Franse verkiezingen: Raffarin weggestemd

De rechtse regering van Chirac en Raffarin kende een belangrijke politieke nederlaag bij de lokale verkiezingen. Hun rechtse UMP zag haar stemmenaantal dalen tot 36%.

Dave Carr

De grootste overwinnaar was de Parti Socialiste die in 21 van de 22 regio’s won. Samen met de Groenen en de Communistische Partij behaalde de PS 50% van de stemmen (een vooruitgang met 10% sinds de eerste ronde). Premier Raffarin werd verder vernederd door de afgang van zijn partij in zijn eigen regio Poitou-Charante. Het extreem-rechtse Front National kreeg 13% van de stemmen, een daling met 3% sinds de eerste ronde. Door de hogere opkomst bleef het totaal aantal FN-kiezers wel stabiel.

Het verkiezingsresultaat was echter geen duidelijke goedkeuring van de politiek waar de PS voor staat. Het was eerder een weerspiegeling van de woede van de kiezers tegenover de neo-liberale hervormingen van de regering: de besparingen in de gezondheidszorg en de sociale zekerheid, privatiseringen, deregulering van de arbeidsmarkt en de aanvallen op het onderwijs en de pensioenen.

Het was dit beleid dat vorig jaar leidde tot massale bewegingen van vakbondsmilitanten, waaronder de leraars, arbeiders in de gezondheidszorg, spoorarbeiders, ambtenaren,… en ook een aantal arbeiders in de privé-sector.

Ondanks de zware nederlaag voor de regering, kondigde UMP-leider Alain Juppé onmiddellijk na de verkiezingen aan dat de ‘hervormingen’ zouden verdergezet worden. Dit zal leiden tot confrontaties tussen de regering en de vakbonden.

Een heropleving van de sociaal-democratie?

In de media wordt gesproken over een eventuele heropleving van de sociaal-democratische partijen in Europa. Er wordt daarbij gewezen naar de recente overwinning van de PSOE in Spanje en nu de PS in Frankrijk.

Dit argument gaat echter niet op. Het verklaart niet waarom in Griekenland de heersende PASOK-partij een nederlaag leed ten voordele van de conservatieve partij ‘Nieuwe Democratie’ bij de recente algemene verkiezingen. Het verklaart ook niet waarom de Duitse kanselier Schröder en diens SPD bij recente regionale verkiezingen een nederlaag leed.

Bovendien kan dit argument ook geen antwoord bieden op de vraag waarom de PSOE eerder een nederlaag werd toegebracht door de conservatieve Partido Popular van Aznar in 1996 na 14 jaar regeringsdeelname, of waarom de Franse PS met premier Lionel Jospin in juni 2002 een nederlaag leed.

De PS en de PSOE kunnen als oppositiepartijen gebruik maken van de problemen waarmee de heersende partijen geconfronteerd worden. In Spanje werd Aznar afgestraft voor zijn nauwe banden met Bush en Blair in de oorlog tegen Irak. In Frankrijk werd Raffarin verslagen door het asociale beleid van de regering in een periode van economische crisis en hoge werkloosheid. Zelfs de PS-gezinde krant Libération stelde dat de overwinning van de PS eerder een proteststem tegen de regering weerspiegelde.

De sociaal-democratische partijen in Europa hebben reeds lang het idee opgegeven om te vechten voor socialisme en hebben zelfs komaf gemaakt met de idee dat het systeem moet hervormd worden in het belang van de arbeidersklasse. Hun politieke agenda wordt nu bepaald door de grote bedrijven en de banken.

Deze draai naar rechts van de voorheen traditionele arbeiderspartijen heeft geleid tot een enorm vacuüm ter linkerzijde. In Frankrijk leidde dit tot mogelijkheden voor LO en LCR, twee organisaties die zichzelf trotskistisch noemen. Bij de presidentsverkiezingen van 2002 haalden ze bijna 3 miljoen stemmen. Maar, sindsdien hebben ze niet echt het potentieel volledig benut door een stevige alternatieve nieuwe arbeiderspartij te helpen lanceren. De vorige verkiezingssuccessen werden niet herhaald waardoor ze nu niet voorbij de eerste ronde raakten.

Delen: Printen: