VS stuurt troepen naar Haïti

De president van Haïti, Jean Bertrand Aristide, een voormalige radicale priester uit de sloppenwijken, is onder druk van de VS op 29 februari moeten aftreden en is uit het land gezet.

Niall Mulholland

Gedurende weken was er in Haïti een gewelddadige rebellie aan de gang. Nadat Aristide gedwongen werd te vertrekken, besliste de VN-Veiligheidsraad om troepen te sturen. Dat zijn vooral troepen uit de VS, Frankrijk en Canada die als doel hebben het herstellen van de "orde en rechtszekerheid". De voorzitter van het Hooggerechtshof, Boniface Alexandre, werd ingezworen als hoofd van een "overgangsregering" die aan de macht zal blijven tot de verkiezingen van 2005.

Dit betekent een belangrijke breuk in het beleid van Bush. Aanvankelijk was hij tegen een "regime-verandering", maar nu verplichtte hij Aristide om af te treden. De regering-Bush besliste zelfs om troepen naar het land te sturen uit angst voor een burgeroorlog, destabilisering van de regio en een mogelijke toename van vluchtelingen die langs de zee Florida hopen te bereiken.

Aristide was 10 jaar lang aan de macht, zowel direct als via zijn aangestelde, René Preval, die van 1996 tot 2001 president was. Aristide werd aanvankelijk verkozen op basis van een enorme steun van de armste lagen, maar hij slaagde er niet in om iets te doen tegen de harde sociale en economische situatie waarin het land zich bevindt. Dit bood ruimte aan reactionaire krachten om opnieuw op de voorgrond te treden.

Van radicale priester tot bondgenoot van Clinton

Als katholieke priester die in de sloppenwijken van Port au Prince (de hoofdstad van Haïti) actief was begin jaren 1980, bouwde Aristide een enorme steun op omwille van zijn oppositie tegen de corrupte en brutale dictatuur van Jean-Claude Duvalier en de militaire regimes na 1986. Eind jaren 1980 werd Aristide zelfs door de Salesiaanse orde uit zijn priesterfunctie ontzet omwille van zijn radicale imago.

Aristide riep steeds op voor een boycot van de door de VS georchestreerde verkiezingen, maar besliste in 1990 dan toch om op te komen als presidentskandidaat. Hij vormde een brede electorale alliantie, matigde zijn anti-kapitalistische retoriek en riep op voor een "nationale verzoening". De geradicaliseerde bevolking die 5 jaar voordien de despoot "Baby Doc" Duvalier had verdreven, stemde massaal voor de ‘radicale’ ex-priester.

Eens aan de macht slaagde Aristide er echter niet in om de enorme verwachtingen van de arbeiders en de armsten in te lossen. Hij voerde slechts een aantal beperkte hervormingen door en gaf aan dat hij binnen de logica van het kapitalistische systeem wilde werken.

Desondanks kreeg Aristide reeds 8 maanden nadat hij president werd af te rekenen met een militaire staatsgreep geleid door generaal Cedras. Delen van de elite vreesden dat Aristide niet in staat zou zijn om in te gaan tegen de radicale verwachtingen van de jongeren en de armen. Maar in realiteit riep Aristide die lagen steeds op om "vreedzaam" te blijven tegenover de militairen en hun dictatuur. Ook al hadden de militairen tijdens hun drie jaar durende bewind meer dan 3.000 mensen vermoord.

Als banneling in de VS schoof Aristide verder naar rechts op en maakte hij zijn eigen positie zelfs afhankelijk van de steun die hij kreeg van het VS-imperialisme, ook al draagt dat imperialisme een grote verantwoordelijkheid in de aanhoudende problemen van het land.

In het verleden was het mogelijk voor figuren als Aristide die voortkomen uit geradicaliseerde middengroepen in de neo-koloniale wereld om maatregelen te nemen die soms vrij scherp ingingen tegen het imperialisme en het kapitalisme. In een poging om de wanhopige gevolgen van het systeem teniet te doen, werden soms radicale maatregelen doorgevoerd zoals het nationaliseren van delen van de industrie of het doorvoeren van sociale hervormingen. Maar toen Aristide aan de macht kwam, waren de Stalinistische modellen van Oost-Europa verdwenen en "triomfeerde" het kapitalisme. Bij gebrek aan een socialistisch programma waarbij de meerderheid van de economie onder de controle van de arbeiders op een democratische wijze zou gepland worden waardoor de revolutie in de regio zou uitbreiden, kon Aristide niets anders dan het terugplooien op het kapitalisme en de markteconomie.

In 1994 kwam president Clinton in de VS tussen om Aristide opnieuw aan de macht te helpen met behulp van een militaire interventie. Clinton vreesde dat een groeiend aantal armen vanuit Haïti naar de VS zou vluchten omwille van het brutale militaire regime. Hij wou tevens een regime in Haïti dat gemakkelijk door de VS kon gecontroleerd worden dan de militairen.

In de jaren 1990 voerde Aristide en diens partij (Fanmi Lvalas) een beleid door dat opgelegd werd door het IMF en dat leidde tot massale ontslagen in de publieke sector, besparingen op de subsidies voor voedsel en transport. Er blijft weinig over van de economie: de export van koffie, rum en andere landbouwproducten is bijna compleet in elkaar gestort. Door de groeiende armoede en de Aids-epidemie is de levensverwachting in Haïti gedaald tot 49 jaar.

Het beleid zorgde voor ongenoegen en een enorme woede. Maar omdat het doorgevoerd werd door een handlanger van Aristide, Preval (door een grondwetsregel kon Aristide zichzelf niet opvolgen als president), kon Aristide zelf er nog grotendeels mee wegkomen.

In 2000 werd Aristide opnieuw president. Hij won de verkiezingen bij een erg lage opkomst, maar kon winnen omdat er angst was voor een mogelijke terugkeer van de generaals of de aanhangers van de Duvalier-familie. Onder het bewind van Aristide werd een nieuwe stap gezet in de aanval op de levensvoorwaarden. In 2001 was er een gemiddeld jaarlijks inkomen van slechts 480 dollar per persoon. Dit kwam vooral door een afname van de steun door de VS en internationale hulporganisaties.

De grote machten eisten dat Aristide ook oppositiekrachten zou opnemen in zijn regering. Aristide daarentegen baseerde zijn macht eerder op de financiële steun van criminele groepen en op het bewapenen van bendes.

Bush maakt einde aan Aristide

De erger wordende sociale en politieke crisis in Haïti leidde tot ongeduld bij de regering-Bush. Delen van de Republikeinen hielden vast aan het standpunt dat Aristide een gevaarlijke "linkse" leider was, gewoon "een andere Fidel Castro in de Carraïben". Ze beschuldigden het regime van medeplichtigheid aan het exporteren van hongerende vluchtelingen en handel in Colombiaanse cocaïne… De Financial Times beschreef de Haïtiaanse oppositiepartijen als: "kringen van rijke Haïtianen die nauw verbonden zijn met het vroegere regime van Duvalier en voormalige (en misschien ook actuele) CIA-verantwoordelijken door voor Washington werkten om tegen Aristide in te gaan." (Financial Times, 1 maart 2004)

Terwijl de woede op straat toenam, begon in februari dit jaar ook een gewapende rebellie. Veel voormalige aanhangers van Aristide steunden de rebellen. Daarnaast waren er ook ex-militairen van het leger dat ontbonden werd door Aristide die deelnamen aan de acties. Rebellenleider Louis Jodel Chamberlai is een voormalige sergeant die verdacht wordt medeplichtig te zijn geweest aan een bloedbad bij de verkiezingen van 1987 toen 34 kiezers vermoord werden. In 1993 lag hij mee aan de basis van het Front voor Haïtiaanse vooruitgang en progressie (Fraph), een organisatie die duizenden aanhangers van Aristide heeft vermoord. Een andere rebellenleider, Guy Philippe, moest in 2000 het land ontvluchten na een mislukte poging tot staatsgreep.

Het feit dat een groep van slechts 700 rebellen al snel de helft van het land controleerde en een bedreiging vormde voor de hoofdstad, is een uitdrukking van de schaal waarop Aristide gehaat wordt door brede lagen van de bevolking. De oppositie-troepen en de imperialistische interventie vormen echter geen weg vooruit. De rebellen en de oppositiepartijen beschikken zelf niet over een brede populaire steun. Zij zullen evenzeer teruggrijpen naar methoden van intimidatie gesteund door de VS of andere imperialistische machten.

Nadat de VS er niet in slaagde om Aristide te overtuigen van de noodzaak om de macht te delen, besliste Bush om de rebellen te steunen. De New York Times schreef op 1 maart: "De regering-Bush heeft beslist dat Aristide weg moet, los van zijn grondwettelijke autoriteit. Dat bericht werd op directe wijze meegedeeld aan Aristide enkele uren voor hij op zondagochtend het land verliet."

Op deze manier zet de VS alle democratische rechten opzij. De grondwet van Haïti en het feit dat Aristide democratisch verkozen was, doen er niets toe. Washington besliste om de leiders van de voormalige doodseskaders te steunen, de voormalige militairen en de politieke vertegenwoordigers van de rijke elite om op deze manier de belangen van het imperialisme in het land en de regio veilig te stellen.

De VS gaf aan een poging te zullen ondernemen om een nieuwe "regering" te vormen op basis van de oppositiekrachten, zowel de gewapende groepen als de politieke oppositie en delen van de partij van Aristide. Die krachten vertrekken niet van de democratische rechten of de klassenbelangen van de werkende bevolking of de armen. Ze zullen een corrupt beleid voeren in het belang van hun imperialistische broodheren.

De enige kracht die de levensstandaard kan verbeteren, is de arbeidersklasse die in actie komt en solidariteit krijgt van de arbeiders in heel de regio en internationaal. Daartoe is een onafhankelijke klasseorganisatie nodig met een duidelijk socialistisch programma dat ingaat tegen het kapitalisme en imperialisme. Dat zou de beste manier zijn om de revolutie van 200 jaar geleden te herdenken (200 jaar geleden werd voor het eerst een zwarte republiek opgericht en verwierf Haïti als eerste land in de regio haar onafhankelijkheid).

Delen: Printen: