Analyse door Khalid Bhatti, Socialist Movement Pakistan

Betoging in de provincie Sindh tegen religieus extremisme. De betoging vond vorig weekend plaats op initiatief van de Socialist Movement Pakistan.

Betoging in de provincie Sindh tegen religieus extremisme. De betoging vond vorig weekend plaats op initiatief van de Socialist Movement Pakistan.

Een jaar geleden, na de gewelddadige aanslag op de Army Public School (APS) in Peshawar op 16 december 2014, begon het Pakistaanse leger een massale militaire operatie doorheen het land. Bij de aanslag kwamen bijna 150 jonge studenten om het leven. Het leger en paramilitaire krachten zijn sindsdien betrokken in een harde strijd tegen religieuze extremistische groepen. Dit is niet enkel in de stammengebieden het geval, overal in het land zijn er confrontaties.

De brutale aanslag op APS heeft in zekere zin tot grote verandering geleid. De Pakistaanse legerleiding nam een duidelijk standpunt in tegen de groepen die bij aanslagen betrokken waren en besloot om de confrontatie aan te gaan. Deze opstelling werd wel beperkt tot groepen die overgaan tot militaire strijd tegen het leger en sommige groepen die verbonden zijn met Al Qaeda of ISIS. Tegen groepen die niet direct bij gewapende strijd betrokken zijn, wordt niet opgetreden. Ook niet als deze groepen haat en religieus extremisme blijven verspreiden in de samenleving. Deze koers van het leger vormt een breuk met het vorige beleid waarin dergelijke krachten beschermd werden zodat ze in Afghanistan konden ingezet worden om strategische vooruitgang te boeken op andere regionale machten.

Het militaire establishment heeft met steun van imperialistische machten, het VS-imperialisme in het bijzonder, tal van jihadistische groepen opgeleid en bewapend om ze nadien in te zetten tegen de Russische krachten die in Afghanistan actief waren. Het Pakistaanse militaire establishment en de regeringen sinds eind jaren 1970 hebben jihadistische en religieus extremistische standpunten verdedigd, zowel in het land als daarbuiten. Dit gebeurde om de eigen belangen te dienen. Er werden duizenden religieuze scholen opgezet in het land, doorgaans op puur sectaire basis. De religieuze extremistische krachten, zowel de gewapende als de ongewapende, gebruikten deze kans om hun invloed te vergroten en om hun extremistische standpunten ingang te laten vinden in de samenleving. Dit gebeurde erg openlijk vanaf 1976 tot 2001, toen de aanslagen van 11 september in de VS plaatsvonden.

Het leger moest het beleid na 11 september 2001 wat aanpassen om deel te zijn van de zogenaamde ‘oorlog tegen terreur’ die door de VS werd gevoerd. De Pakistaanse overheid bood het Amerikaanse leger alle mogelijke hulp in de strijd tegen de Taliban, maar tegelijk bleef het regime Taliban-strijders onderdak aanbieden in Pakistan. Dit dubbelspel werd helemaal duidelijk toen de Taliban overging tot meer aanvallen op NAVO-troepen in Afghanistan. Het zette de relaties tussen het Pakistaanse leger en de Amerikaanse administratie onder druk. Pakistan stuurde voor het eerst zijn leger naar de stammengebieden in de hoop dat het de VS hiermee kon geruststellen.

Toen het leger in 2004 naar het stammengebied werd gestuurd, leidde dit tot een nieuwe golf van willekeurig geweld en zelfmoordaanslagen tegen zowel burgers als de overheid. Het Pakistaanse leger begon selectieve operaties tegen sommige extreme religieuze groepen, maar deze halfslachtige benadering kon geen einde maken aan de Taliban. Die Taliban bleef de stammengebieden controleren en in 2009-10 heerste de Taliban over de Swatvallei. Sommige commentatoren hadden het over de mogelijkheid van een overname van Islamabad door de Taliban. Het leger begon een grootscheepse militaire operatie waarmee de Taliban uit de Swatvallei werd verdreven. De legerleiding sloot verschillende vredesakkoorden met Talibangroepen of andere extremistische groeperingen. Sinds september 2001 zijn er bijna 56.000 burgers en naar schatting meer dan 3.800 agenten, paramilitairen en soldaten om het leven gekomen. De kost voor de economie wordt op 89 miljard dollar geschat.

De ineenstorting van de economie, de slechter wordende veiligheidssituatie, de afname van buitenlandse en lokale investeringen en de groeiende druk van China om de situatie te verbeteren, dwong het leger tot een grootschalige operatie tegen de gewelddadige militante groepen. De aanslag op APS en de brutale moord op tientallen jongeren van militaire families dwong de legerleiding tot een meer vastberaden optreden.

Het feit dat er een Chinese belofte van 46 miljard dollar aan investeringen was om een ‘Pakistaans-Chinese economische corridor’ te vormen, speelde uiteraard ook een belangrijke rol voor de strategie van de militaire en heersende elite. De miljardenprojecten waarvan sprake worden al opgestart. De meeste ervan zullen in 2017 en 2018 afgewerkt worden. Er zijn grote infrastructuurwerken in het land waarbij deze nieuwe wegen, luchthavens, industriële sites en energiestations al in aanleg zijn.

Het leger en de burgerlijke regering hebben een gezamenlijke strategie in de vorm van het Nationaal Actieplan (NAP) waarmee ze een einde willen stellen aan religieuze gewelddadige groepen die een bedreiging vormen voor de miljardenprojecten. De politie, de veiligheidsdiensten, paramilitaire krachten en het leger hebben de situatie sindsdien onder controle en zorgen voor een afname van het geweld. Er zijn nieuwe harde wetten om extra macht aan de politie en andere ordediensten te geven. Het parlement amendeerde de grondwet waardoor er de komende twee jaar militaire rechtbanken kunnen opgezet worden voor terreurzaken. Er zijn ook drastische beperkingen van democratische rechten en vrijheden. De regering onder leiding van de PML-N heeft het verbod op gerechtelijke executies opgegeven waardoor er opnieuw dagelijks mensen worden opgehangen.

De gewelddadige groepen zijn op de loop, de meesten vertrokken uit de stammengebieden en doken onder in Afghanistan. Pakistan is naast Irak en Syrië al meer dan vijf jaar een van de meest gewelddadige en gevaarlijke landen. Maar nu begint de situatie te verbeteren.

Het Pakistaanse leger heeft de controle op de stammengebieden effectief veroverd op de Taliban en andere extremistische groeperingen. Het leger heeft heel wat religieuze scholen vernield en gesloten. Deze scholen waren fabrieken waar plegers van zelfmoordaanslagen werden opgeleid. Er is een terugkeer van een relatieve kalmte en rust in deze gebieden. Maar de vraag blijft hoe lang deze situatie zal blijven duren? Wat gebeurt er als het leger zich uit deze gebieden terugtrekt?

De ervaring van de Swatvallei is interessant hiervoor. Het geeft aan dat er een permanente militaire aanwezigheid nodig is om de situatie onder controle te houden. Een burgerlijke administratie kan de regio niet besturen en een ‘normale vrede’ bewaren. De stammengebieden hebben nood aan radicale hervormingen en een volledige integratie in de meer ontwikkelde gebieden van de provincie Khyber Pakhtoonkwa (KPK, de voormalige Noordwestelijke Grensprovincie). De heersende elite van Pakistan voorziet niet in de nodige middelen om de materiële voorwaarden van de bevolking in het stammengebied te veranderen. Deze bevolking leeft in isolement, in een achtergebleven gebied dat al decennialang gekenmerkt wordt door armoede. Het kapitalisme is niet in staat om het leven van miljoenen mensen in de stammengebieden te verbeteren en zo uit de greep van het reactionaire en repressieve stammensysteem en bijhorende tradities te halen.

Het geweld nam het voorbije jaar af. De veiligheidssituatie is relatief beter geworden. Het geweld in Karachi liep uit de hand, er werden gemiddeld 2500 to 3000 mensen per jaar vermoord om puur politieke redenen. Er waren gebieden binnen Karachi waar de politie of het leger niet binnen kon. Dit is nu allemaal verdwenen, ook blijven sommige gebieden onder controle van extremistische groepen staan. Maar de algemene veiligheidssituatie in Karachi is verbeterd in vergelijking met de voorbije jaren.

De steun onder de werkende bevolking voor extremistische religieuze groepen staat op een historisch dieptepunt. Dit blijkt ook uit de recente lokale verkiezingen waar de religieuze groepen minder dan 1% van de zetels haalden. Ze zijn niet gevaarlijk omdat ze massale steun genieten, maar omdat ze dood en vernieling kunnen zaaien. Ze zijn brutaal en meedogenloos waarbij reactionaire tactieken worden gebruikt om een terreurbewind op te leggen. De massa’s steunen dit niet, ze zijn er bang van. Het leger en de regering gebruiken de media om tegen deze groepen en hun ideologie in te gaan. Maar dit betekent niet dat dergelijke groepen geen enkele steun genieten. In sommige delen van het land is er een zekere steun. Er zijn aanhangers en groepen in heel het land. Deze groepen kunnen veel vernielingen en paniek creëren. Dit werd recent nogmaals aangetoond toen in de buurt van Peshawar in KPK een luchtmachtbasis werd aangevallen.

De situatie kent veel tegenstellingen. Enerzijds is er onder de werkende massa’s weinig steun voor extremistische standpunten, maar anderzijds is er een sterke opmars van religieuze gevoelens. De religieuze intolerantie is de voorbije jaren toegenomen. Dit bleek enkele weken terug nog in de stad Jhelum in het noorden van Punjab. Een woedende menigte stak een fabriek in brand op basis van de beschuldiging dat er in de fabriek pagina’s uit de Koran waren verbrand. Er vielen heel wat doden, waaronder arbeiders van fabriek.

De situatie is tegenstrijdig. Enerzijds is er onder de werkende bevolking weinig steun voor religieuze extremisten, maar anderzijds is er een opmars van religieuze gevoelens. De religieuze intolerantie is ook toegenomen. Zo werd enkele weken geleden in de stad Jhelum in het noorden van de provincie Punjab een fabriek in brand gestoken door een woedige menigte. Dat gebeurde na de verspreiding van het gerucht dat pagina’s uit de Koran verbrand waren in de fabriek. De woedende reactie maakte dat er verschillende doden vielen, vooral arbeiders van de fabriek.

Intolerantie is niet beperkt tot de armen en de analfabeten. Het is ook aanwezig in de hoogst opgeleide toplagen en de middenklasse. Het proces van intellectuele discussie en debatten die met religie te maken hebben, is al gestopt omdat er zoveel intolerantie tegen bestaat. De moord op een seculiere liberale vrouwenrechtenactiviste in Karachi door een groep hoogopgeleide jongeren is een uitdrukking hiervan. Deze jonge mannen waren voormalige studenten van een prestigieuze onderwijsinstelling en behoorden tot de hogere middenklasse.

De scholen die religieuze extremisten opleiden staan nog steeds sterk. Religieuze scholen hebben jaarlijks een miljoen studenten die bewerkt worden met propaganda van sectaire haat, intolerantie en een erg eng wereldbeeld. Deze scholen zijn de perfecte recruteringsgrond voor extremistische gewelddadige groepen. De heersende klasse is niet in staat om de positie van de religieuze scholen af te breken of controle op de scholen te verwerven. Er zijn meer dan 30.000 geregistreerde en ongeregistreerde scholen in het land en hun aantal neemt nog steeds toe. De meeste studenten komen uit het zuiden van Punjab, het platteland van Sindh en delen van de provincie KPK. Het gaat om de meest verarmde en achtergestelde delen van het land. Arme gezinnen sturen hun kinderen naar de religieuze scholen. Ze doen dit niet omdat ze zelf zo religieus zijn, maar omdat ze arm zijn en hun kinderen niet kunnen onderhouden. De religieuze scholen voorzien gratis onderdak, voedsel, kledij en onderwijs voor arme kinderen. Gezinnen zouden hun kinderen niet naar religieuze scholen sturen indien ze over een duurzaam alternatief beschikten. Maar dit is niet mogelijk op kapitalistische basis. Het kapitalistische en feodale systeem hebben de voorwaarden gecreëerd waarop armoede, honger, intolerantie en religieus extremisme welig kunnen tieren.

Het kapitalistische systeem is gebaseerd op winst, uitbuiting, klassenonderdrukking en de bescherming van de belangen van een handvol rijken en de heersende klasse van kapitalisten, feodale grootgrondbezitters en bureaucraten, zowel in het leger als de burgerlijke administratie.

Er moet dringend gebouwd worden aan een beweging die de arbeidersklasse, arme boeren, studenten, de stedelijke en landelijke armen verenigt met de middenklasse en delen van de hogere middenklasse tegen de uitbuiting door het kapitalisme en de feodale grootgrondbezitters. Enkel een eengemaakte niet-sectaire beweging kan een weg vooruit aanbieden en een einde maken aan de dreiging van geweld en economische teloorgang of nog aan de algemeen verspreide corruptie. Enkel zo’n beweging kan opkomen voor democratische, nationale en economische rechten voor iedereen. Een beweging die opkomt voor een alternatief socialistisch systeem gebaseerd op publiek bezit en democratische controle en planning van de economie is nodig. Er is nood aan een democratisch socialistische geplande economie.

De werkenden en arme massa’s moeten zich, samen met al wie door het kapitalisme en feodalisme wordt uitgebuit, organiseren op klassenbasis en de ideeën van het socialisme omarmen om de strijd verder te zetten en een einde te maken aan dit rotte en reactionaire systeem.