Aanslagen in Madrid: “Het is jullie oorlog, maar het zijn onze doden”

"Jullie oorlog – onze doden" stond er op een spandoek op een betoging in Madrid vorige zondag. Het was een weerspiegeling van wat er leeft onder miljoenen mensen in Spanje in de dagen na de verschrikkelijke aanslagen in Madrid waarbij meer dan 200 doden vielen en 1.400 gewonden.

Tony Saunois

Meer dan 12 miljoen mensen namen de dag na de aanslagen deel aan betogingen. Enkele uren later namen tienduizenden opnieuw deel aan spontane betogingen in Madrid en andere steden. Nu had de sombere sfeer plaats geruimd voor woede en bitterheid tegenover de regering van José Maria Aznar en diens partij, de Partido Popular (PP). De aanslagen en de daaropvolgende verkiezingsnederlaag van de PP betekenen een politieke schok die enorme gevolgen kan hebben in heel Europa, de VS en internationaal.

Aznar’s rechtse conservatieve Partido Popular probeerde de aanslagen uit te spelen voor eigen electorale doeleinden. Door de schuld voor de brutale aanslagen te leggen bij de Baskische nationalistische para-militaire organisatie ETA en het achterhouden van informatie, hoopte de PP dat ze zouden kunnen vermijden dat de schuld bij henzelf gelegd werd. Aznar was immers een enthousiaste aanhanger van de oorlog in Irak.

Wij zijn altijd tegen de imperialistische oorlogen tegen Irak, Afghanistan en andere landen geweest. Die oorlogen hebben het leven gekost van tienduizenden arbeiders, boeren en anderen. Wij veroordelen de aanslagen in Madrid. Dergelijke methoden verzwaren enkel het lijden van de arbeidende bevolking en vormen geen uitdaging van ‘leiders’ zoals Aznar of het kapitalisme dat aan de basis ligt van de miserie in deze wereld. Socialisten hebben niets gemeen met reactionaire rechtse groepen zoals Al Quada.

Naast de poging om de verantwoordelijkheid weg te schuiven van de regering en haar steun aan de oorlog, door de ETA verantwoordelijk te stellen, hoopte de PP ook om haar harde politiek te rechtvaardigen tegenover de toenemende eisen voor meer autonomie in Baskenland, Catalonië en andere regio’s.

Aznar werd daarbij gesteund door de VN Veiligheidsraad die inging op het verzoek van Aznar om de ETA op de dag van de aanslagen nog te veroordelen voor die aanslagen. Resolutie nummer 15 werd enkele uren na de bomaanslagen aangenomen en "[veroordeelt]… ten stelligste de bomaanslagen in Madrid, Spanje, uitgevoerd door de terroristische groep ETA…"

De arbeiders en jongeren in Spanje legden zich niet neer bij de poging tot manipulatie door de regering.

Manipulatie keert zich tegen PP

De pogingen van de PP om onduidelijkheid te creëren over wie verantwoordelijk was voor de aanslagen in Madrid heeft zich sterk tegen haar gekeerd. Betogers kwamen op straat en trokken naar de secretariaten van de PP toen duidelijk werd dat Al Quaeda wellicht verantwoordelijk was. Abdu Dujan al-Afghani, de militaire woordvoerder van Al Quaeda in Europa heeft de verantwoordelijkheid opgeëist.

Als gevolg van deze situatie kende Spanje een politieke omwenteling met het naar huis sturen van een regering die enthousiast de oorlog tegen Irak steunde. De nederlaag van de PP zal een impact hebben en schrik aanjagen bij Blair (Verenigd Koninkrijk), Bush (VS) en Howard (Australië). Die zullen zich afvragen of ze hetzelfde lot zullen ondergaan als Aznar, een persoonlijke vriend van Blair. Diegenen die de oorlog steunen, stellen nu dat de Spanjaarden toegeven aan het terrorisme. Bronwen Maddox, de buitenland-redacteur van The Times stelde dat het erop lijkt dat het "… niet correct is om, zoals tegenstanders van de oorlog enthousiast doen, te stellen dat de resultaten van zondag een overwinning van de democratie waren." (The Times, London, 16/3/04).

Dit is een onderdeel van een internationale campagne van de ‘neo-conservatieven’ rond Bush, Blair en de Australische premier Howard, om tegen de verkiezingsresultaten van Spanje in te gaan onder de beschuldiging dat toegegeven wordt aan het terrorisme. In realiteit heeft een meerderheid van de Spanjaarden duidelijk gemaakt dat ze tegen de oorlog waren, maar ook dat ze tegen terroristische aanslagen zijn.

De kapitalistische heersers en hun woordvoerders hebben er natuurlijk moeite mee om zich neer te leggen bij het feit dat een pro-oorlogsregering aan de kant gezet is door de Spaanse bevolking, die sterk tegen de oorlog gekant waren en woedend waren omwille van de pogingen van de regering om de aanslagen dermate te manipuleren om er voordeel uit te halen. De opmerkingen van commentatoren die de verkiezingsuitslag op arrogante wijze afkeuren doen denken aan de ironische opmerkingen van Bertholt Brecht die suggereerde dat de Stalinistische regimes misschien beter een nieuw volk zouden verkiezen als het volk niet juist koos bij verkiezingen.

Het Spaanse dagblad El País, begreep de situatie beter vanuit het standpunt van het Spaanse kapitalisme. Op 15 maart schreef het blad in haar editoriaal dat "de democratie versterkt werd". Dit deel van de heersende klasse begreep dat de PP gezien werd als een partij die probeerde de verkiezingen te stelen op een ogenblik dat duidelijk werd wie verantwoordelijk was voor de aanslagen. Dit ondermijnde de autoriteit van de instellingen van het kapitalisme en haar partijen. Het vooruitzicht van grote betogingen tegen de PP zou aan de orde van de dag geweest zijn. Vanuit dat standpunt is het voor de burgerij interessanter om met de ‘linkerzijde’ te werken in een poging om de woede van de bevolking te kanaliseren.

De arrestatie van Marokkaanse en Algerijnse verdachten en de vermeende betrokkenheid van Al Quaeda, leidde tot een racistische campagne van delen van de media. Zo zal extreem-rechts ongetwijfeld proberen gebruik te maken van de aanslagen en mogelijk zal overgegaan worden tot racistisch geweld. Wij moeten daar tegen ingaan en iedereen die tegen de oorlog en de bezetting is oproepen om er tegen in te gaan.

Voor de bomaanslagen werd door de PP en de meeste commentatoren aangenomen dat de PP aan de macht zou blijven, ook al was het met een kleinere minderheid. Ondanks een massale algemene staking in juni 2002, grote acties tegen het stuntelen van de regering bij de ramp met de ‘Prestige’, de toenemende bitterheid van de Basken en Catalanen tegenover een regering die weigert in te gaan op hun eisen voor meer autonomie en democratische en nationale rechten, de stakingen van een hele reeks arbeiders waaronder de dokwerkers van Cadiz – ondanks al die elementen, stevende de door Aznar aangeduide opvolger, Mariano Rajoy, af op een overwinning.

Verburgerlijkte PSOE

Alhoewel er stevige oppositie was, leek de PP stand te houden op basis van de beperkte economische groei in Spanje. Bovendien was de PSOE (Spaanse Socialistische Arbeiderspartij) reeds omgevormd tot een "new labour" versie van de sociaal-democratie voor Labour in Engeland zelf werd omgevormd. De PSOE werd door jongere arbeiders niet gezien als een mogelijk alternatief. De partij bleef verbrand door de periode dat het aan de macht was, een periode met een reeks corruptie-schandalen, aanvallen op de arbeiders, het opzetten van de GAL (een legale politiebrigade die ingezet werd om gekende ETA-militanten uit de weg te ruimen). PSOE wordt gezien als een pro-kapitalistische partij en onderdeel van het establishment. De door de communistische partij gedomineerde formatie Izquierda Unida ("Verenigd Links"), bracht ook geen alternatief naar voor en zat met de PSOE op lokaal vlak in coalities die eveneens besparingen doorvoerden. Een lage opkomst bij de verkiezingen was het meest verwachte gevolg van deze elementen.

Deze kwesties werden echter naar de achtergrond verdrongen door de angst en woede onder de bevolking na de bomaanslagen. De hogere opkomst van meer dan 77% is vooral toe te schrijven aan jongeren die tegen de oorlog zijn en kwamen stemmen om de PP weg te krijgen. De PP haalde in 2000 nog 44,52% en nu nog slechts 37,08% waarbij meer dan 690.000 kiezers verloren gingen. De PSOE ging van 34,16% naar 42,64% en won 10.909.687 stemmen – haar grootste aantal stemmen ooit in absolute cijfers. Dat kwam vooral van jonge kiezers, zo’n 2 miljoen jongeren stemden voor het eerst en de meesten van hen waren tegen de oorlog. Izquierda Unida ging achteruit van 5,96% naar 4,96% en verloor 4 van haar 9 parlementsleden. IU is sinds 1996 bij iedere verkiezing achteruitgegaan.

El País feliciteerde de nieuwe premier van PSOE, Zapatero, en verklaarde dat hij Rajoy had overwonnen. In werkelijkheid waren het de Spaanse arbeiders en jongeren die de PP wegstemden en niet zozeer de PSOE als alternatief naar voor brachten. Er werd vooral gestemd om de regering af te straffen.

De brutale bomaanslagen troffen vooral de arbeiders en jongeren. Het grootste aantal slachtoffers viel op een dubbeldektrein in de arbeiderswijk El Pozo. Dat is een wijk waar ook veel migrante arbeiders uit Latijns-Amerika en Oost-Europa wonen. Onder de doden waren er veel vakbondsactivisten, studenten en arbeiders.

Zoals miljoenen andere Spanjaarden hadden veel slachtoffers betoogd tegen de oorlog. 92% van de Spaanse bevolking was tegen de oorlog, ondanks het feit dat die oorlog enthousiast gesteund werd door de regering-Aznar. Dit werd ook duidelijk in de steunberichten die achtergelaten werden aan het Atocha station (waar één van de bommen ontplofte) door familie en vrienden van de slachtoffers. Eén van die berichten stelde: "Laat dit de stem zijn van diegenen die we gisteren verloren. We zullen het niet vergeten omdat ook ik een beetje gestorven ben. Morgen zal ik samen met jou stemmen tegen de partijen die oorlog en geweld steunen." (El País 15/3/04).

Twee andere familieleden zeiden: "Hier is het antwoord van Irak en Afghanistan" en "Gisteren: neen aan de oorlog, vandaag: neen aan terrorisme. En morgen? Genoeg!!".

De PP heeft zo’n woede uitgelokt in haar poging om weg te steken wie verantwoordelijk was voor de aanslagen in een poging om de situatie voor eigen gewin te gebruiken. Hierdoor heeft de PP de vrije baan gegeven aan alle woede tegenover de regering, in het bijzonder omwille van de steun aan de oorlog. De acties van de PP deden denken aan de tijd van de dictatuur van Franco. Veel Spanjaarden vreesden dat indien de PP de verkiezingen zou winnen de waarheid pas veel later aan het licht zou komen.

Tijdens de crisis manipuleerde de regering de publieke televisie, Televisión Espanola. Na de aanslagen toonden de publieke zenders enkel films als de ‘Lion King’ of science fiction. Nieuws was er niet. Een kiezer, Noelia Amenaria, vatte de sfeer samen: "Ze verbergen dingen voor ons. Het is zoals een nachtmerrie in een Amerikaanse film." (El País, 15/3/04).

Zelfs tijdens een massale betoging in Madrid ter herdenking van de slachtoffers, stond er op een spandoek van de PP: "In verdediging van de grondwet".Dat leidde direct tot woedende reacties bij de Basken, Catalanen en anderen die eisen dat de grondwet zou veranderd worden.

Die angst werd versterkt door de vroegere banden tussen delen van de PP met de voormalige dictator Franco. De poging van de regering om een doofpot op te zetten deed denken aan de manipulaties onder de dictatuur. Ook Aznar was vroeger lid van de FES, de jongerenvleugel van de fascistische Falange van Franco.

Op de dag van de verkiezingen werd de woede tegen de regering duidelijk op straat. Mariano Rojoy, de PP-leider die Aznar moest opvolgen, werd bij zijn lokale stembureau geconfronteerd met een groep betogers die hem toeriep: "Jullie zijn fascisten, jullie zijn de echte terroristen".

De grootste achteruitgang voor de PP was er in Baskenland en Catalonië. De regering had hun eisen voor meer autonomie naast zich neergelegd en weigerde zelfs te onderhandelen van nationalistische partij. De Esquerra Republican de Catalunya (Linkse Republikeinse Partij van Catalonië) werd in het bijzonder geviseerd door de PP omwille van gesprekken die de partij had met de ETA. Later werd bekend dat de PP op voorhand wist van die gesprekken, maar slechts nadien er zich tegen uitsprak. De ERC won sterk bij de verkiezingen.

In Baskenland weigerde de regering van de PP om te onderhandelen met de burgerlijke nationalistische formatie PNV die opkomt voor meer autonomie. De Baskische nationalisten van Herri Batasuna haalden in 1999 nog 20% van de stemmen, maar werd verboden omwille van banden met de ETA. De partij vormde zich om tot Batasuna, maar werd opnieuw verboden.

Dit werd gecombineerd met repressie tegen de ETA en tegen de Baskische en Catalaanse bevolking. In Pamplona werd er na de aanslagen een bakker doodgeschoten door de politie nadat hij weigerde een poster "tegen het terrorisme" op te hangen in zijn winkel.

Intimidatie bij de verkiezingen

Ook elders was er repressie en intimidatie, ook in Madrid. Kiezers die aankwamen aan de stembureau’s werden soms tegengehouden door de politie en vertegenwoordigers van de verkiezingscommissies met het oog op het verwijderen van anti-oorlogsstickers. Van een aantal kiezers werden de namen genoteerd toen ze tegen gehouden werden. El País bracht verslag uit van een groepje vrienden van een lokale voetbalclub die een vriend verloren hadden bij de aanslagen. De jongeren kwamen bij het stembureau en hadden T-shirts met het nummer 14 op, het nummer van hun overleden vriend. Ze zongen een lied tegen de oorlog, maar dat werd verhinderd door de politie. De politie stelde dat ze probeerden om het kiesgedrag van de mensen te beïnvloeden…

Betogers in Madrid eisten het ontslag van de regering en botsten op oproerpolitie nadat het verboden werd om acties te doen op de dag van de verkiezingen. Deze pogingen om in te gaan tegen een uitdrukking van de anti-oorlogsstemming bij de verkiezingen mislukten. De PP werd massaal weggestemd.

De nieuwe PSOE-regering van Zapatero zal die stemming moeten weerspiegelen. Dit zal internationale gevolgen hebben. De verkiezing van Zapatero maakt het moeilijker voor Bush en Blair en zal de oppositie tegen hen versterken in Groot-Brittannië en de VS. Zapatero moest de anti-oorlogsstemming weerspiegelen en moest verklaren dat hij tegen de oorlog in Irak was en dat de bezetting "catastrofaal" is. Zapatero dreigde ermee de Spaanse troepen terug te trekken uit Irak als de macht niet wordt overgedragen aan de VN en het ‘Irakese volk’ tegen eind juni. De militaire aanwezigheid van Spanje in Irak is beperkt, maar een terugtrekking zou de oppositie tegen de bezetting versterken. Het zou de druk doen toenemen op andere landen met een beperkte aanwezigheid, zoals Polen en zelfs Italië. Het kan ook de druk versterken in de VS en Groot-Brittannië, zeker als het conflict in Irak verder escaleert.

