Home / Op de werkvloer / Lonen / Na het loonakkoord: sociale vrede tot in 2019?

Na het loonakkoord: sociale vrede tot in 2019?

Ondanks gemor bij een aantal kritische vakbondsleden werd het ontwerp van Interprofessioneel Akkoord (IPA) met een overweldigende meerderheid goedgekeurd door alle vakbonden. Dat was in geen jaren meer gebeurd. Niet dat de loonnorm zo spectaculair was. Maar algemeen werd gevreesd dat een door de regering opgelegde loonnorm nog erger zou zijn. De vaststelling dat werkgevers en vakbonden nog tot akkoorden kunnen komen, leidde al tot de aankondiging dat de Groep van Tien zich ook over het stakingsrecht zal buigen.

Artikel door Geert Cool uit maandblad ‘De Linkse Socialist’

Loonnorm breekt niet met matigingsbeleid

Met 1,1% boven de verwachte indexering zullen onze lonen minder sterk stijgen dan in de buurlanden. De Nationale Bank van België (NBB) wees er in haar jaarverslag over 2016 op dat de koopkracht voor het eerst sinds het uitbreken van de crisis in 2008 terug stijgt, maar nog altijd 4% onder het niveau van 2009 ligt. Dat onze economische groeicijfers lager liggen dan in de buurlanden wijt de NBB aan “de geringere bijdrage van de particuliere consumptie” als gevolg van “de loonmatiging.”

Als de gemiddelde koopkracht in 2016 toegenomen is, komt dit vooral door de toename van het aantal jobs. De NBB spreekt over 59.000 nieuwe jobs in 2016. Hoeveel daarvan deeltijds zijn, is nog niet bekend. Wel is geweten dat er van de 77.311 jobs die er in de privésector bijkwamen tussen oktober 2014 en het tweede kwartaal van 2016 slechts 25.415 voltijds en vast waren. Dat is ongeveer één op drie.

De loonnorm van 1,1% bovenop de verwachte indexering van 2,9% (tegenover een verwachte inflatie van 3,9% op twee jaar tijd), zal niet van die aard zijn om onze koopkracht te versterken. De werkgevers gaan ervan uit dat er in de buurlanden 0,5% meer loonmarge zal zijn. Eigenlijk is dit dus onderhandelde achteruitgang, waarbij de regering klaarstaat om te chanteren met nog meer achteruitgang.

Offensief programma nodig

De regering gaat ervan uit dat de begrotingscontrole eind februari zal meevallen en schept op over economisch herstel. De economische groei blijft echter onder de inflatiecijfers. Bovendien blijven er veel onzekere factoren zoals de Brexit, Trumps protectionisme, de Griekse schuldencrisis of de Italiaanse bankencrisis.

Ondertussen kreunen zowat alle sectoren onder tekorten als gevolg van het jarenlange besparingsbeleid. De periode van rust en ‘sociale vrede’ is dus op wel erg instabiele fundamenten gebaseerd.

Desalniettemin kan een rustiger periode gebruikt worden om de volgende fase van de onvermijdelijke confrontatie tussen arbeid en kapitaal voor te bereiden. Het uitwerken van een stevig alternatief is daar een essentieel onderdeel van. Een offensief programma dat vanuit de bekommernissen van de werkenden enkele speerpunten naar voor schuift zoals arbeidsduurvermindering, vaste en voltijdse contracten, hogere minimumlonen, … kan enthousiasmerend werken en een perspectief van sociale vooruitgang aanbieden. Een project hierrond bediscussiëren op de werkplaatsen en vakbondsbijeenkomsten en actief promoten op publieke plaatsen, zou een uitstekende voorbereiding op nieuwe mobilisaties zijn.

Wil de basis niet mee?

Eind december klonk het bij de christelijke bediendencentrales LBC en CNE nog dat kruimels niet zouden volstaan en dat 3% opslag boven de index het minimum was. Het werd 1,1% en toch werd dit met een grote meerderheid goedgekeurd, ook al was er een significante tegenstem. Het argument: de basis wil niet mee met acties voor meer.

Eind 2014 bouwde het actieplan tegen de regering-Michel een momentum op naar de algemene staking van 15 december. Een momentum blijft echter niet eeuwig duren: er is geen knopje aan de vakbondsbasis om de actiebereidheid op en af te zetten. Het momentum eind 2014 werd verkwanseld, ook al bleven er mogelijkheden. Dit bleek uit de sterke opkomst voor de grote betogingen in 2015 en 2016. Maar ondertussen ging het besparingsbeleid door en groeide ook het wantrouwen in de vakbondsleidingen. De terughoudendheid van de basis is begrijpelijk, de leiding heeft dit aan zichzelf te danken.

In deze context kan een strijdbeweging niet zomaar uitgeroepen worden, het moet degelijk voorbereid worden met democratische betrokkenheid van onderuit om te vermijden dat er uiteindelijk niets gedaan wordt met de enorme inspanningen van de basis. Ook moet er perspectief op reële verandering zijn. Een offensief programma uitwerken en op die basis de discussie aangaan over strategieën om dit effectief te realiseren, is nodig.