Home / Dossier / 100 jaar geleden: de Ierse Paasopstand

100 jaar geleden: de Ierse Paasopstand

1916-rebellion-1024x718

Hieronder een vertaling van een artikel over de Paasopstand van 1916 uit het maandblad ‘The Socialist’ van onze Ierse zusterpartij. Een dossier door Cillian Gillespie.

Dit weekend wordt de 100ste verjaardag van de Paasopstand tegen de Britse heerschappij over Ierland gevierd. Voor veel gewone werkenden is deze belangrijke gebeurtenis een keerpunt in de Ierse geschiedenis. De deelnemers en leiders van de opstand genieten tot vandaag een grote autoriteit.

Hun acties worden vandaag gezien als een zware slag tegen de koloniale heersers. Gedurende een week bood een kleine groep het hoofd tegen de militaire macht van het Britse rijk, destijds de grootste imperialistische macht ter wereld. Een groot deel van deze kleine groep activisten van zowel het Irish Citizens Army als de Irish Volunteers bestond uit gewone arbeiders of mensen van de lagere middenklasse.

Het kapitalistische establishment in Ierland viert vandaag de opstand van honderd jaar geleden, maar de voorlopers van dit establishment namen een andere houding in tegenover zowel de opstand als wie eraan deelnam. Dit blijkt nergens sterker dan in een editoriaal uit de krant Irish Independent van 10 mei 1916 met een foto van James Connolly ernaast. Het edito stelde dat “de ergste bendeleiders er moeten uitgepikt worden en de behandeling moeten krijgen die ze verdienen.”

Een dodelijk gewonde Connolly werd twee dagen later geëxecuteerd. De krant was eigendom van William Martin Murphy, de voortrekker van de 404 werkgevers die de arbeidersklasse van Dublin in 1913 aan een lock-out hadden onderworpen. De krant voerde campagne voor de executie van Connolly. Het was pas nadat Connolly dood was dat de krant tot verzoening opriep.

In Noord-Ierland is de Paasopstand een meer verdelende kwestie. De verdeeldheid weerspiegelt de verschillende aspiraties van de protestantse en katholieke werkenden op vlak vna de nationale kwestie. Er is de afgelopen 25 jaar veel gesproken over verzoening en vrede, maar het kapitalisme is niet in staat om het Noord-Ierse conflict op te lossen. De geschiedenis is net zoals veel aspecten van de Noord-Ierse samenleving een sectair slagveld geworden.

De oudste Britse kolonie

De Paasopstand vond zijn oorsprong in de eeuwenlange onderdrukking door het Britse imperialisme. De koloniale onderdrukking van Ierland leidde niet alleen tot het ontzeggen van het recht op politieke vrijheid en onafhankelijkheid, maar ook tot een economische verstikking van het eiland.

Dit werd eerst gedaan door Ierland als concurrent voor het Britse kapitalisme uit te schakelen in de nasleep van de Act of Union in 1801. Er volgende een massale emigratie uit Ierland, zeker in de jaren van de hongersnood midden 19de eeuw. Deze emigratie zorgde voor goedkope arbeidskrachten in de Britse steden. Ierland werd ook de “broodmand” van de Britten, het leverde onafgewerkte landbouwproducten, vooral vlees voor de stedelijke bevolking.

Dit is waarom James Connolly kort na zijn aankomst in Ierland opmerkte: “De strijd voor Ierse vrijheid heeft twee aspecten: het is nationaal maar het is tevens sociaal.”

De Britse heersende klasse probeerde de controle en economische uitbuiting van Ierland te behouden door sectaire tegenstellingen in d ehand te werken. Het is op dit eiland dat de tactiek van “verdelen om te heersen” werd geperfectioneerd. Later zou het Britse imperialisme dit op andere kolonies door de hele wereld toepassen.

Connolly stelde dat enkel een revolutionaire beweging van de arbeidersklasse waarbij zowel protestantse als katholieke arbeiders verenigd waren en hun strijd koppelden aan een socialistische samenleving, een einde kon maken aan de koloniale overheersing.

Connolly en de Paasopstand

Samen met Jim Larkin speelde Connolly een belangrijke rol in de strijd van de Ierse arbeidersbeweging na het opzetten van de Irish Transport and General Workers Union (TGWU) in 1909. Deze strijd kende een hoogtepunt in de lock-out van Dublin in september 1913. (over 1913 publiceerden we dit artikel: http://www.socialisme.be/nl/12774/dublin)

Het resultaat in 1913 was geen volledige nederlaag, maar het stopte wel het momentum dat de IGTWU en de Ierse arbeidersbeweging in het algemeen kenden in de voorafgaande jaren. Twee andere gebeurtenissen hadden een negatieve impact op de arbeidersbeweging.

Het eerste was het gevaar van een opdeling van Ierland. Dit werd openlijk besproken door delen van de Britse heersende klasse. Connolly voorzag dit als een onvermijdelijke uiting van de reactie. Een dergelijk scenario zou, zoals de geschiedenis nadien overigens aantoonde, leiden tot een toename van sectaire verdeeldheid tussen de werkende bevolking wat het imperialisme en kapitalisme ten goede komt.

De tweede gebeurtenis met een negatieve impact was het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. Dit was rampzalig voor de arbeidersbeweging en de socialistische beweging in Ierland en de rest van Europa. Het was een oorlog tussen kapitalistische staten in Europa gericht op het maximaliseren van de winsten van de verschillende kapitalistische klassen door een grotere controle op de wereldmarkt. Deze oorlog was op zich geen verrassing voor socialisten zoals Connolly, maar de steun van de officiële leiders van de socialistische bewegingen in Europa was dat wel.

Deze steun ging regelrecht in tegen de basisprincipes van arbeiderssolidariteit. De socialistische leiders stelden zich schaamteloos achter hun eigen heersende klasse in een oorlog waarin miljoenen soldaten uit de arbeidersklasse het leven lieten of gewond raken. De oorlog bereikte een nieuw hoogtepunt van barbarij.

John Redmond, de leider van de beperkte vorm van zelfbeschikking die aan Ierland toegekend werd, haastte zich om de oorlog te steunen en vroeg de leden van de Irish Volunteers om zich bij het Britse leger aan te sluiten. Opmerkelijk genoeg vindt de huidige Ierse regering het nuttig om John Redmond te herdenken met een groot spandoek aan Dublin’s College Green.

Connolly schreef daarentegen: “Ierland kan wel eens het vuur aan de lont steken waarbij heel Europa aangestoken wordt en waarbij het vuur blijft branden tot de laatste troon en de laatste kapitalistische obligaties en aandelen verschrompelen op de brandstapel van de laatste krijgsheer.”

Naar een opstand

Naarmate het bloedbad van de oorlog bleef duren, werd de wil van Connolly om de kapitalistische en imperialistische orde van Europa een slag toe te brengen enkel maar groter. Connolly stond echter geïsoleerd, hij zat in Ierland zonder directe banden met andere revolutionaire socialistische leiders die zich tegen de imperialistische oorlog uitspraken, leiders zoals Lenin en Trotski in Rusland, Rosa Luxemburg en Karl Liebknecht in Duitsland of John Maclean in Schotland. Connolly was ook beïnvloed door de gevolgen van de nederlagen van 1914.

Ierland was tijdens de oorlog niet immuun voor de nationalistische retoriek doorheen Europa. Veel gewone werkenden in Ierland, ook diegenen die na de lock-out van 1913 op een zwarte lijst beland waren, stonden economisch in dienst van het Britse leger. Er was ook de dreiging van een effectieve militaire dienstplicht in Ierland, net zoals deze eerder ook in Groot-Brittannië was doorgevoerd.

Het was in deze context dat Connolly steeds wanhopiger werd om een vorm van opstand in Ierland te zien. Op dat ogenblik was er niet echt een sfeer voor een opstand onder bredere lagen van de arbeidersklasse. Connolly keek daarom meer uit naar de krachten van het militante nationalisme. Het ging om de krachten van de Irish Republican Brotherhood (IRB) en delen van de Irish Volunteers die niet ingingen op de oproep van Redmond om het Britse leger te ondersteunen.

De slogan van de IRB was: “Problemen voor Engeland zijn kansen voor Ierland.” Het bereidde sinds het beging van de oorlog in het grootste geheim een opstand voor. In januari 1916 werd Connolly opgenomen in de militaire raad van de IRB om een opstand op Pasen voor te bereiden.

Paasopstand

Op Paasmaandag 1916 namen naar schatting 1300 leden van de Irish Volunteers en 220 leden van het Irish Citizen Army met enkele tientallen geweren de controle over het stadscentrum van Dublin over. Ze riepen de Ierse republiek uit en wierpen barrikades op waar ze wachtten op de onvermijdelijke aanval van de Britse troepen.

De opstandelingen hielden het een week vol, ook al waren de Britse troepen met veel meer. Er was een verhouding van 20 Britse soldaten per Ierse opstandeling. Uiteindelijk werden de opstandelingen omsingeld en genadeloos in de pan gehakt. Een groot deel van de binnenstad werd verwoest en er vielen tal van burgerdoden. Tegen het einde van de week werden de opstandelingen tot een onvoorwaardelijke overgave gedwongen. Onder de doden waren er 60 opstandelingen, 120 Britse soldaten en 450 gewone burgers. Er vielen meer dan 2500 gewonden.

Factoren zoals het bevel van Eoin McNeill om de geplande acties van de Irish Volunteers op paaszondag af te zeggen en het feit dat een Duitse onderzeeëer met 20.000 geweren bedoeld voor de opstandelingen voor de kust werd gestopt, zorgden ervoor dat de schaal en de intensiteit van de gevechten beperkter waren. Uiteindelijk was de opstand echter van bij het begin gedoemd om te mislukken. De reden hiervoor was de sfeer onder brede lagen van de bevolking. Die waren op dat ogenblik niet bereid om een dergelijke actie te ondersteunen.

Connolly had in de aanloop naar de opstand zelf politieke toegevingen gedaan aan de nationalistische krachten met wie hij vocht. Dit blijkt het beste uit de Verklaring waar hij zijn naam onder zette. Dit is ondanks positieve elementen in essentie een nationalistisch document. Na de beslissing om aan de opstand deel te nemen, had Connolly beter een afzonderlijk socialistisch document opgemaakt met zijn visie van een ‘arbeidersrepubliek’ waar de rijkdom en de productiemiddelen onder democratische bezit en controle van de arbeidersklasse komen.

De verloren revolutie

De moed en zelfopoffering van Connolly (en al wie in de opstand vocht) zijn onbetwist. Maar het vroegtijdig karakter van de opstand wordt helemaal duidelijk als we kijken naar wat er gebeurde na de opstand. In het eerste hoofdstuk van zijn bekende ‘Labour in Irish History’ schreef Connolly: “Revoluties zijn nooit het resultaat van wat we willen maar van gerijpte materiële voorwaarden.”

De ‘materiële voorwaarden’ voor een socialistische revolutie tegen het Britse en Ierse kapitalisme waren nog niet gerijpt in 1916. Maar de impact van de nationale en internationale gebeurtenissen na 1917 hadden zo’n revolutie wel mogelijk gemaakt. Het uitbreken van de Russische revolutie en de daaropvolgende revolutionaire golf in Europa hadden ook een diepgaand radicaliserend effect op de Ierse arbeidersklasse.

Deze radicalisering had niet alleen een effect in het zuiden, waar de oppositie tegen het Britse imperialisme harder werd na de opstand, maar ook onder de protestantse en katholieke arbeiders in het noorden van Ierland. Het leidde tot een reeks lokale en nationale algemene stakingen, tot ‘sovjets’ (democratische arbeidersraden) die tijdelijk de controle overnamen over steden als Belfast en Limerick en het leidde tot de ontwikkeling van een grote steun voor socialisme onder de bevolking.

De afwezigheid van een revolutionaire socialistische leiding die de arbeidersklasse kon verenigen en deze bewegingen kon richten op een strijd voor socialistische verandering, maakte dat de revolutie zich niet doorzette en de ruimte voor de contrarevolutie van de opdeling van het land groter werd. De tragedie van Connolly was dat hij deze gebeurtenissen niet meer zou meemaken en niet de nodige rol kon spelen in de opbouw van een revolutionaire leiding.

In tegenstelling tot de mythe die vandaag door het politieke establishment en de gevestigde historici naar voor wordt gebracht, leidde de ‘revolutionaire periode’ van 1916 tot 1922 niet tot grote verbeteringen voor de arbeidersklasse. Het leidde tot het ontstaan van twee onderdrukkende, sectaire staten die de noden van de arbeidersklasse niet konden inlossen en dat nog steeds niet kunnen.

Dat is waarom we uit het verleden moeten leren en bouwen aan een socialistische beweging die wel in staat is om echte verandering voor de arbeidersklasse te bekomen.