De nederlaag van Aznar zal ook binnen de EU gevolgen hebben. Spanje zal nu wellicht haar macht inzetten binnen de EU om nauwer aan te sluiten bij Frankrijk en Duitsland.

In Spanje is het mogelijk dat Zapatero onderhandelingen start met nationalistische partijen in Baskenland en Catalonië. Als het tot een akkoord kan komen, is nog een open vraag. Op kapitalistische basis zullen de problemen niet opgelost worden en zullen de verwachtingen van de bevolkingen in die regio’s niet ingelost worden.

De veranderingen in het beleid zijn echter geen weerspiegeling van een poging om in te gaan tegen het systeem. Het is ook geen poging om hervormingen door te voeren in het belang van de arbeiders en de armsten. De PSOE en haar leiders verdedigen het kapitalisme. Deze beleidsveranderingen zijn erop gericht de belangen van het kapitalisme beter te verdedigen dan de ultra-conservatieven rond Aznar, die zich gewillig lieten leiden door het VS-imperialisme. De nieuwe PSOE-regering kan hier en daar kleine veranderingen proberen door te voeren, zoals het versterken van de rechten van werknemers met een tijdelijk contract. Dat soort veranderingen kan de steun deels consolideren, maar de PSOE zal binnen dit systeem ook een harde aanval op de arbeiders moeten lanceren met een neo-liberaal beleid. De aanvallen van de regering-Schröder in Duitsland na de SPD-overwinning maken dit duidelijk en vormen een waarschuwing voor wat kan gebeuren in Spanje.

De neo-liberale agenda van PSOE werd de dag na de verkiezingen al duidelijk. Miguel Sebastián, de nieuwe minister van financies, verzekerde de internationale investeerders dat de regering een "rigoreus en orthodox" beleid zou voeren op economisch vlak. Hij beloofde een begroting op basis van een economisch programma van begrotingsevenwicht, verdere liberaliseringen en een hervorming van het belastingssysteem. "We zullen een markt-vriendelijke regering zijn", zei hij.

Izquierda Unida kondigde aan "loyaal" te zullen zijn tegenover de nieuwe regering en maakte duidelijk dat het geen alternatief heeft voor de "markt-vriendelijke regering". De Spaanse arbeiders en jongeren zien de nederlaag van de PP-regering als een grote overwinning. Het heeft internationaal grote gevolgen en is een waarschuwing tegenover Bush, Blair, Howard en alle anderen die de oorlog tegen Irak steunden.

Maar het standpunt van de nieuwe regering over de economie is een waarschuwing voor de Spaanse arbeiders en jongeren. Zapatero wil het kapitalisme verdedigen. Er worden meer privatiseringen gepland, naast andere aanvallen op de arbeidersklasse. PSOE leed in 1996 een nederlaag omdat het jarenlang een pro-kapitalistisch anti-arbeidersbeleid had gevoerd. De verklaringen van Miguel Sabastián geven aan dat Zapatero dezelfde weg zal opgaan. Na de nederlaag van de PP is de belangrijkste taak van de arbeiders en van socialisten om te bouwen aan een echt socialistisch alternatief op de bestaande partijen. Een partij die in de strijd tegen de bezetting van Irak actief is en opkomt voor:

  • Neen aan het terrorisme en neen aan imperialistische oorlog
  • Terugtrekking van alle imperialistische troepen uit Irak en het Midden-Oosten
  • Neen aan racisme en racistische aanvallen
  • Stop de privatiseringen en voor de hernationalisatie van alle geprivatiseerde bedrijven in Spanje
  • Voor een democratisch geplande socialistische economie op basis van de nationalisatie van de grote monopolies en banken onder democratische controle van de arbeidersklasse
  • Voor een democratisch socialistisch Spanje en een vrijwillige socialistische federatie op het Iberische schiereiland met volledige democratische en nationale rechten voor de volkeren, met inbegrip van het recht op meer autonomie of onafhankelijk als een volk dat wenst.
Delen: Printen: