handen neemt van de kapitalistische heersende klasse.

Een collectieve strijd van de arbeidersbeweging voor een arbeidsherverdeling met loonbehoud en bijkomende aanwervingen kan een begin maken met het oplossen van het probleem. We moeten echter ook controle krijgen over de gehele rijkdom in de maatschappij. Enkel in een socialistische, democratisch geplande economie kan werkzekerheid – georganiseerd en gepland door de arbeiders en hun gezinnen zelf – definitief worden veilig gesteld.

Theorie. Van Keynes naar “monetarisme”

Ook de kapitalisten proberen de problemen van de economie in een theorie te gieten. De idee dat elk aanbod zijn eigen vraag creëert – de zgn. wet van Say – lag met de crisis van de jaren ’30 buiten westen. De econoom J.M. Keynes stelt voor dat de kapitalistische overheid een inkomens- en loonpolitiek voert, om in een periode van crisis de vraag te blijven stimuleren. Bijvoorbeeld door massale openbare werken en het geven van een vervangingsinkomen in geval van werkloosheid. Enkel op die manier konden de winsten van de bedrijven op peil worden gehouden en zouden ze opnieuw gaan investeren, waardoor volledige werkgelegenheid mogelijk was.

Dit is de basis voor de New Deal van Roosevelt in de VS, begin jaren ’30. Toch zou het vooral de oorlogseconomie zijn die in die periode de economische groei weer toelaat om zich te herstellen. Door de vernietigingen van WO2 loste het wereldkapitalisme de overproductiecrisis van de jaren ’30 op.

Tot in de jaren ’70 kent de wereldmarkt vervolgens een enorme groei: er is financieel ruimte voor Keynesiaanse “overheidsinterventie”. Door de groeivertraging van midden jaren ‘70 eindigt deze politiek echter in galopperende inflatie. Er zijn andere medicijnen nodig.

De burgerlijke overheid grijpt terug naar de ideeën van Milton Friedman. Reeds in de jaren ’50 had die artikels geschreven waarin de klemtoon werd gelegd op een stricte controle van de geldhoeveelheid in de economie. Friedman stelde in die periode al: “De meeste van de huidige programma’s van de verzorgingsstaat hadden nooit mogen zijn verordend.” Volgens hem creëren ze enkel “afhankelijkheid”. De volledig vrije markt zonder overheidsinterventie en sociale zekerheid wordt verheerlijkt. Privatisering van openbare diensten krijgt een “moderne” bijklank. Anders worden we “lijfeigenen van de staat”. Om een idee van deze waanzin te geven: volgens Professor Deleeck zou in België 40% van de bevolking officieel arm zijn zonder tussenkomst van de sociale zekerheid.

De ideeën van Friedman en andere monetaristen bieden een theoretisch kader aan de neoliberale aanval op onze verworvenheden. Figuren als Friedman waren – ook voor de heersende burgerlijke opinie – in de jaren ’50 en ’60 “extreem”, zelfs “waanzinnig”. Vanaf de jaren ’80 dienen hun ideeën echter de materiële belangen van de heersende kapitalistische klasse. Zo werd een kapitalistische secte de breed in universiteiten en kranten aanvaarde doctrine. Als Frank Vandenbroucke (SP.a) vandaag de “patronale lasten” op seizoenarbeid vermindert (na alle andere rondes van “patronale lastenvermindering”), dan leent hij zijn logica bij de simplistische ideeën van de monetaristen. De “inzichten” van deze school hebben echter evenveel te maken met de reële economie als de Getuigen van Jehova met de evolutietheorie.

Delen: Printen: