Home / Belgische politiek / Communautaire kwestie / De staatshervormingen op een rijtje

De staatshervormingen op een rijtje

Het "federalisme" – feitelijk een foute naam – in België kwam er na een reeks opeenvolgende staatshervormingen. Waar voor een federatie twee of meer onafhankelijke delen beslissen om samen op te gaan in een groter geheel, hebben we hier te maken met een unitaire staat die uiteenvalt in afzonderlijke delen. Het oude unitaire België dat de provincies als basis had, werd omgevormd tot een ingewikkeld systeem dat zich baseert op twee machtsniveaus: de gemeenschappen en de gewesten. Het systeem wordt steeds ingewikkelder naarmate de werking van de deelstaten steeds verschillender wordt. Vooral in Brussel leidt het tot een bijzonder complexe situatie, waarin de twee grote gemeenschappen gelijkaardige bevoegdheden hebben op hetzelfde gebied.

Deel 7 van de tekst over het nationale vraagstuk in België

De voornaamste stappen:

– 1963: België wordt onderverdeeld in vier taalgebieden met vaste grenzen: het Nederlandse, het Franse, het Duitse en het tweetalige taalgebied.

Tientallen gemeenten en duizenden inwoners werden overgebracht van de ene provincie naar een andere. Wallonië krijgt inwoners erbij, Vlaanderen raakt er kwijt. Voordien kon een gemeente van taalregime veranderen als een volkstelling een relevante verandering van de bevolkingssamenstelling op vlak van taal liet blijken. Verschillende Brusselse gemeenten werden zo overgebracht van het Nederlandstalig eentalig regime naar het tweetalig regime. Onder druk van de Vlaamse burgemeesters van de Brusselse rand werden de taalvragen geschrapt uit de volkstelling, gezien het tot een uitdeining van Brussel leidde. Daarom is het nu niet meer mogelijk de taalsamenstelling van de bevolking van een gemeente te kennen.

Taalfaciliteiten werden echter ingevoerd in de gemeenten, waar de laatste volkstelling een belangrijke anderstalige minderheid liet blijken. Zowel Vlamingen en Duitstaligen in sommige gemeenten van het Franse taalgebied, als Franstaligen in sommige gemeenten van het Nederlandse taalgebied en in de gemeenten van het Duitse taalgebied genieten ervan. België blijft een unitaire staat, maar de grenzen van de toekomstige deelstaten worden vastgelegd.

Een taalgrens is echter een onzinnig gegeven op zich. Hoewel de taalgrens reeds zeer lang relatief stabiel is, mogen we dat woordje “relatief” niet vergeten. Het is gekend dat niet enkel in de onmiddellijke rand van Brussel, maar ook in gemeenten als Halle, Vilvoorde, Geraardsbergen,… er een relatieve toevloed is van Franstaligen die in Brussel werken en noch in Brussel zelf, noch in de rand, een betaalbare woning hebben gevonden. Minder belicht is de Vlaamse “uitwijking”, een aangroeiend fenomeen, naar de Franstalige gebieden in de buurt van Brussel omwille van de betaalbaarder bouwgronden.

Door het gebrek aan betaalbare woningen – te wijten aan de privé-structuur van de woningmarkt, nauwelijks 6% van die markt bestaat uit sociale woningen, een laagte-record in West-Europa – worden overal in het land armere lagen van de bevolking verdrukt door projecten die meer begoede lagen en tweeverdieners moeten aantrekken. Door de taalverschillen kan dat proces vaak schrijnende complicaties teweegbrengen. Wat de Vlaamse partijen echter ook mogen beweren, de verfransing die plaatsvindt rond Brussel is geen onderdeel van een bewuste “bezetting van Vlaams territorium”, maar het gevolg van de woningpolitiek die ze zelf gevoerd hebben en blijven voeren.

Ook de vestiging van de Europese instellingen in Brussel – waar alle Vlaamse partijen voor zijn – speelt een rol in de sociale verdringing in Brussel zelf en in de rand. Daarbij gaat het vaak overigens niet om Franstaligen, maar om anderstaligen die in Brussel werken en daar hun sociaal leven opbouwen – en in Brussel is de voertaal nu immers Frans, alle andere gemeenschappen in Brussel gebruiken Frans voor hun communicatie buiten de eigen gemeenschap.

Volgens ons kan een vaste taalgrens alleen maar tot steeds opeenvolgende nieuwe conflicten leiden. Er is immers geen mogelijkheid om de officiële situatie aan te passen aan de echte situatie – in een aantal gemeenten in de rand is de officiële “minderheid” van Franstaligen in de realiteit de meerderheid geworden. De Franstaligen die naar Vlaanderen buiten de faciliteitengemeenten verhuizen en de Vlamingen in Wallonië krijgen geen enkele ondersteuning. Met steeds meer pesterijen in de openbare sfeer worden anderstaligen in de hoek geduwd: in sommige randgemeenten is het het personeel van de openbare diensten verboden mensen in het Frans te woord te staan, op sommige Vlaamse markten zijn tweetalige promoties verboden,…

De taalgrens garandeert dan ook op geen enkele manier dat de hele bevolking taalrechten heeft, eerder integendeel: het garandeert dat zij die na de laatste talentelling verhuisd zijn naar een ander gewest geen rechten hebben, zeker gezien in zowel het Vlaamse als in het Waalse gewest de autoriteiten hun taal rigoureus opleggen zonder enige consideratie met anderstaligen.

– 1970: drie cultuurgemeenschappen worden gecreëerd – de Vlaamse, de Franse en de Duitse Gemeenschap – en drie gewesten: het Vlaamse, het Waalse en het Brusselse Gewest.

Het gebied van de Vlaamse en Brusselse gewesten corresponderen respectievelijk met dat van het Nederlandse en het tweetalige taalgebieden, maar het Waalse gewest bevat het Franse en het Duitse taalgebied. Gemeenschappen krijgen wat culturele bevoegdheden, maar de gewesten krijgen nog niets. De gemeenschappen en de gewesten krijgen nog geen politieke organen. Ze bestaan dus enkel op papier.

– 1980: de bevoegdheden van de gemeenschappen worden uitgebreid, die van de gewesten beperkt. De Vlaamse en Franse gemeenschappen en ook het Waalse gewest krijgen allemaal een wetgevend en een uitvoerend orgaan.

Het Vlaamse Gewest is definitief zijn politieke organen kwijt omdat beslist wordt dat de politieke organen van de Vlaamse Gemeenschap voortaan de bevoegdheden van het Vlaamse Gewest zullen uitvoeren. De nationale overheid blijft tijdelijk de gewestelijke bevoegdheden uitvoeren in het Gewest Brussel omdat er geen akkoord is aan dit gewest een orgaan te koppelen.

– 1983: de Duitse Gemeenschap krijgt op zijn beurt een wetgevend en een uitvoerend orgaan

– 1988-89: De bevoegdheden van gemeenschappen en gewesten worden uitgebreid. Het Brusselse gewest verkrijgt op zijn beurt een raad en een regering.

Een aantal cruciale materies gaan over op de bevoegdheid van gewesten en gemeenschappen, materies die veel personeel en veel financiële middelen vereisen en een groot effect hebben op het dagelijke leven. Gemeenschappen krijgen het onderwijs; gewesten krijgen o.a. openbare werken, openbare vervoer (op het spoor na), landbouw, de begeleiding van werklozen,…

– 1992-93: De grondwet beschrijft expliciet België als "een federale staat die bestaat uit gemeenschappen en gewesten". Die krijgen nog meer bevoegdheden.

Er wordt beslist dat de leden van de Waalse Gewestelijke Raad en van de Vlaamse Raad vanaf 1994 rechtstreeks zullen worden verkozen (voordien waren ze nationale parlementsleden, verkozen in Waalse en Vlaamse kieskringen). De samenstelling en de rol van de Senaat worden grondig gewijzigd. De Franse gemeenschap krijgt het recht om zijn bevoegdheden of een deel ervan over te brengen naar het Waalse Gewest en naar de Franse Gemeenschappelijke Commissie (die bestaat uit de Franstalige verkozenen en ministers van de Raad en de Regering van het Brusselse hoofdstedelijke gewest).

– 2001: De fiscale autonomie van de gewesten wordt uitgebreid en de financiëring van de gemeenschappen wordt gewijzigd. De samenstelling en de werking van de verschillende politieke organen in Brussel worden gewijzigd.

De bevoegdheden van gemeenschappen en gewesten:

Gemeenschappen zijn grondwettelijk bevoegd voor onderwijs, culturele en "persoongerichte" materies (gezondheid en individuele hulp). Maar speciale wetten leggen tal van uitzonderingen vast, die maken dat de federale overheid bijvoorbeeld bevoegd blijft voor de sociale zekerheid.

De bevoegdheden van de Gewesten worden vastgelegd door speciale wetten. Hun bevoegdheden zijn zeer uitgebreid: landbouw, ruimtelijke ordening, milieubescherming, tewerkstelling, openbare werken, openbaar vervoer, organisatie van gemeenten en provincies,… Er zijn ook tal van uitzonderingen, die blijvend onder de bevoegdheid van de federale overheid vallen.

De financiering van gemeenschappen en gewesten wordt georganiseerd door speciale weten. Die leggen voor elke deelstaat een vaste financiële enveloppe (buiten indexering) vast, die voortkomt uit een deel van de BTW-inning en de belasting van fysieke personen. Gemeenschappen en gewesten beschikken ook over een beperkte leenmogelijkheid. Gewesten beschikken ook over een beperkte fiscale autonomie, die zich beperkt tot enkele taksen.

Leave a Reply