deeleconomieIn het laatste deel van de perspectieventekst vanop het LSP-congres eind november 2015 wordt ingegaan op de zoektocht naar alternatieven en discussies daarover die we vandaag zien. Er wordt onder meer ingegaan op de kwestie van een basisinkomen alsook op de nieuwe deeleconomie.

[divider]

Zoektocht naar alternatieven

Het falen van het kapitalisme op economisch, ecologisch en sociaal vlak, de extreme ongelijkheid, de brutaliteit van de rechtse regeringen, … doen het zoeken naar alternatieven toenemen. Zo pakte Femma in september 2014 uit met een voorstel van veralgemeende arbeidsduurverkorting tot 30 uur per week.[134] Wees er maar zeker van dat er zich die ochtend bij het patronaat en in het bijzonder bij de patroons van de christelijke zuil, meer dan één in hun koffie verslikt hebben.En niet alleen daar. Femma is immers geen aftands anarchistisch vrouwenclubje, maar het vroegere KAV, de Kristelijke Arbeiders Vrouwenbeweging. Femma pleit niet voor arbeidsduurverkorting zonder loonverlies, wat wij wel doen. Maar haar argumentatie is niettemin een striemende kritiek op de jacht naar winst in de kapitalistische maatschappij. Femma zegt het ook expliciet: “achter ons Femmavoorstel voor een 30-urige werkweek schuilt een samenlevingsmodel dat fundamenteel anders is dan het huidige.”

Femma ziet de veralgemeende 30-urenweek bijvoorbeeld als een middel om onbetaald werk te revaloriseren en de gendergelijkheid te bevorderen. Het wil af van de ‘mannelijke norm van de 40-urenweek’ en voor iedereen een 30-urenweek als nieuwe norm. Dan zouden veel vrouwen wel voltijds werken en dezelfde rechten opbouwen als mannen, luidt het. Femma wijst erop dat we voortdurend zoeken naar middelen en diensten waarvan we denken dat ze ons tijd besparen: kant-en-klare maaltijden, verpakte groenten, gemotoriseerde voertuigen, vliegtickets, een hele resem elektrische apparaten, … Aan veel van die producten hangt echter een stevig milieu- en energieprijskaartje. De 30-urenweek zou de negatieve milieueffecten van een prestatiegerichte maatschappij milderen, de productiviteitsgroei omzetten in meer vrije tijd in plaats van consumptie, de beschikbare arbeid beter verdelen, het werk draaglijker maken, etc.

Poliargus, een linkse denktank ‘die ijvert voor vrijheid, democratie en solidariteit’, onderzocht de overgang van de 39- naar de 35-urenweek in Frankrijk en kwam tot de conclusie dat die maatregel veel positieve effecten had. Er kwamen 350.000 jobs bij en de werkloosheid ging van 10,3% naar 7,5%, er was een verbetering van de levenskwaliteit, meer gendergelijkheid in het gezin, meer ouderen aan de slag en een vermindering van het aantal deeltijdse tewerkstellingen.[135] Maar de maatregel zorgde in Frankrijk ook voor een hogere werkdruk. Femma argumenteert dat een te kleine verlaging van het aantal uren in de werkweek de werkgevers zal aanmoedigen om hun werknemers gewoon hetzelfde werk te laten doen op minder uren. Bij een drastische verlaging – naar de 30-urenwerkweek bijvoorbeeld – is dat niet mogelijk en moeten er wel bijkomende aanwervingen gebeuren om de werklast op te vangen. Voor LSP blijft de eis uit het overgangsprogramma voor glijdende uur- en loonschalen de basis van onze positie. Voorlopig vertalen we dat onder de eis voor een 32-urenweek zonder loonverlies, maar uiteraard staan we open voor verbeteringen.

Een ander voorbeeld van de zoektocht naar alternatieven is de idee van een gegarandeerd basisinkomen. In het verleden werd dat beschouwd als een hopeloze utopie. Een universeel basisinkomen van 1.000 € vanaf de leeftijd van 18 jaar zou in België een uitgave van 108 miljard euro betekenen. Dat is ruim meer dan de 76 miljard euro uitgaven voor de sociale zekerheid in 2014. Men zou kunnen opwerpen dat een aantal uitgaven die men vandaag doet met een basisinkomen zouden verdwijnen, maar dat geldt zeker niet voor de ziekte- en invaliditeitsuitkeringen die op zich al 29,4 miljard euro vertegenwoordigen. Vermoedelijk wil men ook de kinderbijslag behouden, goed voor 4,8 miljard. Krijgen gepensioneerden voortaan een basisinkomen in de plaats van een pensioen? Wat dan met de pensioenen van meer dan 1000 euro? En waarom zou een loontrekkende recht hebben op zijn volle loon terwijl de gepensioneerde zelf opdraait voor zijn basisinkomen? Wat met de werkloosheidsuitkeringen die hoger zijn dan 1000 euro? Dat mogen er dan wel niet veel zijn, maar worden die dan bijgepast?

Toch is de vraag naar een basisinkomen vandaag een stuk dichterbij dan tevoren. In Nederland zouden er in 4 gemeenten vergevorderde plannen zijn voor lokale experimenten met een basisinkomen (Utrecht, Wageningen, Tilburg en Groningen). In negen andere wordt er onderzoek naar gedaan of werd een motie in die richting gestemd. In nog 28 andere gemeenten zou er in verschillende mate interesse bestaan. Dat schrijft een zekere Rutger Bregman in Vooruitgang op 5 augustus 2015. Hij vermeldt er wel bij dat in gemeentes als Utrecht voorlopig enkel mensen die al een uitkering hebben er recht op hebben, en dat het dus eerder om ‘onvoorwaardelijke bijstand gaat.’ Niettemin is dat een hele ommezwaai vergeleken met het activeringsbeleid dat vandaag in de sociale zekerheid steeds strikter toegepast wordt. Dat is trouwens een van de belangrijkste oorzaken voor de populariteit van een basisinkomen.

In Finland ligt de discussie eveneens op de tafel van de conservatieve coalitie met inbegrip van de Ware Finnen. Daar zou in eerste instantie een basisinkomen worden ingevoerd in regio’s met een hoge werkloosheid; er wordt gesproken over 500 euro en volgens sommigen zelfs 850 tot 1000 euro.[136] De klassieke kritiek luidt dat het mensen zal aanzetten om niet meer te werken, en dan vooral in sectoren waar nu al tekorten zijn. Daartegenover staat dat 79% van de bevolking de maatregel steunt, met uitzondering van de ambtenaren die vrezen voor het verdwijnen van jobs in de openbare diensten.

Tony Atkinson, professor aan de London School of Economics, ook wel de intellectuele vader van Thomas Piketty genoemd, zegt daar het volgende over: “Ik ben lang heel sceptisch geweest over het idee, maar ik denk dat de tijd ervoor gekomen is. Waarom ik van mening ben veranderd? Omdat de maatschappij veranderd is en met name de arbeidsmarkt. Het aantal mensen met een voltijdse vaste betrekking wordt kleiner en kleiner, maar onze sociale zekerheid is wel volledig gebouwd rond het traditionele kostwinnersmodel. We gaan die sociale zekerheid moeten herdenken, om ze efficiënt en rechtvaardig te houden. Een basisinkomen kan daarbij helpen, zeker wanneer we iets willen opbouwen op Europees niveau. Let wel, zo’n basisinkomen is niet vrijblijvend. Je krijgt niet zomaar centen.”[137]

Op de vraag aan Johnny Thys (ex-CEO van De Post) of het basisinkomen geen linkse zotternij is, antwoordt hij: “Dat is het in mijn hoofd lang geweest. Omdat ik altijd geloofd heb dat tegenover een beloning een inspanning moet staan, als motor van vooruitgang. Nu twijfel ik. Je kunt jongeren Chinees leren. Je kunt ze leren computers programmeren, maar er zal altijd een aanzienlijke groep blijven van mensen die niet het juiste talent hebben voor hogere scholing. Wat moet je met handenarbeiders als handarbeid overbodig wordt? Ik zie nog altijd niet hoe we een voldoende hoog basisinkomen voor iedereen kunnen betalen, maar ik sluit het idee niet langer uit.”[138] Als kapitalisten een basisinkomen overwegen, dan is dat vooral omdat ze sociale onrust vrezen en die willen temperen. Vroeger was de sociale zekerheid in staat de ergste uitwasemingen van het kapitalisme te corrigeren. Nu wordtde sociale puinhoop zodanig groot, dat de sociale zekerheid steeds meer onder druk staat.

Ook Poliargus heeft haar twijfels bij een basisinkomen. Het wijst erop dat het voor veel liberale voorstanders een alternatief is op openbare diensten en sociale zekerheid. Dat een deel van de uitkeringsgerechtigden (gepensioneerden, werklozen, …) “erop achteruit zullen gaan omdat hun uitkering wordt vervangen door een lager basisinkomen.”“Dat vermogenden een basisinkomen zouden krijgen bóvenop hun al hoge inkomen.” Voorts dat “openbare diensten niet alleen een belangrijk alternatief zijn voor de op winst gerichte private sector, maar ook heel wat basisvoorzieningen verzekeren (mobiliteit, onderwijs, gezondheidszorg, energie, …), waarvan net zoals bij de sociale zekerheid geldt dat de lagere inkomens en brede middenklasse er meer afhankelijk van zijn dan vermogenden, en dus meer te verliezen hebben bij de afbouw ervan.” Vervolgens wijst Poliargus erop dat zelfs de afbouw van de sociale zekerheid en openbare diensten niet voldoende is om een hoog basisinkomen te financieren. “Als je ziet hoe de tax shift het principe van fiscale rechtvaardigheid met de voeten trad, is het weinig waarschijnlijk dat de financiering van dat basisinkomen op dit moment op een progressieve manier zou gebeuren,” voegt het er nog aan toe.

Poliargus wijst er ook op dat een basisinkomen de oorzaken niet tegengaat waarom een steeds kleiner deel van de koek naar de 99% gaat, nl. de concentratie van rijkdom aan de top. Voorts dat het helemaal niet zeker is of de meerderheid van werknemers jobs zal kunnen weigeren omdat de condities niet naar behoren zijn. En tenslotte dat zolang de sociale norm een bepaald consumptiepatroon voorop stelt, veel mensen niettemin een bullshit-job zullen aanvaarden om aan die norm te kunnen voldoen. “Net daarom,” besluit Poliargus,“zijn collectieve actie en maatregelen een veel beter alternatief dan de afspraken te laten afhangen van de “marktmacht” van de werknemer. Voor andere problemen zijn er dan weer alternatieven die effectiever kunnen zijn dan een basisinkomen. Enkele voorbeelden: universele openbare diensten en progressievere belastingen tegen ongelijkheid, collectieve arbeidsduurvermindering tegen lange werkuren en voor meer vrije tijd, en arbeidsherverdeling en publieke tewerkstelling tegen werkloosheid.”

Poliargus beseft ook wel dat de vraag automatisch luidt: waarom gebeurt dat dan niet? “Dat die beleidsmaatregelen niet worden ingevoerd, komt grotendeels doordat de huidige machtsverhoudingen een progressief beleid verhinderen. Zo komen we tot een essentiële bedenking. Het basisinkomen lijkt voor een deel van de voorstanders een gemakkelijke en snelle route naar vooruitgang in plaats van die moeizame, hobbelige weg van het wijzingen van machtsrelaties. Maar op een moment dat links nog steeds in het defensief zit in West-Europa (en zowat de hele wereld), is het gevaar des te groter dat een basisinkomen op regressieve wijze geïmplementeerd wordt. Dat brengt ons tot een paradox: hoe rechtser het beleid, hoe meer progressieven het basisinkomen als een oplossing zien; maar hoe minder sterk links staat in het politieke veld, hoe groter de kans dat een basisinkomen tot nog meer rechts beleid leidt. Verandering in het beleid vergt dan ook in de eerste plaats een verandering in die machtsverhoudingen. Dat betekent het versterken van de vakbonden, sociale bewegingen en linkse partijen, collectieve actie, sociale strijd en mobilisatie, en de politisering van vraagstukken in links-rechts tegenstellingen. Als die machtsverhoudingen niet veranderen, is de kans zeer groot dat een basisinkomen gebruikt en misbruikt wordt als deel van een rechts project.”

Het is geen toeval dat net Milton Friedman als eerste de idee van een basisinkomen na WOII heropviste. Hij begreep dat massale werkloosheid vanaf de jaren ’80 een structureel kenmerk van het kapitalisme zou blijven. Hij ‘aanvaardde’ dat en verzette zich trouwens tegen pogingen om dit via overheidsinterventie te temperen. Hij wist dat daardoor het solidariteitsmechanisme van de sociale zekerheid onder druk zou komen. Dat was volgens hem een opportuniteit om via een basisinkomen de sociale voorzieningen te individualiseren en de solidariteit tussen werkende en werkloze arbeiders te breken. Op die manier zouden er immers geen werklozen meer bestaan, maar nog slechts mensen die er vrijwillig voor gekozen hadden niet te werken. Wie de sociale zekerheid aanvalt, valt de brutoweddes van alle werknemers aan, maar wie het basisinkomen reduceert, hetzij nominaal, hetzij via de omweg van inflatie, valt slechts dat gedeelte aan dat haar belangrijkste verweermiddel, de mogelijkheid om het werk neer te leggen, ‘vrijwillig’ heeft opgegeven. Voor Friedman en veel van de huidige liberale voorstanders van een basisinkomen is dat vooral een breekijzer om komaf te maken met het collectieve solidariteitsmechanisme van de sociale zekerheid en de openbare dienstverlening.

De kwestie van een basisinkomen kan onmogelijk losgekoppeld worden van de krachtsverhoudingen tussen arbeid en kapitaal. Onder het kapitalisme lijkt ons dat een gevaarlijke utopie die de kracht van de arbeidersbeweging fundamenteel kan aantasten. In de vorige eeuw zouden we ook voor een socialistische maatschappij een basisinkomen hooguit beschouwd hebben als een utopie van mensen die de enorme wereldwijde uitdagingen uit het oog verloren. Maar intussen is de maatschappij veranderd. Vandaag bieden wetenschap en techniek, als ze onder democratische controle en beheer van de gemeenschap komen, ons wellicht voldoende mogelijkheden om niet alleen de beschikbare arbeid te verdelen over alle werkbekwame mensen, hoe weinig en hoe aangenaam dat werk ook mag zijn, maar ook om wie niet wenst, de keuze te laten om niet deel te nemen aan het arbeidsproces en toch over een maatschappelijk aanvaardbaar inkomen te beschikken.

Een laatste element in de zoektocht naar alternatieven dat we willen aanraken is dat van de deeleconomie. De opkomst van internet in de jaren 1990 leidde tot een opkomst van de beweging voor vrije software. Aanhangers ervan kwamen op voor het vrij en gratis delen van software waar collectief aan gewerkt werd. Los van de technische kant, was dit ook het principe waarop nadien projecten als Wikipedia ontstonden. Het werd ook gebruikt voor de zogenaamde ‘deeleconomie’. Dit concept heeft vage grenzen; het omvat een geheel van diensten die zich baseren op solidariteit en samenwerking: autodelen, couchsurfing, groepsaankopen, alternatieve munten, lokale uitwisseling, … Deze ontwikkelingen zijn niet samen met het internet ontstaan, maar het is wel het internet dat toelaat dat ze een grotere omvang krijgen. Sommige intellectuelen ontwikkelden dit verder in theoretische modellen. Er zou een nieuwe vorm van economie ontstaan op basis van een ecologisch bewustzijn, uitwisseling en de bijna oneindige communicatiemogelijkheden die het internet biedt. Deze economie van de toekomst zou het kapitalisme opslokken.[139]

Deze theorieën vertrekken van goede intenties maar een slecht begrip van het kapitalistische systeem. Er wordt niet ernstig ingegaan op het klassenkarakter van het kapitalisme en de noodzaak om te breken met het kapitalisme. De ondernemers zagen uiteraard mogelijkheden en potentieel in nieuwe ontwikkelingen. Ze begonnen de diensten naar zich toe te trekken en verder te ontwikkelen in functie van hun belangen. Airbnb bijvoorbeeld heeft het idee van couchsurfing overgenomen. Crowdfunding of participatief financieren werd opgezet om projecten van verenigingen en actiegroepen te financieren, maar werd overgenomen door bedrijven. Fiverr is een succesvolle Amerikaanse site die lokale uitwisseling van diensten heeft overgenomen maar het gratis karakter ervan heeft vervangen door ‘alles aan 5 euro’. De Franse marktleider inzake autodelen, Blablacar, is een bedrijf dat een exponentiële groei heeft gekend sinds het in 2012 naar een betalend model overstapte.

Het organiseren van mensen in netwerken en het delen van informatie is nog steeds aanwezig, maar de uitwisseling wordt betalend. Waar deze sectoren als ze klein zijn op een alternatieve wijze beheerd kunnen worden, neemt de logica van het systeem het volledig over eens ze groter worden. De deeleconomie is door de kapitalisten overgenomen. Alles wordt gedeeld, behalve de winsten uiteraard. De opkomst van nieuwe technologie brengt nieuwe kansen voor de kapitalisten met zich mee. Het maakt het voor hen mogelijk om toegang te krijgen tot onderdelen van het leven die nog aan de winstlogica onttrokken waren. Dit bevestigt nog maar eens een stelling van Marx, nl. dat het kapitalisme of de warenproductie de neiging heeft om alles om te vormen tot koopwaar. Het delen van auto’s, uitwisseling van diensten onder buren, participatief financieren, gegevens over onze voorkeuren en privéleven, ontmoetingen, … wordt overgenomen door de grote bedrijven.

“Vrije software zoals GNU/Linux, collaboratieve informatiebronnen zoals Wikipedia of OpenStreetMap, en verschillende internet-technologieën kwamen er vooral door een groep van geeks die niet op winsten uit waren. Het toonde het enorme potentieel van netwerken en samenwerking tussen mensen. Dit zijn interessante voorbeelden die we kunnen gebruiken om burgerlijke ideologen te weerleggen, als zij beweren dat de mens van nature egoïstisch zou zijn en dat concurrentie op de vrije markt de beste motor van innovatie zou zijn. Het zijn namelijk integendeel juist de grote multinationals die de grootste rem vormen op vooruitgang en efficiëntie, o.a. door middel van monopolievorming, vendor lock-in d.m.v. onnodige incompatibiliteiten, patenten, enz. Het kapitalisme is echter in staat om zich aan nieuwe situaties aan te passen en om alle stromingen die niet direct met het kapitalisme in confrontatie gaan te recupereren. Denk maar aan de ‘pragmatische’ (lees: rechtse) Open Sourceafsplitsing van de principiëlere Free Software beweging. Algoritmen, ‘big data’, het democratiseren van PC’s en nadien smartphones die steeds performanter worden, 3D-printers, … Het zijn fascinerende zaken die ons kunnen toelaten om de samenleving op een echt democratische wijze te organiseren. We kunnen deze technologie inzetten om democratisch en collectief te beslissen wat we produceren en hoe we dat doen. Het kan het mogelijk maken dat iedereen meer dan ooit voorheen in de geschiedenis zijn of haar mening kan uiten. De mogelijkheden van automatisering kunnen de arbeidstijd drastisch naar beneden trekken. Uber-chauffeurs en gewone taxichauffeurs zouden niet in een absurde concurrentiestrijd meegetrokken worden. Dat is waaraan wij denken als we het over socialisme hebben.

Maar het vereist wel een breuk met het huidige systeem. De meerderheid van de bevolking moet het voor het zeggen hebben en niet een kleine minderheid. We kunnen geen alternatief systeem uitbouwen als de productiemiddelen en de technologische industrie in handen zijn van de heersende kapitalistische klasse. Economische veranderingen als gevolg van de opkomst van het internet en nieuwe technologische mogelijkheden leiden tot belangrijke en noodzakelijke discussies. Al wie voor een breuk met het kapitalisme opkomt, moet rekening houden met deze nieuwe ontwikkelingen en mogelijkheden. Maar het kapitalisme zal niet vanzelf verdwijnen. We moeten de strijd organiseren met een programma en methoden die ingaan tegen de fundamenten van het kapitalisme.

[divider]

Voetnoten

[134] http://www.femma.be/nl/onze-visie/artikel/waarom-het-nieuwe-voltijds-zo-veel-kansen-in-zich-heeft

[135] http://poliargus.be/in-vijf-jaar-naar-35-uur/

[136] La finlande prête à expérimenter la fin du travail? Francetvinfo,20 juillet 2015

[137] ‘Een basisinkomen kan nooit onvoorwaardelijk zijn’, De Standaard 28 maart 2015

[138] ‘Ik was de moordenaar van het dorpsleven’, De Morgen, 22 augustus 2015

[139]In zijn boek “De wereld redden. Met peer-to-peer naar een postkapitalistische samenleving” stelt Michel Bauwens de “peer-to-peer” (P2P) economie voor. Enkele maanden eerder kwam de Amerikaanse schrijver Jeremy Rifkin met zijn model van “commons” in het boek “The Zero Marginal Cost Society: The Internet of Things, the Collaborative Commons, and the Eclipse of Capitalism.”