Home / Internationaal / Azië / Siritunga Jayasuriya over de algemene staking van 1980 in Sri Lanka

Siritunga Jayasuriya over de algemene staking van 1980 in Sri Lanka

Over de harde strijd tegen de eerste neoliberale regering in Azië

Siritunga sprak deze week op een meeting in Antwerpen.

Siritunga sprak deze week op een meeting in Antwerpen.

Sri Lanka is een klein land met een grote traditie van arbeidersstrijd. De gevolgen daarvan zijn tot op vandaag merkbaar, onder meer in de vorm van gratis gezondheidszorg en onderwijs. Begin jaren 1970 was er een linkse regering aan de macht die een reeks progressieve maatregelen probeerde door te voeren, maar geen einde maakte aan het kapitalisme. Het leidde tot problemen waar de rechterzijde op inspeelde om vanaf eind jaren 1970 een hard neoliberaal beleid te voeren. Daartegen werd in 1980 een algemene staking gehouden.

Siritunga Jayasuriya is algemeen secretaris van de United Socialist Party (USP), de zusterorganisatie van LSP in Sri Lanka. Hij was als politieke leider een actieve betrokkene in de algemene staking van 1980. Hij schreef een boek over deze staking, dit boek is nu ook in het Engels verkrijgbaar. Naar aanleiding van een boekvoorstelling in Antwerpen deze week spraken we met Siritunga over de staking van 1980 en de lessen die we eruit kunnen halen, ook voor het verzet vandaag tegen rechtse regeringen.

Interview door Geert Cool

Van waar kwam die algemene staking in 1980?

boeksiriSiritunga: “Eigenlijk vormden de verkiezingen van 1977 een keerpunt. Na het falen van de linkse regering kwam de rechtse UNP (United National Party) van JR Jayewardena aan de macht met een grote meerderheid. De UNP wilde meteen gebruik maken van deze positie om een vrijemarktbeleid op te leggen en de macht te centraliseren bij de president. Jayewardena wist dat hij hiervoor de kracht van de arbeidersklasse moest breken, hij dacht dat de nederlaag van de linkse regering een goede aanzet daartoe was.

“Er werd begonnen met een nieuwe grondwet in 1978 waarmee de president veel macht kreeg. Regering en parlement werden marionetten, de president had de echte macht. Tot op vandaag is deze dictatoriale grondwet van kracht in het land. Vervolgens werd Sri Lanka het eerste Aziatische land waar een hard vrijemarktbeleid werd ingevoerd, wat nadien neoliberalisme werd genoemd. Het was hetzelfde beleid als dat van Reagan en Thatcher.”

Wat betekende dit beleid voor de gewone bevolking?

“Omwille van de sterke positie van de arbeidersbeweging was er een goede levensstandaard voor de gewone bevolking. Naast gratis onderwijs en gezondheidszorg was er bijvoorbeeld ook staatssteun voor werklozen en armen, mijn familie genoot daar ook van. Er waren staatswinkels met porties gratis rijst, suiker, bloem, … De rechtse regering schafte dit af.

“Eerst werden de armsten aangepakt om vervolgens een algemeen offensief tegen de vakbonden in te zetten. Zo kwam er een verbod op 1 Mei-betogingen, voorheen was er een traditie van grote optochten op deze dag. De eerste mei was zelfs erkend als een publieke feestdag. Daar kwam een einde aan, een openlijke provocatie van Jayewardena tegen de arbeidersbeweging.”

Hoe reageerden de vakbonden en de linkerzijde op dit beleid?

“Er was druk van onderuit om tot actie over te gaan. Er waren sterke vakbonden en met de NSSP (Nava Sama Samaja Party) waren we net uit de LSSP (Lanka Sama Samaja Party) gestapt wegens de regeringsdeelname van de LSSP in de jaren 1970. De NSSP had een massale steun, we controleerden 3 van de 13 grote vakbondsfederaties in het land. Ik was zelf een van de centrale leiders van de NSSP.

“Er werd een gemeenschappelijk vakbondsfront opgezet, het Joint Trade Union Action Committee (JTUAC). Ik nam deel aan de vergaderingen van dit comité. We botsten er vaak op minder strijdbare vakbondsleiders en hadden veel discussie. Maar we slaagden erin om een voorstel erdoor te krijgen om te gaan naar een nationale bijeenkomst van delegees. In de grootste zaal van de hoofdstad Colombo verzamelden we begin maart 1980 5.000 delegees uit heel het land om een actieplan te bespreken. Waar we onder de leiders vaak op weerstand botsten, was dit bij de basis compleet anders. Hier was er unanieme steun om tot actie over te gaan.

“Er werd besloten om tot stakingsacties over te gaan. We stelden eisen op zoals een loonsverhoging met 300 Roepee per maand, een 35-urenweek en een verhoging van het minimumloon. Om de staking voor te bereiden, waren er lokale militantenconcentraties.

“Zo hielden we  op 5 juni 1980 grote bijeenkomsten tijdens de middagpauze. In de hoofdstad Colombo waren er vijf dergelijke meetings. Op één ervan, in het centrum van de stad, werden we opgeschrikt door een rechts parlementslid die er met een groep krapuul een aanval op de syndicalisten inzette. Het kwam tot een harde confrontatie, een van de vakbondsverantwoordelijken, Somapala, raakte dodelijk gewond.

“De begrafenis van Somapala werd een van de grootste arbeidersbegrafenissen ooit in het land. Honderden arbeiders uit de hoofdstad kwamen bijeen, overal werd het werk twee uur neergelegd om aan de begrafenis deel te nemen. Spoorarbeiders van de werkplaats in Ratmalana, waar 5.000 mensen werkten, legden het werk de hele dag neer. De regering reageerde daarop met het ontslag van 12 vooraanstaande syndicalisten bij het spoor. Ik werkte eind jaren 1960 in de buurt van die werkplaats in Ratmalana, de spoorarbeiders waren er belangrijk als centrale organisatoren van de arbeidersbeweging in het volledige geïndustrialiseerde gebied.”

Werd de verdediging van de collega’s bij het spoor opgenomen in een veralgemeende beweging?

“Wij stelden dat voor. Er waren urenlange discussies op het JTUAC. Op 11 juli was er een vergadering die om 17u begon en tot een heel eind in de nacht doorging. Ik was op die vergadering aanwezig. Er werd uiteindelijk beslist tot een algemene staking vanaf 17 juli.

“We maakten ongetwijfeld een fout door niet te beginnen met een 24-uren of een 48-urenstaking, maar meteen op te roepen tot een staking van onbepaalde duur. Een andere zwakte was dat we de begindatum plaatsten op 17 tot 20 juli. Het idee was om tijd te hebben om sectoren waar we zwakker stonden mee te trekken. Maar elke zwakte bij het begin van de staking zou een omgekeerd effect hebben op de twijfelaars. Een van de vakbondsfederaties trok zich meteen terug uit het comité en riep niet op om te staken. Andere vakbonden riepen wel op, maar deden niets om dit te organiseren. Dit waren vooral de vakbonden verbonden met de traditionele linkse partijen. De zelfverklaarde ‘marxistische’ Singalees-nationalistische JVP deed er alles aan om de staking te saboteren.

“Op 17 juli waren het vooral de sectoren en werkplaatsen waar we met de NSSP sterk stonden die in actie gingen. De rest volgde niet meteen, waardoor het beeld ontstond dat de staking maar halfslachtig werd opgevolgd. Als er nog bussen en treinen rijden, hebben de mensen niet het gevoel dat alles plat ligt. Diegenen die wat twijfelden en dachten om op 18 of 19 juli de staking te vervoegen, werden hierdoor afgeschrikt.

“De regering speelde meteen op die zwakte langs onze kant in met een noodwet die op enkele dagen doorgevoerd werd. Deze noodwet voerde een stakingsverbod in voor wie ‘essentiële diensten’ verleende. Het ging in de praktijk om alle sleutelsectoren en zowat alle openbare diensten. Wie niet terug aan de slag ging, zou afgedankt worden. Sommige arbeiders raakten bang, minder strijdbare vakbondsleiders grepen dit aan om in naam van het ‘redden van jobs’ de staking te stoppen.

“Met de NSSP-militanten gingen we door. Wellicht hadden we beter een stap achteruit gezet om er nadien twee vooruit te kunnen zetten. Er was in de praktijk een splitsing binnen het JTUAC. De meer militante lagen werden geïsoleerd en de regering ging over tot een erg hard offensief. Maar liefst 80.000 mensen verloren hun job. De volledige laag van strijdbare delegees was hiermee afgedankt. De regering verving hen door trouwe UNP-aanhangers. Er werd zo hard gereageerd omdat de regering wist dat ze in de aanloop naar de algemene staking begon te wankelen, er werd openlijk gespeculeerd over de mogelijkheid van een machtsovername door de NSSP.

“Tot op vandaag zijn de vakbonden nog niet van de nederlaag van 1980 hersteld. We probeerden wel om de solidariteit met de afgedankte arbeiders te organiseren, maar de omvang van de aanval was te groot. Het resultaat was erg pijnlijk, duizenden mensen waren hun werk en inkomen kwijt. 53 van hen pleegden zelfmoord. De harde besparingen op de levensstandaard van de bevolking werden verder doorgevoerd. En de regering kreeg vrijspel om de sectaire verdeeldheid te versterken. Zonder de nederlaag in 1980 had ‘Black July 1983’, het begin van de burgeroorlog, wellicht nooit kunnen plaatsvinden. Maar het uitschakelen van de vakbonden maakte dat de enige kracht die een burgeroorlog kon stoppen niet meer in staat was om te reageren.”

Hoe kijk je vandaag op de staking van 1980 terug?

“De opbouw met een militantenbijeenkomst gevolgd door lokale meetings in de aanloop naar een algemene staking zorgde ervoor dat de kracht van de arbeidersbeweging werd getoond, de betrokkenheid was erg groot. We waren wel beter eerst overgegaan tot een staking van 1, 2 of 3 dagen om na te gaan waar de staking nog niet sterk stond waardoor we verder konden bouwen voor volgende acties.

“De internationale steun was beperkt tot de acties van het Committee for a Workers’ International (CWI) waar de NSSP toen mee verbonden was. De Communistische Partij had wel steunmoties uit het buitenland, maar deed bijvoorbeeld niets om met de door hen gecontroleerde vakbonden in India de behandeling van goederen vanuit Sri Lanka in de havens te stoppen. Dat was mogelijk geweest, maar de solidariteit bleef beperkt tot woorden.

“De NSSP had de nederlaag in 1980 moeten erkennen. De partij bleef zeggen dat er nood was aan massastrijd om de regering ten val te brengen. Dat is in theorie correct, maar na een nederlaag moeten we de krachtsverhoudingen opnieuw opbouwen en ordewoorden naar voor brengen die daarop gericht zijn.

“Het offensief van de regering rond de nationale kwestie maakte het nog moeilijker. Na ‘Black July’ in 1983 werden linkse partijen verboden, ik moest een jaar onderduiken. We slaagden er niet in om de massale basis die de NSSP eind jaren 1970 had te consolideren en te organiseren. De NSSP verloor terrein, de leiding begreep niet altijd hoe dit kwam en dit leidde tot zowel opportunisme als verdeeldheid. Het zorgde uiteindelijk voor een breuk in de NSSP, eind jaren 1980 werden we met een groep uit de NSSP gezet en vormden we de voorloper van wat nu de United Socialist Party is.

“Vandaag staan zowel links als de vakbonden zwak. Voor 1980 waren 60-70% van de leraars in vakbonden georganiseerd, vandaag is dat minder dan 10%. De United Socialist Party is vandaag een kleine partij, vroegere linkse leiders gaven steun aan burgerlijke politici, zowel die van het vorige regime onder Rajapakse in het geval van Vasu als de nieuwe rechtse regering van Ranil en Sirisena in het geval van Bahu.

“De nieuwe rechtse regering zal een neoliberaal voeren, de arbeidersbeweging zal hiertegen in actie komen. De lessen van de staking van 1980 zullen daarbij van pas komen, de nood aan organisatie van onderuit, de kracht van een opbouwend actieplan en uiteindelijk de kwestie van een politiek alternatief.”