Home / Dossier / Boek PVDA en LSP. Uittreksel: “De Muur valt”

Boek PVDA en LSP. Uittreksel: “De Muur valt”

We publiceerden het boek ‘PVDA en LSP. Verschillen en mogelijke raakvlakken in de opbouw van een politiek alternatief’ door Eric Byl. Je kan dit boek in onze webshop bestellen. Hieronder een uittreksel uit dit boek.

De Muur valt

muurIn april 1987 publiceerde Vonk een dossier over “De USSR, hervorming of politieke revolutie”. We schreven daarin “Gorbatsjov is niet van plan de controle van de bureaucratie over de Russische maatschappij te ontnemen …. Om een revolutie van onderaan te vermijden, is hij begonnen met hervormingen aan de top.” (Vonk nr 73). In mei 1989 volgde een artikel “USSR: hervormingen zullen bureaucratie niet redden.” Daarin schreven we: “De massa’s staan echter ver links van Jeltsin, die bepaalde misbruiken aanklaagt, maar geenszins de heerschappij van de bureaucratie in vraag stelt.” Op dat ogenblik leek een kapitalistische restauratie ons (en veel anderen) nog uitgesloten. Gorbatsjov of Jeltsin steunen, heeft Vonk echter nooit gedaan.

Vonk bleef nog tot eind 1988 groeien, tot maximaal een 200-tal militanten. We deden dat onder minder gunstige condities dan die waarin de PVDA en haar voorlopers dat hadden gedaan. Of die waarin de vroegere RAL, nu SAP, dat had gekund. Toch waren we erin geslaagd een coherente strekking te distilleren en een paar honderd kaders bijeen te brengen. We liepen nog ver achter op de PVDA, de SAP of de KP, maar de scholierenbeweging van 1986 had ons getoond hoe snel dat kon veranderen zodra de objectieve voorwaarden aanwezig waren. Die beweging was niet vergelijkbaar met de studentenrevoltes van 1966 en 1968 of zelfs niet met 1993 (tegen VdB), het was hooguit een voorsmaakje, maar op onze schaal was het een belangrijke test.

De beurscrash in oktober 1987 leidde, tegen onze verwachtingen in, niet tot een recessie in de reële economie. Enerzijds werden de kredietkranen opengedraaid op een schaal die we nooit tevoren hadden meegemaakt en anderzijds overschaduwden de gebeurtenissen in het Oosten de economische moeilijkheden in het Westen. In een aantal wingewesten die tot dan dienst hadden gedaan als ideologisch tegengewicht tegen stalinistisch Rusland en stalinistisch China, kon men de uitbuitingsgraad door de crisis in het Oosten bijna onbeperkt opdrijven. Dat gold voor de vier draakjes, Taiwan, Singapore, Zuid-Korea en Hong Kong, maar breidde daarna uit naar een hele reeks Aziatische groeilanden. Ze zouden er in 1996 en 1997 zwaar voor boeten met een muntcrisis. (Zie onze congrestekst van 2006: ‘Toenemende klassenstrijd bedreigt fragiele evenwichten’ op marxisme.be)

Heel links heeft in de klappen gedeeld toen het Chinese 27ste leger met tanks en machinegeweren het plein van de Hemelse Vrede op 4 juli 1989 ontruimde. De arbeiders reageerden met stakingen, betogingen, barrikades en gevechten die alle belangrijke industriële centra door elkaar schudden. Het Westen stelde de beweging voor als een poging tot kapitalistische restauratie en ook het Chinese regime deed dat, met vertraging bijgetreden door de PVDA. Er bestaat geen twijfel over dat er verwarring was en dat sommigen in die verwarring naar Westerse symbolen grepen. Dat werd op zijn beurt zowel in Westerse als in Chinese media enorm uitvergroot. Dominant waren echter diegenen die de Internationale zongen, met de rode vlag manifesteerden en een meer democratisch communisme nastreefden. De geleidelijke restauratie van het kapitalisme in China, werd nadien niet door hen, maar door de CCP zelf doorgevoerd.

In “Een kwarteeuw mei ’68” schrijven Martens en Merckx over de studentenrevolte in Leuven in 1966: “De meerderheid van de betogers waren democratisch en Vlaamsgezind, maar er liepen ook behoudsgezinden en zelfs uiterst rechtse flaminganten tussen. Hoe moesten de linkse studenten zich opstellen tegenover zulke beginnende massabeweging? Moesten ze eerst de zaak vanop de stoep in ogenschouw nemen om dan, geschrokken door een paar dwaze slogans en door de bonte politieke mengelmoes waarin zich ook wat ongure individuen bewogen, naar hun studeervertrek hollen om daar voor een ongelezen blaadje een grootse ‘marxistische kritiek’ van de massabeweging uit hun geleerde pen te puren?” In “Van Tien An Men tot Timisoara, strijd en debatten binnen de PvdA (1989 – 1991)”, uitgegeven door de PVDA in 1994, is er echter geen ruimte meer voor dat inzicht.

Revolutie is een proces dat steeds gepaard gaat met tegenkrachten, met elementen van contrarevolutie. Dat was ook zo in het revolutionaire proces in Noord-Afrika en het Midden-Oosten, tijdens de zogenaamde Arabische Lente in het begin van dit decennium. Dat proces is nog steeds niet uitgeraasd. Het verklaart juist het belang van een revolutionaire partij. Als die afwezig is, zullen allerlei reactionaire krachten zowel uit het binnenland als uit het buitenland uiteindelijk de beweging recupereren. Dat was ook wat gebeurde in het proces dat uiteindelijk het Sovjetblok ten val bracht. Het begon met de opname van Solidarnosc in de Poolse regering door het regime van Jaruzelksi in 1989.

Vonk (nr. 93) schreef in september 1989 in haar edito: “De intrede van Solidarnosc geeft het regime tijdelijk geloofwaardigheid bij de bevolking. De gelegaliseerde Solidarnosc is echter niet dezelfde organisatie als deze van ’80 – ’81. Toen telde ze 10 miljoen leden en bevatte haar programma alle elementen van de politieke revolutie. Vandaag kan de vrije vakbond nog slechts op 1 miljoen leden rekenen. Zijn leiders en raadgevers hebben de politieke visie van reformistische bureaucraten en niet zelden de levensstijl van miljonairs. Walesa belooft nu in Polen ’het Amerika van Oost-Europa’ op te bouwen.”

In de nacht van 8 en 9 november 1989 begon de sloop van de Berlijnse muur. De beweging was ontstaan rond slogans voor arbeidersdemocratie en de vorming van arbeidersraden. Ook in die beweging ageerden naast linkse krachten die streefden naar een democratisch socialisme, reactionaire figuren die gewonnen waren voor kapitalistische restauratie. Aanvankelijk waren die laatste slechts een minderheid. In Vonk nr 96 van december 1989 schreven we nog: “Vandaag spreekt de overgrote meerderheid van Oostduitsers zich echter uit tegen hereniging.” Maar die meerderheid beschikte niet over een eigen organisatie, laat staan een revolutionaire partij. De voorstanders van restauratie daarentegen konden rekenen op machtige bondgenoten, van protestantse geestelijken tot West-Duitsland.

In september 1989 was “Neues Forum” opgericht, een club van intellectuelen waartoe weinig arbeiders zich aangetrokken voelden. Neues Forum verzamelde 7.000 handtekeningen in 12 steden met de vraag voor een dialoog over hervormingen. Onder die 7.000 waren ook heel wat leden van de SED, de partij van het regime. De autoriteiten vonden Neues Forum echter subversief en in strijd met de grondwet. De organisatoren riskeerden tot 12 jaar gevangenisstraf. Het bezorgde de groep, slechts een handvol mensen, zowel nationaal als internationaal bekendheid. Toen de massa’s in beweging kwamen, was Neues Forom de enige oppositie die ze kenden. Op een paar weken tijd groeide het uit naar 200.000 leden. De leiders ervan hadden echter geen flauw benul wat ze met de beweging aan moesten. Die impasse deed uiteindelijk de illusies in hereniging groeien tot op het moment waarop het onomkeerbaar werd.

De wankele regimes in Oost-Europa hadden het inzetten van de troepen tegen de protesterende massa’s overwogen, maar zagen er uiteindelijk van af. De enige uitzondering daarop was Roemenië, eerst in Timisoara en dan in Boekarest werd het leger ingezet. Op kerstdag 1989 zouden Nicolae Ceaucescu, het ‘Genie van de Karpaten’, en zijn vrouw Elena er met hun leven voor betalen. Maar volgens Michel Mommencery in Solidair van 3 januari 1990 werd Ceaucescu “door antikommunistische krachten vermoord, niet om de reële fouten die hij kan begaan hebben, maar om de revolutionaire stellingen die hij ondanks alles heeft gehandhaafd”.

Op 19 augustus 1991 werd Gorbatsjov onder huisarrest geplaatst. De noodtoestand werd uitgeroepen door vice-president Janajev met steun van de ministers van defensie, van binnenlandse zaken en de KGB-chef. Het zou de laatste stuiptrekking worden van enkele oude krokodillen die de overgang naar een markteconomie niet fundamenteel betwistten, maar dat deel van de bureaucratie vertegenwoordigen dat vreest bij de overgang uit de boot te vallen. De bevolking van Moskou kwam massaal op straat op en richtte barrikades op. Jeltsin begreep het momentum en liet zich op een van de door de bevolking buitgemaakte tanks hijsen. De poging tot staatsgreep stortte als een pudding ineen en Jeltsin kwam er als ontbetwiste overwinnaar uit.

Effect op links

De ontwikkelingen in het voormalige Oostblok bleven niet zonder gevolgen. Het aantal armen in die landen explodeerde, net zoals de rijkdom van de nieuwe machthebbers, bijna allen oudgedienden van de gevallen regimes. De levensverwachting zou in de jaren die volgden fors achteruitlopen. Het kapitalisme dat de massa’s te verduren kregen, was niet dat van West-Europa waarop ze gehoopt hadden, maar zoals Vonk voorspeld had, een veel brutalere versie. Alles werd verhandeld, inclusief menselijke organen. Er is geen twijfel mogelijk, het uiteindelijke resultaat was een enorme overwinning van de contrarevolutie. Het maakte bovendien de weg vrij voor de globalisering zoals we die vandaag kennen.

De verwarring ter linkerzijde was totaal. Strekkingen die er destijds van overtuigd waren dat er in Oost-Europa geen arbeidersstaten bestonden, ook niet in een gedeformeerde versie, zoals het Franse Lutte Ouvrière, konden de draagwijdte van de gebeurtenissen niet inschatten. Andere, zoals de Britse Socialist Workers Party (SWP), die de Sovjetunie hadden beschouwd als staatskapitalisme, een bijzondere vorm van kapitalisme, al evenmin. De SAP ging zelfs zover op de achterpagina van de krant‘Rood’ Jeltsin en Ortega uit te roepen tot de hoop voor het socialisme en publiceerde in 1993 de brochure “De hoop doen herleven”, waarvan de titel alleen al boekdelen spreekt.

De PVDA had nog een bijkomend probleem. Tot het aantreden van Gorbatsjov had ze de pro-Chinese buitenlandlijn aangehouden. Maar tussen oktober 1987 en begin 1989 greep in Solidair een debat plaats: “Van de Oktoberrevolutie tot de Glasnost.” Leden en niet-leden gaven hun mening. Damien Robert (Analyse de l’évolution idéologique et politique du PTB, 1979-1990. Louvain-la-Neuve, 2001) beweert dat dit geen radicale ommekeer was, maar een progressieve evolutie. Enerzijds wegens de Chinese kwestie waar “onder Deng Xiaopeng een soortgelijk proces plaats vond als onder Chroesjstjov. Corruptie, desinteresse van de massa voor het socialisme en het opheffen van bepaalde marxistisch-leninistische principes”. Anderzijds omdat “het Amerikaanse imperialisme onder leiding van Reagan nu veel gevaarlijker was dan het Sovjetrussisch imperialisme, hoewel dat laatste ook nog steeds op de loer lag.”

In Solidair nr. 733 (januari ’88) mocht Gorbatsjov zelfs in een polemiek tegen het Trotskisme, twee bladzijden lang (blz. 14 en 15) de balans opmaken van de Sovjetunie in WOII. Tot in 1989 stond in het vast kader van Solidair, dat omschrijft waar de PVDA voor staat: «Gorbatsjov heeft een groot aantal van deze negatieve fenomenen [de opportunistische lijn van Chroestsjov etc.] bekritiseerd en een aantal positieve hervormingen ingeluid.» De grote verdedigers van Gorbatsjov in België vond men bij de PVDA. Het regime van de Sovjetunie was nu geen fascisme meer, haar economie geen (staats-)kapitalisme en haar buitenlandpolitiek geen sociaal imperialisme meer. De PVDA had het reëel bestaand socialisme ontdekt, maar niet voor lang. Na de gebeurtenissen op Tien An Men, de val van de muur, de ontwikkelingen in Roemenië en de restauratie in de Sovjetunie, kwam aan die evolutie bruusk een einde.

Wim de Neuter vertelt (geciteerd door Jan Buelinckx in ‘Radicaal-links in België en de val van de Muur’): “Op het moment van de studentenopstand op het Tien An Men-plein in Peking was ik chef buitenland van Solidair. Toen op 4 juni het protest genadeloos werd onderdrukt moest er natuurlijk direct een standpunt uitgewerkt worden. Voorzitter Ludo Martens was daarbij niet aanwezig. De repressie werd veroordeeld. Diezelfde nacht nog komt Ludo Martens binnen met een drie bladzijden tellend kant en klaar artikel over de gebeurtenissen in China. Daarin werd de houding van de Chinese regering goedgekeurd. Kris Merckx verzette zich niet. Ikzelf vond dit onbegrijpelijk.”

“De druppel die de emmer deed overlopen was het standpunt over de gebeurtenissen in Roemenië, eind 1989. Er was een partijdelegatie vanuit Charleroi naar Roemenië geweest naar aanleiding van de Roemeense dorpen-campagne. Het verslag dat één van hen van de reis maakte en dat in Solidair verscheen, was ronduit verschrikkelijk. Het regime van Ceaucescu werd de hemel in geprezen… Ik schreef een cynische ontslagbrief en op 2 januari 1990 verliet ik definitief de partij.”

In “Van Tien An Men tot Timisoara, strijd en debatten binnen de PVDA” schrijft Martens in de inleiding: “De definitieve verdwijning van het communisme had in België naar alle logica moeten leiden tot de ontbinding van de PVDA. Toen de Sovjetdissidenten de CPSU ten grave hadden gedragen, stonden ook binnen de PVDA twee dissidenten op om de liquidatie te organiseren. Uiteindelijk zouden er acht of negen de stap zetten naar die stralende en schitterende toekomst zonder communistische partij, waar de hele wereld begin 1990 zo naar verlangde.” In “USSR, de fluwelen contrarevolutie” (1991) komt Martens tot de conclusie dat Gorbatsjov de Sovjetunie op de rand van de afgrond heeft gebracht. In “Een andere kijk op Stalin” (1994) tenslotte, vindt hij het nog maar eens nodig het onverdedigbare goed te praten.

Heksenjacht tegen Vonk

Ook de voorlopers van LSP zouden hun prijs betalen voor de contrarevolutie in het Oosten. In 1986 waren we erin geslaagd ons ledenaantal meer dan te verdubbelen, van 50 naar 130, en daarna groeiden we door naar 200. Dat betekent dat de meeste leden op het ogenblik van de val van de Muur hoogstens drie jaar activiteit achter de rug hadden. Slecht is dat niet, maar bij velen onvoldoende om stand te houden als het socialisme in de verdrukking komt zoals dat toen het geval was.

Heel wat arbeiders, nochtans meestal zonder illusies in het stalinisme, hadden in het Oostblok het bewijs gezien dat een alternatief systeem op het kapitalisme wel degelijk mogelijk was. Die hoop werd de grond ingeboord. Velen haakten af. De leiding van de SP maakte van hun afwezigheid gebruik om alle socialistische ‘ballast’ overboord te gooien. Organisatorisch werd orde op zaken gesteld door de zogenaamde baronieën die op basis van een sterke achterban over een zekere autonomie beschikten, aan de leiband te leggen. Onvermijdelijk zou nu ook komaf gemaakt worden met de marxistische vleugel rond Vonk.

De eerste plaats waar orde op zaken gesteld werd, waren de Jongsocialisten. In aanloop naar het congres van 17 februari 1990 werd door het nationaal bureau de afdeling Antwerpen ontbonden en de federatie Brussel niet langer erkend. Persmoties daartegen door de afdelingen Boom en Schoten, solidariteitsverklaringen van het Onafhankelijksheidsfront en LRB Antwerpen en een steunadvertentie in De Morgen waren niet meer dan achterhoedegevechten. De beslissing was genomen en zonder mandaten van Brussel en Antwerpen lag de uitslag van het congres bij voorbaat vast.

Op het congres bleken als bij wonder 100 afdelingen te bestaan met in totaal 250 mandaten. Het congres tevoren waren het er nog maar 40 met 130 mandaten. De samenstelling van het congrespraesidium, dat het congres leidt, werd zelfs op het Nationaal Bureau geheim gehouden. Daar zaten immers pottenkijkers van de federaties. Het bestond uitsluitend uit vrienden van de uittredende ploeg. Er waren 17 kandidaten voor 8 posities. Pascal Smet was kandidaat voorzitter van een ploeg van 8. Miguel Chevalier, die later zou overlopen naar de VLD, en Zohra Othman, nu districtsschepen voor de PVDA in Borgerhout, maakten er deel van uit. Eric Byl was kandidaat voorzitter van een ploeg van 7 vonkisten met Erik De Bruyn (later Rood), Jo Coulier (nu hoofddelegee van ACOD-VUB) en Peter Ghijselbrecht (één van de 22 vonkisten van Oostende die wat later uit de partij werden gezet).

Smet haalde het met 150 mandaten tegen 60, bij 40 onthoudingen. Dat was eigenlijk onder zijn verwachtingen, maar heel wat ‘gewone’ JS-ers waren gescandaliseerd door het ondemocratische verloop. Het congres werd in opdracht van het SP-bureau professioneel gefilmd en later vertoond op het SP-bureau. De tekst “Revolutionair Socialistische Arbeidersbond; Belgische afdeling van het Committee for a Workers’ International, alias Vonk, een kennismaking” werd aan alle SP-afdelingen gestuurd. Dirk Vander Maelen kreeg de boodschap in Geraardsbergen, waar Eric Byl SP-ondervoorzitter was, orde op zaken te stellen, maar het raakte nooit voorbij het uitvoerend bestuur van die afdeling, dat Eric bleef steunen.

In de zomer van dat jaar stapte het Oostends parlementslid Alfons Larridon uit de partij omdat de partijdiscipline hem verbood tegen het lentedecreet van onderwijsminister Coens te stemmen. Op basis van de voorkeurstemmen was de logische opvolger van Larridon de Oostendse Vonkist Yves Miroir. Om dat te vermijden parachuteerde het nationaal bureau van de SP Johan Vande Lanotte, toen kabinetchef van minister Louis Tobback. Vande Lanotte was echter geen lid van de afdeling en dus moest eerst orde op zaken gesteld worden. De volledige SP-afdeling van 900 leden werd ontbonden en 22 Vonkisten werden uit de partij gezet. Willy Claes, die later wegens een fraudezaak ontslag moest nemen als algemeen secretaris van de NAVO, zei op het partijbureau: “Miroir moet niet proberen uit te halen met de nieuwe kandidaat Vande Lanotte, wat hij gedaan heeft met Larridon – het spel van de afdeling Oostende is uit.”

Desillusie, verwarring en splitsing

Het echte probleem waren echter niet de bureaucratische manoeuvers. Die wogen niet op tegen de desillusie en de verwarring die was ingetreden met de contrarevolutie in het Oosten. Zoals we in de eerste hoofdstukken uitlegden, was het de sociale samenstelling van de sociaaldemocratie, haar overgang van een burgerlijke arbeiderspartij naar een zuiver burgerlijke partij die ons parten speelde. Heel links was op dat moment in crisis. De PVDA kende een splitsing en verloor wellicht ook heel wat militanten die de moeite niet namen om er nog een strijd rond op te zetten. De SAP liep terug naar nog 160 leden, de KP was haar laatste parlementaire verkozenen kwijt.

Voor Vonk kwam daar nog bij dat haar belangrijkste werkterrein, de Jongsocialisten, een verzamelplaats voor yuppies werd. De klassenstrijd weerspiegelde zich niet langer binnen de SP, die op sociaal vlak werd omgevormd naar een woestijn. Het duurde enige tijd voor de marxistische vleugels georganiseerd in het Committee for a Workers International, die werkten in de sociaaldemocratie, deze ontwikkeling ten volle begrepen. Tegen midden 1990 was het aantal leden van Vonk al teruggelopen tot minder dan 130.

Een minderheid van het CWI dacht dat het stalinisme zich zou herstellen. Dat het door het Sovjetleger geïnstalleerde regime in Afghanistan van Mohammed Nadjiboellah stand zou houden en dat de Apartheid in Zuid-Afrika enkel door een revolutie ten einde zou komen. Ze dachten ook dat de verrechtsing van de sociaaldemocratie slechts een tijdelijk verschijnsel was, dat uiteindelijk door een revolte aan de basis ongedaan gemaakt zou worden.

De meerderheid van het CWI was integendeel van oordeel dat het stalinisme zoals we dat gekend hadden na WOII definitief ten grave gedragen was. Ze sloot niet uit dat in een aantal landen, zoals Peru, de Filipijnen of Nepal, maoïstische guerrilla’s aan de macht zouden komen, maar dacht dat die het, zoals later bleek in Nepal, snel op een akkoord zouden gooien met de elite. Het Afghaanse regime van Nadjiboellah was zonder steun van de Sovjetunie ten dode opgeschreven en werd in 1992 onder de voet gelopen. Het Westerse imperialisme vond dat Mandela moest vrijgelaten worden voor hij stierf in de gevangenis, hetgeen ongetwijfeld massabewegingen van de zwarte arbeidersklasse geprovoceerd zou hebben. Nu de Sovjetunie van de baan was, zou het ANC niet langer een bedreiging vormen voor het kapitalisme in Zuid-Afrika. Het imperialisme kon met vertrouwen haar steun aan apartheid laten varen.

Voor het CWI kwam de nadruk meer en meer te liggen op onafhankelijk werk, buiten de traditionele burgerlijke arbeiderspartijen van de sociaaldemocratie. Toen de Schotse afdeling van het CWI als eerste voorstelde om een onafhankelijke partij te vormen, kreeg dit de steun van de meerderheid van het CWI. Een nieuwe situatie vergt immers nieuwe tactieken. Voor de minderheid kwam dit neer op het verlaten van methodes die 40 jaar lang uitgeprobeerd en uitgetest waren. Ze verliet het CWI om hetgeen later de IMT (International Marxist Tendency) zou worden op te richten. Dat was niet onbelangrijk, want internationaal stond dat toch voor 15% van het CWI en bovendien ging ook grondlegger Ted Grant mee met die stroming. In België namen beide stromingen elk een dertigtal militanten mee, terwijl de overgrote meerderheid er definitief de brui aan gaf.

Op het eerste gezicht hadden de Vonkisten meer nog dan de andere linkse partijen klappen gekregen. Achteraf bekeken, was dat vanuit het standpunt van LSP echter een noodzakelijke breuk die ons bevrijdde van het dogmatisch vasthouden aan een achterhaalde analyse en bijhorende tactiek. De 60 overblijvers, ongeacht welke positie ze kozen, waren niet de minste. Ze hadden hun opvattingen tot coherente visies gesmeed in confrontatie en debat met andere stromingen, in het bijzonder door hun jarenlange werking in de Jongsocialisten en de SP. Numeriek moesten ze onderdoen voor de Vonkisten in de jaren 1980 en voor de meeste andere linkse strekkingen. Maar ze wisten wel hoe ze een kader moesten opbouwen, hoe ze bredere lagen konden benaderen en hoe ze iedere kans, tot de kleinste toe, politiek en organisatorisch konden benutten.

Zeker de meerderheid, die achteraf LSP zou vormen, was politiek beter voorbereid dan de meeste linkse groepen om in de nieuwe situatie tussen te komen. In zijn boek “Wat het Vlaams Blok Verzwijgt” uit 2000, schrijft Marc Spruyt: “Blokbuster is een kleine organisatie met een grote dadendrang. Ze organiseert tientallen protestacties tegen Blok-bijeenkomsten en groeit op korte tijd uit tot de militantste anti-fascistische organisatie. Extreemrechts kan het bloed van de Blokbusters wel drinken.” Heel wat van de huidige kaders van LSP zijn in die strijd gewonnen en gevormd. Het dynamisme en de wil om een strijdbare marxistische organisatie te bouwen, werkte ook aanstekelijk. In 1995 en 1997 wonnen we telkens Franstalige groepen, waarmee we voor het eerst ook een Franstalige editie van onze krant uitgaven en onze eerste stappen zetten in Brussel en later Wallonië.

In Gent en Luik slaagden we er met wijkcampagnes in om een benadering te vinden naar arme lagen die de meesten verloren zouden wanen voor linkse politiek. We begonnen dan ook te experimenteren met verkiezingsdeelnames. Tegen de eeuwwisseling hadden we SAP en KP ingehaald, misschien niet noodzakelijk in ledenaantal, we zijn dan nog maar met een 100-tal, maar zeker in zichtbaarheid en activiteit. In volle anti-globaliseringsbeweging en daarna in de anti-oorlogsbeweging speelde onze strekking, onder meer via de campagne Internationaal Verzet een rol die haar numerieke sterkte ver oversteeg. Op een paar jaar tijd verdriedubbelde het aantal leden.