Home / Dossier / Gevaarlijke ideën: Kortere werkweek en nationalisatie onder publieke controle

Gevaarlijke ideën: Kortere werkweek en nationalisatie onder publieke controle

Foto: MediActivista

Foto: MediActivista

De schandalen rond belastingparadijzen als de Bahama’s, Panama of dichterbij in Luxemburg en Zwitserland, naar waar de rijkste Belg Alexandre Van Damme emigreert, toonden aan dat er miljarden euro’s beschikbaar zijn. De regering-Michel gaat daar echter niet zoeken naar de middelen om het gat in de begroting te dichten. Neen, de gewone werkenden en uitkeringstrekkers moeten eens te meer betalen. Zoals de Franse schrijver Alphonse Allais met enige zwarte humor opmerkte aan het begin van de 20ste eeuw: “Je moet het geld halen waar het zit: bij de armen. Het klopt dat er niet veel hebben, maar ze zijn met heel heel.”

Zieken, jongeren, gepensioneerden, werkenden, … Niemand wordt gespaard

De grootste besparing wordt doorgevoerd op de sociale zekerheid (1,4 miljard) en meer bepaald in de gezondheidszorg (bijna 1 miljard). Begin dit jaar waarschuwde minister De Block nog dat er bij extra besparingen “gaten dreigen te vallen in de sociale zekerheid.” Het protest tegen de uitspraak van De Wever dat er “enkel in de sociale zekerheid” nog kon bespaard worden, maakt plaats voor het uitvoeren van zijn programma. VBO-topman Timmermans vroeg 1,5 miljard euro besparingen op de sociale zekerheid in de komende drie tot vijf jaar. Zo lang moet hij niet wachten, hij krijgt het meteen. Niet verwonderlijk dat de werkgevers zo enthousiast zijn over deze regering.

Michel zoekt niet alleen geld bij de zieken, hij kijkt ook naar de armen (door te snoeien in de welvaartsenveloppe), bruggepensioneerden die minder pensioen zullen krijgen of zwangere vrouwen die meteen moeten stoppen met werken in een risicovol beroep (waarbij de werkgever 10% van de uitkering zal moeten betalen en dus minder snel zal overgaan tot de aanwerving van jonge vrouwen die zwanger kunnen worden…). Dit alles wordt verkocht met het argument dat wie werkt wint en wie niet werkt verliest. Wat een nonsens!

Gewone werkenden verliezen evenzeer. Bij de minste tegenslag worden ze tot armoede veroordeeld en een tegenslag kan er sneller komen met de opgedreven flexibiliteit door de wet-Peeters. Jonge werkenden moeten niet denken dat ze wat kunnen sparen om op tegenslagen voorbereid te zijn, de huidige minimumlonen voor jongeren vindt deze regering immers niet realistisch en dus gaat dit minimum tot een derde naar beneden!

De lagere lonen voor jongeren zullen gevolgd worden door lagere lonen voor iedereen. Dat is de inzet van de aanpassing van de berekening van de zogenaamde ‘loonhandicap’. In de openbare sector gaat dit bovendien gepaard met een nieuwe afbouw van de pensioenrechten. Nadat de regering het leger voor zowat alles heeft ingezet, worden de militairen ‘bedankt’ met een drastische verhoging van hun pensioenleeftijd. Ook het rijdend treinpersoneel moet veel langer aan de slag. Over de gevolgen hiervan voor de veiligheid op het spoor, wordt uiteraard gezwegen.

Zelfs een beperkte meerwaardebelasting was onaanvaardbaar voor de liberale regeringspartijen N-VA en Open VLD. Zo’n belasting zou het asociale beleid niet recht trekken, maar zelfs de schijn van een pijnlijke maatregel voor de rijksten kon niet. De Wever aarzelde niet om hen meteen gerust te stellen: “speculatietaks weg, arbeidsmarkt flexibeler, concurrentiekracht versterkt. Nu nog vennootschapsbelasting,” twitterde hij.

Volgens Peeters zal dit extra jobs opleveren… Charles Michel beweert bovendien dat het beleid van ‘jobs, jobs, jobs’ vruchten begint af te werpen. Wat is er van deze regeringspropaganda aan? Een kleine fact-check.

‘Oplossingen’ op basis van de markt mislukken

Amper een week na de aankondiging van het jobverlies bij ING stelde premier Michel: “Onze hervormingen beginnen hun eerste vruchten af te werpen, we zullen op dit elan verdergaan. (…) Ten eerste de modernisering van de arbeidsmarkt. Ten tweede de hervorming van de wet van 1996 over de concurrentiepositie en de loonvorming.” Die eerste vruchten bestaan volgens de premier uit de 70.000 nieuwe jobs sinds 2014. Daarbij moet opgemerkt worden dat het Planbureau nog voor het aantreden van de regering stelde dat er bij ongewijzigd beleid 65.000 nieuwe jobs zouden bijkomen. Verder moet niet alleen naar het aantal vruchten gekeken worden, maar ook naar het vruchtvlees. Van die 70.000 nieuwe jobs zijn er slechts 9.000 voltijds! (1)

Ondertussen gingen in 2014 maar liefst 5.830 jobs verloren bij collectieve ontslagen en 28.534 bij faillissementen. In 2015 waren dit er respectief 5.209 en 25.339. (2) De afdankingsmachine draait dit jaar een versnelling hoger: volgens de FOD Werk zijn er in de eerste negen maanden van dit jaar 12.000 jobs bedreigd door collectieve afdankingen. Dat is dus meer dan het totaal van de twee voorgaande jaren samen. In september alleen ging het om meer dan 4.000 jobs met onder meer Caterpillar Gosselies en Douwe Egberts Grimbergen. En dan komen daar nog de jobs bij onderaannemers bij, in het geval van Caterpillar wordt hun aantal op 4.000 tot 5.000 geschat. Oktober was amper gestart of ING kondigde het schrappen van 3.500 jobs aan. Hiermee kennen we de grootste golf van collectieve afdankingen sinds 2012 en de sluiting van Ford Genk (4.300 werknemers).

Goede jobs verdwijnen, rotjobs komen

Volgens de grote werkgevers en hun politieke marionetten moeten we alle heil verwachten van de flexi-security: meer flexibiliteit op de werkvloer om zoveel mogelijk jobs te behouden. Dat is het idee achter de verschillende hervormingen van de arbeidsmarkt in Europa de afgelopen maanden en jaren (denk maar aan de Franse wet-El Khomri of de wet-Peeters bij ons). Deze hervormingen baseren zich op vier grote principes: lagere lonen, gemakkelijker ontslag en veralgemening van interim, decentraliseren van onderhandelingen tussen werkgever en werknemer (anders gezegd: afbouw van collectieve overeenkomsten op nationaal vlak) en tenslotte verlenging van de arbeidsduur.

Op al deze vlakken is Duitsland een rolmodel. Daar waren er in 2003-2005 de Hartz-wetten om hetzelfde beleid op te leggen. De gevolgen waren ernaar: in 2015 leefde 17% van de bevolking op of onder de armoedegrens. (3) Twee miljoen werkenden moeten meerdere jobs combineren om rond te komen. Er zijn zes miljoen voltijdse equivalente jobs in de vorm van mini-jobs aan 400 euro per maand, 27% van de jobs zijn deeltijds. (4) Dit beleid werd door de trojka in Griekenland opgelegd met een verlaging van de zogenaamde loonkosten met 24% tussen 2010 en 2014. De winstmarge op de export nam met 36% toe (5), de werkloosheidsgraad steeg van 12% in 2010 naar 26% vandaag. (6)

Het zal in België niet anders zijn. Volgens de laatste “Solidaris thermometer” (oktober 2016, sociaal-economische gegevens van de Franstalige socialistische mutualiteiten) leeft één op de zeven werkenden in dit land in armoe en 40% heeft het moeilijk om de eindjes aan elkaar te knopen. Ondertussen neemt de werkdruk toe. Dit leidt tot een verdrievoudiging van burn-outs en depressies tussen 2007 en 2014. Maar liefst 64% van de werkenden verklaart stress op het werk te kennen.

Volgens de gegevens van sociaal secretariaat SD Worx werkten in het eerste kwartaal van dit jaar 482.000 mensen vier vijfden. Dat is een verdubbeling sinds 2000. Zeker onder jongeren is er een explosie: + 69% tussen 2008 en 2015 bij jongeren onder de 30 jaar. (7) De commentatoren zien achter die cijfers een groots discours over jongeren die de “combinatie tussen werk en sociaal leven” maken, maar het gaat om een direct gevolg van de toename van het aantal deeltijdse jobs (in feite vooral van deeltijdse lonen). Welke toekomstperspectieven hebben jongeren onder die omstandigheden?

 

Kortere werkweek zonder loonverlies en met bijkomende aanwervingen

De forse toename van het aantal deeltijdse jobs leidde tot de stelling dat ‘vier vijfden’ het nieuwe voltijds is voor jongeren. Er is anders gezegd een inkorting van de werkweek, maar dit gaat gepaard met loonverlies en de werkdruk is niet noodzakelijk lager dan bij een 38-urige werkweek. Met de wet-Peeters dreigt dat al helemaal niet het geval te zijn. Daar tegenover stellen wij de eis van een collectieve arbeidsduurvermindering met loonbehoud en bijkomende aanwervingen. Het is geen toeval dat die eis een opmars kent.

Volgens de laatste cijfers van het Instituut voor Duurzame Ontwikkeling wordt er momenteel gemiddeld 1.440 uur per jaar per werknemer gewerkt. Dat komt neer op ongeveer 30 uur per week. Er is dus een arbeidsduurvermindering, maar deze gaat ten koste van de lonen van de werknemers. Terwijl sommige mensen tot ellende veroordeeld worden omdat ze geen werk vinden, worden anderen als citroenen uitgeperst. Ondertussen levert een uur werken vijf keer zoveel waarde op als 30 jaar geleden…

Welke inkorting van de werkweek?

In Frankrijk werd in 2000 overgestapt naar een 35-urenweek. Volgens onderzoeksbureau Poliargus werden hierdoor ongeveer 350.000 jobs gecreëerd. Maar er wordt ook gewezen op de stijgende werkdruk en het aantal overuren waarmee de impact van de maatregel beperkt wordt.

Dat is waarom in de discussie nadruk wordt gelegd op een vierdagenweek of een werkweek van 32 of 30 uur. Een vierdagenweek moet ervoor zorgen dat de arbeidsduurvermindering gepaard gaat met bijkomende aanwervingen en niet met een verhoging van de vaak reeds onhoudbare werkdruk.

Hoe deze kortere werkweek doorvoeren?

Dit is het voorwerp van een levendig debat. Sommigen, zoals de Franse econoom Pierre Larrouturou, stellen dat de sociale zekerheid moet bijspringen om nieuwe lastenverlagingen aan de werkgevers te geven om hen te overtuigen. Anders gezegd: het indirecte loon van de werkenden moet aangesproken worden voor deze arbeidsduurvermindering. Ondertussen is het aandeel van de totaal geproduceerde waarde dat de kapitalisten zichzelf toe-eigenen toegenomen tot 57% van het BBP in 2006. Ons land bevindt zich daarmee in de top 15.

Wij denken dat het onaanvaardbaar is om een loonsverlaging in ruil voor een arbeidsduurvermindering te aanvaarden. Het debat gaat immers over de controle op de door ons geproduceerde rijkdom.

De grootste overwinningen inzake de arbeidstijd werden niet behaald door onderhandelingen en overleg. Zo werd de 8-urendag in 1921 wettelijk vastgelegd na harde stakingen en strijd door de werknemers. Als de arbeidersbeweging toen had gewacht tot de gevestigde politici met een “realistisch en pragmatisch” voorstel waren gekomen, dan werkten we nu nog steeds allemaal meer dan 10 uur per dag. Het enige pragmatische aan een eis is de krachtsverhouding waarop deze gebaseerd is in de samenleving.

De vroegere arbeidsduurverminderingen werden door de kapitalisten beantwoord met onder meer een groeiende rationalisatie van de productie en veralgemening van nieuwe productiemethoden. Hierdoor zijn we in minder uren meer gaan produceren. Een arbeidsduurvermindering moet dan ook gepaard gaan met controle van de werknemers en de gemeenschap op de productie.

 

Nationalisatie onder controle en beheer van de werkenden en de gemeenschap

Maatregelen als een algemene arbeidsduurvermindering zullen de werkgevers uiteraard niet enthousiast stemmen. Ze zullen dreigen met delokalisatie en sluiting van vestigingen. De enige manier om daarop te antwoorden is zoals bij andere gevallen van collectieve afdankingen: strijden om het bedrijf in publieke handen te nemen onder controle en beheer van de werknemers. Deze nationalisatie moet zonder schadeloosstelling, tenzij op basis van bewezen behoeften.

Wat is een nationalisatie?

Het privaat bezit van de voornaamste sectoren van de economie (financiewezen, distributiesector, staal, energie, …) is een fundament van het kapitalistische systeem. Alle rijkdom wordt geproduceerd door werkenden, maar zij krijgen dit niet terug als loon. Voor de kapitalistische klasse is productie enkel gericht op het maken van winsten.

Een nationalisatie brengt de economische macht in publieke handen. Om een bureaucratisch wanbeheer te vermijden, moet dit gebeuren onder het beheer en de controle van de werkenden zelf. Hiermee wordt de basis van het systeem ondermijnd. Voor het kapitalisme is het dus een kwestie van leven of dood om dergelijke nationalisaties tegen te houden.

Betekent nationaliseren automatisch een breuk met het kapitalisme?

Neen. De kapitalistische klasse kan zelf gedwongen zijn om te nationaliseren om de beperkingen en tegenstellingen van het eigen systeem te overbruggen. Dat zagen we met de crisis van 1929 of recenter met de crisis van 2008. De overheden beslisten toen om enkele grote banken te nationaliseren om een volledig bankroet van het systeem te vermijden. Het hangt er natuurlijk van af welke nationalisatie er is en wat het doel ervan is.

Tussen 1945 en 1973 was er in Europa een consensus dat strategische diensten en industriële sectoren in publieke handen waren. Het was normaal dat de overheid in de economie tussenkwam om de kapitalistische klasse bij te staan in de concurrentie met buitenlandse kapitalsiten. Het gewicht van de georganiseerde arbeidersklasse (zowel op syndicaal als op politiek vlak) speelde eveneens een belangrijke rol. Nationalisaties waren dan een centrale eis van linkse partijen. In Frankrijk ging president Mitterand in 1982 over tot de nationalisatie van 39 banken, vijf industriële groepen en twee financiële bedrijven.In 1983 was één op de vier Franse werkenden actief in de publieke sector. De tendens keerde snel, ook in Frankrijk kwam er snel een besparingsbeleid en stapte de PS van Mitterand mee in de neoliberale contrarevolutie van Reagan en Thatcher.

Bij die nationalisaties was het doel nooit om uit het kapitalistische kader te treden.

Hoe zou een nationalisatie onder controle en beheer van de werkenden eruit zien?

Proximus en Bpost zijn voorbeelden van publieke bedrijven waar de overheid slechts één van de vele aandeelhouders is. Ze hebben nog maar 51% van de aandelen en de economische activiteiten wordt volledig gedaan zoals in private bedrijven.

Er waren in het verleden ook andere methoden van bedrijfsvoering, zoals het “medebeheer” van vakbonden en werkgevers. Dit was vooral in de jaren 1970 populair, maar recent kwam de PS er opnieuw mee naar buiten. Het is een illusie dat er “sociale democratie” mogelijk is door de vakbonden mee te betrekken in het kapitalistische beheer van een bedrijf, doorgaans met een directe en indirecte vorm van corruptie ten aanzien van de hoogst geplaatste vakbondsvertegenwoordigers. Het Duitse schandaal uit 2007 met vakbondsleiders die bij het “medebeheer” van Volkswagen betrokken waren en miljoenen euro’s achterover sloegen, toont de beperkingen. “Medebeheer” is niet hetzelfde als controle van de werknemers op het bedrijf. Het dient vooral om de controle van de werkgevers op de vakbondsleiders te vergroten.

Wij staan voor een nationalisatie onder controle en beheer van de werkenden. Het doel is niet om de controle van de kapitalistische klasse te behouden of mee te beheren, maar om de heerschappij van de grote aandeelhouders te breken.

Arbeiderscontrole betekent dat er bedrijfscomités gevestigd worden met democratisch verkozen vertegenwoordigers van de werknemers, de vakbonden en de gemeenschap in het algemeen (onder meer de lokale gmeenschap en de consumenten). Deze comités moeten elk onderdeel van de activiteiten van een genationaliseerd bedrijf onderzoeken en controleren. Het ‘zakengeheim’ wordt opgeheven zodat elke werknemer toegang heeft tot alle gegevens over het functioneren van het bedrijf en de sector.

Deze comités zouden bepalen hoeveel middelen ingezet worden, waar er geïnvesteerd wordt, … Een directe betrokkenheid van de werknemers in het beslissingsproces moet er ook voor zorgen dat het economisch proces op hun belangen gericht is. Zelfs managers en kaders kunnen overtuigd worden om in een dergelijk kader te werken, het zou ook hun werkomstandigheden verbeteren.

Hoe kunnen we dit bekomen?

We moeten een krachtsverhouding uitbouwen op basis van de collectieve kracht van de arbeidersklasse. In het geval van een bedrijf dat met sluiting of collectief ontslag bedreigd wordt, kan bijvoorbeeld begonnen worden met een bedrijfsbezetting als eerste stap naar een onteigening. De stakerscomités of strijdcomités kunnen op termijn omgevormd worden tot comités voor het beheer van het bedrijf onder controle van het personeel zelf, zonder de grote aandeelhouders en hun marionetten in het bedrijf.

Vanuit een bedrijfsbezetting kan zowel het betrokken personeel als de actieve solidariteit van de bevolking georganiseerd worden. Doorheen deze strijd kan de eis van nationalisatie afgedwongen worden. Indien de sleutelsectoren van de economie in publieke handen staan, kunnen we de economie rationeel organiseren met een democratisch uitgewerkt project van geplande economie.

Zijn nationalisaties in het verleden niet mislukt?

Bij elke mislukte nationalisatie ontbrak het cruciale element van controle en beheer door de werkenden en de gemeenschap. Ook de Sovjet-Unie was dit het geval. Het kapitalisme werd met de revolutie van 1917 dan wel aan de kant geschoven, maar de stalinistische contrarevolutie (op basis van het isolement van het achtergebleven land) leidde tot een bureaucratische dictatuur in plaats van een levendige democratie van comités van werkenden en landbouwers.

Arbeidersdemocratie is geen optie, maar een noodzakelijk element. Na de Russische revolutie van oktober 1917 legde Lenin daar steeds de nadruk op. Hij riep de werkenden op om de zaken zelf in handen te nemen. Nadien analyseerde Leon Trotski de opmars van een bureaucratisch geplande economie onder het stalinisme. Hij stelde in de jaren 1930 dat een “geplande economie nood heeft aan democratie zoals een menselijk lichaam zuurstof nodig heeft.” Arbeiderscomités moeten daar een centrale rol in spelen, het zijn de massa-instrumenten van de arbeidersdemocratie.

Uiteindelijk moet de volledige economie onder de controle en het beheer van de werkenden geplaatst worden om met een geplande economie de chaos van de markteconomie te vervangen. Dat is wat socialisme betekent. Zonder zo’n volledige breuk met het systeem, zullen alle overwinningen slechts tijdelijk zijn en zullen de kapitalisten steeds opnieuw de druk opvoeren om op toegevingen terug te komen.

 

VOETNOTEN

(1)          De Standaard, 7 oktober 2016.

(2)          SPF Emploi, ‘‘Statistiques relatives aux pertes d’emploi en Belgique en 2015’’, http://www.emploi.belgique.be/defaultNews.aspx?id=44762

(3)          Eurostat, aangehaald door http://www.francetvinfo.fr/replay-radio/le-vrai-du-faux/moins-de-chomeurs-mais-beaucoup-plus-de-pauvres-en-allemagne_1779393.html

(4)          Eurostat

(5)          http://alencontre.org/europe/grece-une-economie-dependante-et-rentiere.html

(6)          http://www.cadtm.org/Les-reformes-du-droit-du-travail

(7)          http://www.levif.be/actualite/belgique/emploi-le-quatre-cinquiemes-temps-en-plein-essor/article-normal-561111.html

(8)          http://rue89.nouvelobs.com/2013/12/22/pierre-larrouturou-nouvelle-donne-peut-tout-changer-an-deux-248408