Home / Dossier / Achturendag dreigt zijn honderdste verjaardag niet te halen

Achturendag dreigt zijn honderdste verjaardag niet te halen

Ondanks steeds grotere productiviteit en massale werkloosheid toch langer werken?

30urenweekBinnenkort is het 95 jaar geleden: op 14 juni 1921 kon de arbeidersbeweging de achturendag in de Belgische wet laten opnemen. Vijftien jaar later, in 1936, werd de beperking van de werkweek tot 40 uur voor zware beroepen beloofd. Een veralgemening van de 40-urenweek kwam er pas in 1970.

Artikel door Clément (Luik) uit maandblad ‘De Linkse Socialist’

De eis van arbeidsduurvermindering nam altijd een belangrijke plaats in binnen de arbeidersbeweging. Ondanks de enorme werkloosheid die maar blijft aanhouden en de steeds grotere productiviteit, wil de regering-Michel als onderdeel van het Thatcheriaanse beleid het arbeidsrecht ‘vernieuwen’ en ‘moderniseren’ met de zogenaamde wet-Peeters waardoor de dagelijkse arbeidsduur tot 9 uur en de wekelijkse tot 45 uur kan opgetrokken worden. De geschiedenis van de arbeidersstrijd biedt ons heel wat ervaring voor onze strijd tegen deze opgedreven flexibiliteit en voor een alternatief dat aan de behoeften van de werkende bevolking voldoet.

Een lange traditie

Bij de aanvang van het industrieel kapitalisme in België waren de arbeiders volledig afhankelijk van de willekeur van hun werkgever. De wet-Le Chapelier verbood elke organisatie van de werkenden en ook stakingsacties waren verboden. Deze wet werd in 1866 herzien, maar bleef het stakingsrecht en de organisatie van de arbeidersbeweging quasi volledig verbieden. De gemiddelde arbeidsdag bedroeg 12 effectieve werkuren.

Ook toen al was de beperking van de arbeidsdag een belangrijke kwestie. De Internationale Arbeidsassociatie voerde van bij zijn ontstaan in 1864 agitatie en acties voor een kortere arbeidsdag. In 1889 werd de Belgische Werkliedenpartij (BWP) de voortrekker hiervan in België met de eis van ‘drie keer acht’: 8 uur werken, 8 uur slapen, 8 uur vrije tijd. De BWP stelde een reeks argumenten op om deze eis beter te kunnen verdedigen en om sceptische collega’s te overtuigen als die vreesden dat dit tot loonverlies zou leiden.

Op het begin van de 20ste eeuw werden eerste gedeeltelijke overwinningen behaald op lokaal vlak en in gespecialiseerde sectoren: bij de Brusselse typografen in 1900, de Antwerpse diamantbewerkers in 1904 en de Gentse katoenarbeiders in 1905. Na deze overwinningen kwamen er meer acties, ook al bleven ze beperkt in aantal en omvang. In 1909 was er de eerste beperking van de arbeidsduur in een volledige sector: mijnwerkers moesten voortaan nog maximaal 9 uur per dag werken.

Het keerpunt na de Grote Oorlog

Er wordt soms gezegd dat de wettelijke invoering van de achturendag en het algemeen stemrecht voor mannen een ‘cadeau’ van de burgerij was voor de inspanningen die de arbeiders leverden in de Eerste Wereldoorlog. Niets is minder waar.

Aan het einde van de oorlog was er een algemeen ongenoegen onder de arbeiders die een grote prijs betaalden voor een oorlog die niet de hunne was. In Rusland maakte revolutie een einde aan de oude tsaristische dictatuur en werd in oktober 1917 de eerste arbeidersstaat gevestigd. Dit had een enthousiasmerend effect op arbeidersstrijd doorheen de hele wereld. Doorheen Europa waaide er een revolutionaire wind met stakingen en opstanden. De heersende klasse wankelde.

In België nam het aantal vakbondsleden op spectaculaire wijze toe van 252.177 in 1914 tot 844.241 in 1920. Van januari tot juni 1919 namen de stakingen voor de achturendag sterk toe in aantal, regelmaat en omvang. Er waren stakingen van verschillende dagen, soms zelfs van weken. Veel stakingen mondden uit in overwinningen. Het is overigens in deze periode dat er voor het eerst bij het openbaar vervoer werd gestaakt. In januari 1919 gingen het Brusselse trampersoneel in staking waarbij het volledige tramverkeer in de regio werd platgelegd. Dit had een grote impact op de publieke opinie.

Het resultaat van de acties was nooit gezien. Een onderzoek van de Internationale Arbeidsorganisatie toonde in 1919 aan dat de achturendag in de grote meerderheid van de economische sectoren volledig of gedeeltelijk was ingevoerd na acties van de arbeiders. De wet van 1921 voerde de achturendag dus niet in. Deze wet bevestigde en veralgemeende enkel wat door de arbeiders met harde strijd al was afgedwongen. De achturendag werd niet via overleg bekomen, maar door strijd.

Op het ogenblik dat de achturendag verworven was, kende de industrie een scherpe toename van de productiviteit als gevolg van nieuwe technologische mogelijkheden en productieprocessen zoals grotere fabrieken met assemblagelijnen. Op deze manier kon de kapitalistische klasse haar verliezen als gevolg van de arbeidsduurvermindering recupereren. Het opvoeren van de productiviteit leidde ook tot een toename van de werkloosheid die dramatische vormen aannam door de gevolgen van de crisis van 1929. Om de concurrentie tussen de arbeiders te verminderen en de werkloosheid te bestrijden, eisten de arbeiders een beperking van de wekelijkse arbeidsduur. Deze eis werd verdedigd in acties, campagnes en uiteindelijk zorgden de stakingen van 1936 ervoor dat verschillende sociale verworvenheden werden bekomen, zoals het betaald verlof maar ook de belofte van de 40-urenweek voor zware beroepen (een belofte die pas jaren later effectief gerealiseerd werd).

Actualiteit van de eis van arbeidsduurvermindering

Vandaag kennen we opnieuw arbeidsduurvermindering in België. Het verschil met het begin van de 20ste eeuw is dat het niet om een door de werkenden afgedwongen collectieve arbeidsduurvermindering gaat, maar om een gedwongen kortere arbeidsweek in de vorm van deeltijdse arbeid. In 2014 bedroeg de werkloosheidsgraad onder de actieve bevolking (20-64 jaar) in ons land 8,4% en de activiteitsgraad bedroeg 67,3%. (1) Wie wel nog werk heeft, krijgt vaak te maken met deeltijdse en andere flexi-jobs. In 2015 werkten 465.000 werkenden in ons land 4/5e en 435.000 halftijds. (2) Jan Denys, specialist arbeidsmarkt bij Randstad, heeft het bij het rechte eind als hij verklaart dat “vier vijfden het nieuwe voltijds is geworden.”

Ondanks deze vaststellingen wil de regering ons nu met de wet-Peeters honderd jaar in de tijd terugbrengen. Er wordt daarbij gesproken over “modernisering” en “vernieuwing” in het belang van de werkenden. Door het annualiseren van de arbeidstijd zou de werkende kunnen kiezen wanneer harder en wanneer minder gewerkt wordt, zo luidt de redenering.  Ook dit is geen nieuw argument. In 1865 werd de “vrije keuze” van de arbeiders als rechtvaardiging gebruikt voor brutale uitbuiting: ze werden per uur betaald en waren ‘vrij’ om zo vroeg te beginnen en zo laat te werken als ze dat ‘wilden.’ De hongerlonen boden de arbeiders de keuze tussen een kortere arbeidsdag die onvoldoende opleverde om te overleven of een bijzonder lange arbeidsdag. (3) In deze klassensamenleving kan de ‘vrije keuze’ van de arbeiders enkel bestaan uit het zich onderwerpen aan de dictaten van de werkgevers. Het uitbreiden van de flexibiliteit en van de arbeidsdag zal de werkloosheid enkel versterken, het drijft de concurrentie tussen de werkenden op, zet druk op de lonen en arbeidsvoorwaarden en vergroot de uitbuiting en de vervreemding.

Als antwoord op de werkloosheid en de provocaties van de regering, is het van cruciaal belang dat de arbeidersbeweging een eigen alternatief naar voor schuift: een collectieve arbeidsduurvermindering zonder loonverlies. De toenemende productiviteit moet gebruikt worden om de werkdruk te verminderen door het beschikbare werk te verdelen. Het zou er meteen voor zorgen dat werk hebben eindelijk effectief een recht wordt. Om te vermijden dat een arbeidsduurvermindering, zoals de onvrijwillige vermindering die we vandaag kennen, door de werkenden zelf betaald wordt in de vorm van loonverlies, pleiten we voor arbeidsduurvermindering met loonbehoud.

Het patronaat zal zich met hand en tand verzetten tegen dergelijke maatregelen. Op het begin van de 20ste eeuw zorgden de uitbouw van een stevige krachtsverhouding en sterke arbeidersorganisaties ervoor dat de eisen van de arbeidersbeweging werden afgedwongen. Maar na het invoeren van de achturendag bleef de burgerij deze verworvenheid in vraag stellen of het effect ervan tenietdoen door de werkdruk op te voeren. Om dit te vermijden, pleiten we voor arbeidsduurvermindering met het verlichten van de werkdruk. Om dit effectief te kunnen afdwingen, moeten we de sleutelsectoren van de economie kunnen controleren. Wat we met de gemeenschap niet bezitten, kunnen we niet controleren.

De eis van arbeidsduurvermindering met loonbehoud en de nationalisatie van de sleutelsectoren van de economie zijn eerste stappen in de richting van een samenleving waar de economie in dienst van de grote meerderheid van de bevolking staat, waar werken gericht is op emancipatie en niet op uitbuiting. De werkenden worden dan meester van hun eigen lot in plaats van als onderdrukte klasse te moeten buigen voor de dictaten van een kleine minderheid van de bevolking. Dat is wat wij onder democratisch socialisme verstaan.

Voetnoten

  1. Cijfers van Eurostat: http://www.emploi.belgique.be/moduleDefault.aspx?id=21166#AutoAncher0
  2. http://www.rtbf.be/info/economie/detail_emploi-le-nombre-de-quatre-cinquiemes-a-plus-que-double-en-15-ans?id=9263443
  3. Zie : ‘Topographie médicale de la Belgique’ door dokter Meynne