LSP in debat

De afgelopen dagen werd op een discussieforum van de site politics.be een forumsessie met LSP opgestart. Iedereen die het wenst kan daar vragen stellen aan LSP’ers of debatteren over tal van onderwerpen. Hieronder vind je een paar opmerkelijke bijdragen. Er kunnen nog altijd vragen gesteld of opmerkingen gemaakt worden op dit forum.

Vraag:

Wat is het verschil tussen de LSP en de SPa: toch beiden linkse partijen volgens mij? En waarom moeten de mensen de LSP verkiezen boven de SPa?

Antwoord door Anja Deschoemacker:

Heel wat mensen zullen zich wellicht afvragen of LSP de linkse kiezers niet eerder verdeelt dan ze te versterken.

Velen zullen het met ons eens zijn betreffende een aantal kritieken op het door de SPa gevoerde beleid, maar tegelijk zullen ze zich afvragen of een "nuttige stem" voor het minste kwaad op 13 juni niet meer oplevert dan een stem voor LSP.

Voor alle duidelijkheid: LSP bestaat als onafhankelijke partij slechts sinds 1995, eerst als Militant Links (Militant in het Franstalig landsgedeelte) en vanaf 2001 als LSP, Linkse Socialistische Partij (Mouvement pour une Alternative Socialiste langs Franstalige kant).

Voordien waren we de marxistische linkervleugel binnen de SP onder de naam Vonk (nu werkt er nog een klein groepje onder die naam) en vanaf 1992 onder de naam "Militant". Wij waren toen immers van oordeel dat arbeiders (daarmee bedoelen we alle loontrekkenden, zij die van hen afhankelijk zijn en mensen die moeten leven van een vervangingsinkomen) en jongeren, zodra ze in actie komen tegen het besparingsbeleid, zich eerst zouden richten naar hun "traditionele" organisaties. Op syndicaal vlak zijn dat het ABVV en het ACV en op politiek vlak was dat in het verleden de SP, de voorloper van SPa. Dat verklaart bijvoorbeeld waarom LSP en haar voorlopers nooit hebben voorgesteld aan arbeiders om hun lidboekje van ABVV en/of ACV te verscheuren en een nieuwe "revolutionaire" vakbond te stichten, zoals AMADA (nu Partij van de Arbeid) destijds bepleitte.

Uiteraard is LSP niet blind voor het verraad van de vakbondsleidingen, maar in plaats van zich af te scheuren en te isoleren ten opzichte van de twee grote bonden en daarmee van de meerderheid van de syndicaal georganiseerde arbeiders, vinden wij het nuttiger dat strijdbare arbeiders zich verenigen in een linkervleugel die strijdt voor strijdbare en democratische vakbonden.

Destijds was de SP een arbeiderspartij met een leiding die liever aan tafel zat met het patronaat dan met de arbeiders. Hoe ver dat kon gaan, is gemakkelijk te illustreren met enkele historische voorbeelden. Laat ons beginnen met De Man, auteur van "de psychologie van het marxisme" waarin hij als academicus probeert het marxisme te weerleggen. Deze intellectueel, die net als Frank Vanden Broucke enkele jaren studeerde in het buitenland, ontbond op 28 juni 1940 de Belgische Werkliedenpartij en riep de arbeiders op met de nazi’s te collaboreren.

Achiel Van Acker, de onbetwiste na-oorlogse BSP-leider, werd Achiel Charbon genoemd door de manier waarop hij de kolenslag had georganiseerd. De kolenslag bevatte de verplichte tewerkstelling van Duitse krijgsgevangenen, een loonstop en een feitelijk stakingsverbod met de dreiging om leger en rijkswacht in te zetten tegen "werkonwilligen".

Na de grote Algemene Staking tegen de Eenheidswet van ’60-’61 boekten socialisten en vooral communisten een verkiezingsoverwinning. In ruil voor het behoud van een aantal hoofdstukken van de eenheidswet en verstrengde maatregelen van ordehandhaving verkregen de socialisten sleutelposten in de regering Lefèvre-Spaak o.a. Economische Zaken, Buitenlandse Zaken en Sociale Zaken. Op het zogenaamde "onverenigbaarheidscongres" van december ’64 werden de radicalere Mouvement Populaire Wallon en La Gauche uit de partij gezet.

In december ’79 ondertekende SP-minister Willy Claes het NAVO-dubbelbesluit dat onder meer de installatie van de Pershing II en de Cruise-misssile op Belgische bodem toestond. In de jaren ’80 nam de SP nochtans massaal deel aan de anti-rakettenbetogingen.

Kortom: LSP en haar voorgangers hebben nooit illusies gekoesterd in de burgerlijke leiding van de SPa en haar voorlopers, de BWP, de BSP en de SP.

Toch werkten we lange tijd binnen de SP omdat die partij historisch en inzake sociale samenstelling nog steeds een arbeiderspartij was. De partij was niet ongevoelig voor druk van de basis. Ondanks het verraad van de leiding sloten arbeiders bij de partij aan zodra ze een politiek verlengstuk zochten voor hun sociale strijd. Wij wilden in dat proces aanwezig zijn met een programma dat breekt met de kapitalistische logica om de meest bewuste arbeiders te winnen.

Een dergelijke taktiek heeft vandaag echter geen enkele zin meer. Na 30 jaar besparingsbeleid blijft van de "arbeidersbasis" van de SPa nog weinig overeind. Niet dat er geen arbeiders stemmen op de SPa. Aangezien volgens de Nationale Bank 88% van de bevolking op actieve leeftijd bestaat uit loontrekkenden, werklozen inbegrepen, haalt zowat iedere partij in België en dus ook in Vlaanderen, haar stemmen hoofdzakelijk bij arbeiders.

In het verleden stemden arbeiders echter slechts op één partij met het specifieke argument dat ze arbeiders waren nl. voor de SP – "ik ben arbeider, dus ben ik socialist" – voor andere partijen stemden ze omdat ze christen, nationalist, vrijzinnig of wat dan ook waren. Vandaag is de laag arbeiders die SPa stemmen omdat ze arbeiders zijn, echter flinterdun geworden. Voooral de jongere generaties hebben nooit meer meegemaakt dat de SP of de PS reële verbeteringen voor de arbeiders "afdwongen".

De laatste hervorming in het voordeel van de arbeiders dateert al van 1964 met de wet Leburton (een speciaal statuut voor werklozen, invaliden, gehandicapten en wezen). Bovendien verlaten de weinige arbeiders en jongeren de SPa net op het moment dat ze in actie treden, net op het moment dus dat ze zich meer bewust worden van hun positie als arbeider. <p< De SPa leiding verbergt nu niet meer dat ze dikke vriendjes is met het patronaat. Oud-SP-minister Luc Vanden Bossche is de grote baas bij BIAC, de SP.a kandidaat-burgemeester van Antwerpen is de patroon van de grootste publiciteitsfirma van het land, SP.a voorzitter Stevaert is eigenaar van een caféketen.

Geen wonder dat Stevaert vindt dat wat goed is voor liberalen, dat ook is voor socialisten. De liefde van de SPa-top voor het patronaat blijft niet onbeantwoord. Bij de patroons staan Vande Lanotte en Vanden Broucke bovenaan in de populariteitspoll. De SP.a is steeds minder een arbeiderspartij en steeds meer de zogenaamde progressieve variant van de dominante burgerlijke partijen, naar het model van de Democratische Partij in de VS.

Zijn SPa en LSP beide "linkse partijen"? "Links" is een subjectief begrip. voor sommigen is zelfs Verhofstadt "links". Links is naar ons oordeel een populaire term om uit te drukken dat men op politiek vlak de kant van arbeid kiest tegen het kapitaal, terwijl rechts net op het tegendeel wijst. In die zin hebben wij het moeilijk om de SPa en ook Groen! vandaag nog "links" te noemen. "Links" in de naam van LSP moet erop wijzen dat we willen breken met de rechtse, pro-patronale politiek van de SPa. Die politiek is naar ons oordeel een rechtstreeks gevolg van de reformistische ideologie die de SPa leiding aannhangt.

In periodes van recessie of economische stagnatie leidt dit onvermijdelijk tot tegenhervormingen die ingaan tegen de belangen van de arbeiders. Vandaag voert de SPa getrouw de politiek uit van het patronaat: de verkoop van gemeenschapsbezit aan privé-kapitalisten, privatisering van overheidsdiensten, liberalisering of opengooien voor de markt van voormalige universele diensten als electriciteitsdistributie e.a. Inzake sociale zekerheid voert de SPa loyaal de door het patronaat gewenste ontmanteling door.

Het schrikbeeld van de baby-boom generatie die binnenkort op pensioen gaat, wordt voortdurend opgeroepen. De sociale zekerheid zou daardoor onbetaalbaar worden. Om dat te vermijden moet volgens de SPa de "sociale fraude" bestreden worden en de activiteitsgraad worden opgedreven. Dat laatste is een mooie uitdrukking die moet verdoezelen dat men de pensioenleeftijd wil optrekken. Het Zilverfonds is eigenlijk niets anders dan een instrument om het wettelijke pensioen op termijn te ondermijnen en op de markt te gooien. Als die baby-boom generatie zo’n probleem is, waarom heeft men dan destijds, toen al die baby-boomers nog bijdragen betaalden, niet de nodige reserves aangelegd in plaats van de overschotten in de sociale zekerheid systematisch af te romen om er woekerinteresten op de overheidsschuld mee te betalen? De SPa wil de "sociale fraude" bestrijden. Kortom, in een periode van snelle toename van de werkloosheid, wanneer het land meer dan een half miljoen officiële werklozen telt en het aantal officiële armen volgens het kansarmoederapport snel is gestegen tot 14% van de bevolking, wil de SPa de werklozen eens flink aanpakken, alsof die daar allemaal vrijwillig voor kiezen.

Als de SPa de sociale fraude even doortastend aanpakt als de fiscale fraude kunnen de werklozen op beide oren slapen. Helaas, wij vrezen dat de werklozen er minder goedkoop zullen afkomen dan de grote fraudeurs.

Waarom LSP en niet SPa? Na de verkiezingsnederlaag van de SP in ’95 lanceerde Louis Tobback de campagne "de SP is nodig". Heel wat linkse intellectuelen hebben die campagne toen onderschreven. Heel wat arbeiders en jongeren hebben daarna SP gestemd om de afbraak van de sociale zekerheid tegen te gaan. Twee jaar na datum namen een aantal van die linkse intellectuelen ontgoocheld afstand van die campagne in een open brief aan de pers.Op 13 juni zal opnieuw het blauw-zwarte doembeeld opgewekt worden om op te roepen voor een nuttige stem. Stevaert heeft nu al aangekondigd dat wie progressief is en niet op SPa stemt, de linkerzijde verdeelt en "wie links verdeelt, stemt conservatief". We weten dus waar we aan toe zijn.

Heel wat linkse intellectuelen en ook arbeiders zullen in de komende maanden toch maar het zekere voor het onzekere nemen. Deze keer zal het echter geen twee jaar duren vooraleer men ontgoocheld zal terugblikken op 13 juni. De plannen van de regering en die van de SPa-top zijn duidelijk: de massale overdracht van middelen van arm naar rijk zal niet enkel doorgezet, maar nog versneld worden.

Het is een illusie dat men de besparingen verzacht door vandaag SPa te stemmen. Integendeel: het patronaat weet heel goed dat met de SPa in de regering het ABVV en vooral het FGTB veel beter in de pas gedwongen kan worden. De SPa zal dezelfde politiek voeren als haar Duitse sociaal-democratische collega Schröder die probeert het zwaarste saneringsplan uit de Duitse geschiedenis door te voeren, onder meer door de pensioenleeftijd op te trekken tot 70 jaar.

De LSP wil hiertegen een tegenkracht opbouwen. Er is nood aan een echte, linkse oppositie, die zich verzet tegen de uitverkoop van gemeenschapsmiddelen, tegen ondermijning van de arbeidscontracten, tegen de verdere afbouw van de sociale huurmarkt etc… Is het programma van LSP betaalbaar? Met het enorme vermogen van België (1000 miljard euro), een fiscale fraude die door de senaat geschat wordt op 15 miljard euro, een woekerrente van 15 miljard euro op de overheidsschuld en een jaarlijkse gezamenlijke bedrijfswinst van 25 miljard euro is ieder programma betaalbaar. De vraag die we ons moeten stellen, luidt: bestaat de politieke wil daartoe? Het is duidelijk dat het patronaat de werkende bevolking de broeksriem zo strak mogelijk wil aanspannen. Daaraan toegeven in de hoop dat het later wel zal beteren, leidt tot bittere ontgoocheling. LSP wil proberen een krachtsverhouding op te bouwen die het mogelijk maakt te breken met de kapitalistische waanzin. Wij staan voor een democratisch socialistisch systeem waarin volkeren zich op vrijwillige basis aaneensluiten en iedere vorm van uitbuiting en onderdrukking bestreden wordt.

Vraag:

Waar kan ik voor u stemmen? 8-) http://www.verkiezingssite.be/

Antwoord door Anja Deschoemacker:

Mooi, lief meisje? Ieder zijn smaak natuurlijk, en het is misschien als compliment bedoeld, waarvoor dank, maar ik zou mezelf niet meteen zo voorstellen. Voor mensen die mij en mijn partij kennen, is dat evenmin de eerste beschrijving die in hun hoofd opkomt.

Het is voor mij een beetje een vreemd verband: stemmen doe je niet op iemand vanwege hun uiterlijk, maar vanwege de standpunten die ze verdedigen. Anderzijds begrijp ik wel dat wat vandaag in de politiek gebeurt, leidt tot dat soort inschattingen. De babe-politici zijn al enige tijd aan een opmars bezig en het Freya-fenomeen heeft zijn effect niet gemist. De eerste campagne van Freya Vanden Bossche riep zelfs expliciet op om voor haar te stemmen omwille van haar blote benen. Op die manier leidt meer vrouwen in de politiek ironisch genoeg tot een verzwakking van de positie van vrouwen en een versterking van het seksisme dat vandaag welig tiert.

In die zin is het dan natuurlijk ook een provocatie: LSP verzet zich net tegen dat soort ontwikkelingen. Ik ben zelf de medeoprichtster van de vrouwencommissie van LSP (in 1996, dus toen nog Militant Links) en speel er vandaag nog steeds een leidinggevende rol in. En voor ons is dat geen koffiekransje – we beschouwen het als een belangrijk werkingsterrein. LSP is niet akkoord met het vandaag dominante postfeminisme. Dat gaat ervan uit dat met de wettelijke gelijkheid ook echte gelijkheid tussen mannen en vrouwen verworven is. Of je het als vrouwen dus kunt “maken” in de huidige maatschappij hangt volledig van je individuele capaciteiten af. Probleem ermee is dat de cijfers op een andere, echte, werkelijkheid wijzen: vrouwen worden nog steeds gediscrimineerd op vlak van tewerkstelling, lonen en arbeidsvoorwaarden; ze zijn nog steeds vaker het slachtoffer van geweld binnen het gezin en lopen nog steeds gebukt onder de dubbele dagtaak; ze worden nog steeds vaak beoordeeld en voorgesteld als een lustobject, in plaats als een menselijk wezen dat begiftigd is met een persoonlijkheid, met ideeën en talenten,… Het is juist die situatie die ertoe leidt dat er minder vrouwen in politieke organisaties betrokken zijn dan mannen. Voor het grootste deel is dat te wijten aan het feit dat vrouwen door de dubbele dagtaak gemiddeld een pak minder vrije tijd hebben dan mannen – ik kan er als alleenstaande moeder van een kind van drie over meespreken. Vrouwen worden verder nog steeds anders bejegend in de burgerlijke samenleving, ook in het politieke wereldje dat met uitstek een mannenwereld is. Of vrouwelijke politici het vandaag écht kunnen maken in de politiek heeft veel met hun uiterlijk te maken, wat van mannelijke politici niet kan worden gezegd.

LSP verdedigt een programma tegen discriminatie. Ons feminisme is echter een feminisme dat de eenheid binnen de arbeidersklasse wil herstellen, een eenheid die steeds opnieuw bedreigd wordt door het burgerlijke seksisme dat dagelijks over ons hoofd wordt gestort. Naar onze mening hebben mannen uit de werkende klasse niets te winnen bij dat seksisme en juist alles bij de echte bevrijding van de vrouw. Wij verdedigen o.a. de socialisering van de huishoudelijke taken, met publieke wasserijen, restaurants, kinder-, zieken- en bejaardenopvang,… Wij verdedigen niet gewoon gelijk loon voor gelijk werk, maar ook een herwaardering van de lonen in de laagstbetaalde sectoren, waarin veel vrouwen zijn tewerkgesteld. Wij eisen ook het recht op werk op voor iedereen en met werk bedoelen we vaste en voltijdse betrekkingen met uurroosters die bepaald worden door het personeel zelf. Om dit soort eisen te behalen, is strijd van vrouwen alleen niet voldoende. Anderzijds is de strijd van mannelijke arbeiders alleen niet voldoende om de huidige aanvallen op tewerkstelling, openbare diensten, sociale zekerheid,… af te wenden en zeker niet om dit systeem dat leeft op ongelijkheid en uitbuiting omver te werpen. Eenheid tussen mannen en vrouwen uit de werkende bevolking is in ons belang, seksisme en discriminatie van vrouwen niet.

Dus bedankt voor het compliment, maar neen bedankt. Als je op een “mooi lief meisje” wil stemmen, ben je bij Freya aan een beter adres. Bij LSP is enkel een socialistisch programma en een strijdpartij die hiervoor wil vechten in aanbod.

Vraag:

Wat is het verschil tussen LSP, PVDA, SAP, KP,…? Als buitenstaander ben ik eerder geneigd om ze allen over één en dezelfde kam te scheren. Waarom doen jullie dat dan zelf ook niet? Vele kleintjes maken toch één groot? Is het niet veel beter om alle verschillen even opzij te leggen, en te kijken wat jullie gemeenschappelijk hebben? Of worden persoonlijke tegenstellingen ook bij links soms (te) belangrijke struikelblokken om tot een gemeenschappelijk front te komen tegen extreem en ultra rechts in Vlaanderen/België?

Antwoord door Geert Cool:

Er is inderdaad verdeeldheid ter linkerzijde. Voor marxisten volstaat het echter niet om dat vast te stellen en het eventueel jammer te vinden. Marxisten moeten op een materialistische wijze nagaan waarom er verdeeldheid is en wat er eventueel rond kan gedaan worden.

Verdeeldheid komt veelal voort uit nederlagen van de arbeidersbeweging op basis waarvan meningsverschillen ontwikkelen. Dit werd reeds duidelijk in de Eerste Internationale waar de uiteindelijke nederlaag van de Commune van Parijs ertoe leidde dat de meningsverschillen tussen de anarchisten en de marxisten een organisatorisch vervolg kreeg in het feit dat er verschillende organisaties tot stand kwamen in plaats van één Internationale arbeidersassociatie. Met de Tweede Internationale werd gepoogd daar iets aan te doen, maar de groei van de economie zorgde ervoor dat de leiding van de sterk groeiende arbeidersbeweging het bekomen van toegevingen als doel op zich ging zien, terwijl dat slechts in een bepaalde periode haalbaar was. De logica van het reformisme bleek bij het uitbreken van de eerste wereldoorlog toen de reformistische leiders die oorlog steunden. Een internationalistische fractie kwam samen in Zimmerwald en bouwde aan een alternatief, wat uiteindelijk een beslissende impact had op de Russische revolutie en het tot standkomen van de derde Internationale. De Communistische Internationale zorgde voor een grotere graad van eenheid, zo deden heel wat anarcho-syndicalisten mee (denk maar aan de Amerikaanse IWW, industrial workers of the world). In België leidde het ontstaan van de Comintern en de Russische Revolutie er toe dat een groep geradicaliseerde jongeren die een eigen organisatie hadden opgezet samenkwamen met een aantal vakbondsmilitanten die uit de sociaal-democratie waren gestapt om de Communistische Partij te stichten.

Dat was een belangrijke stap vooruit en had een eenmakend effect. Maar een proces is niet altijd eenduidig of in een rechte lijn. Het isolement van de Sovjetunie en het achtergebleven karakter van de SU vóór de revolutie maakten dat een bureaucratie zich kon ontwikkelen om de revolutie op een zijspoor te zetten. Wij noemen dat stalinisme en het had directe gevolgen: de kloof tussen de hoogste en laagste inkomens steeg, een kaste kon zich ontwikkelen, er werd teruggegrepen naar de traditionele instelling van het gezin om dit te promoten (tegenover het collectiviseren van het huishoudelijk werk),… Dit had een negatief effect, niet enkel op de revolutionaire krachten in de SU die eraan moesten geloven – met als dieptepunt de Moskouse processen waar de overblijvende leden van de oude garde van bolsjevieken werd geliquideerd. Het had echter ook een effect op revolutionaire bewegingen elders.

Zo splitste de Belgische KP op een congres in Antwerpen in maart 1928 tussen stalinisten en trotskisten in een verhouding 7 tegen 3 à 4. Je kunt dat toeschrijven aan ‘persoonlijke botsingen’ of andere psychologische verklaringen, maar het is uiteraard toe te schrijven aan een materiële basis in de SU zelf.

De trotskisten hadden het niet gemakkelijk, zeker niet nadat de stalinisten na WO 2 in het offensief konden gaan op basis van de militaire overwinning van Stalin (na té zware offers die niet noodzakelijk waren geweest mits een correct perspectief). De stalinisten waren echter niet bereid om de bewegingen die ook in België plaats vonden tot een goed einde te brengen. In plaats van op basis van de weerstand een stevige arbeidersoppositie uit te bouwen (die overigens gewapend was van in het anti-fascistisch verzet) kozen ze ervoor, op bevel van Moskou, om in een burgerlijke regering toe te treden met o.a. liberalen en christen-democraten. De stalinistische KP gaf mee het bevel om te ontwapenen en eigenlijk de macht volledig aan de burgerij over te dragen. Nadat ze dit gedaan hadden verdween de KP grotendeels van het electorale toneel waar het direct na WO2 een plaats had weten te verwerven.

De trotskisten kwamen zwak uit WO 2, o.a. door de zware repressie van de nazi’s (de ganse leiding van de Belgische trotskisten met figuren als Abram Leon of Leon Lesoil kwam om in de holocaust) en de versterkte positie van het stalinisme in de bi-polaire situatie na WO2 waarbij de SU een impact had als aantrekkingskracht voor wie het niet eens was met het imperialisme van de VS.

Die zwakke positie – ook op inhoudelijk vlak door het wegvallen van een groot deel van de leiding – zorgde voor verdeeldheid en een zoeken naar correcte perspectieven. In Engeland was de trotskistische leiding nog vrij sterk op dat punt: er was een stevige werking geweest onder de soldaten en er was direct na de oorlog het heropbouwen van de Revolutionary Communist Party die een zekere impact had. De RCP-leiding kwam al snel in conflict met de leiding van de trotskisten die verdeeld waren. Het standpunt van de Britten (en voor de goede verstaander, dit was de voorloper van LSP) was dat de stalinisten in het offensief waren, dat de kapitalisten dit probeerden te counteren met een zwaar investeringsprogramma in de vorm van het Marshal plan, waardoor er tijdelijk ruimte was om de reformistische organisaties in stand te houden. De RCP ging binnen de reformistische massa-partijen werken omdat brede lagen van de arbeiders en jongeren zich naar die partijen ging richten in de hoop via dat instrument verandering af te dwingen. Wij hebben een houding om daar te zijn waar brede lagen van arbeiders en jongeren op zoek gaan naar een alternatief. Dat betekende een breuk met de groep die vandaag ‘SAP’ vormt, die zich meer ging richten op de studentenbeweging, de vrouwenbeweging,… kortom de zogenaamde "zusterbewegingen" van de arbeidersbeweging.

De val van het stalinisme na 1989 vomrde een nieuw fundamenteel keerpunt. Het "gemakkelijke alternatief" van de Sovjetunie viel weg waardoor bvb in de Derde wereld (beter: de "ex-koloniale wereld") geen tussenweg meer mogelijk was los van het imperialisme. Maar dit had ook een fundamentele impact op de traditionele arbeidersorganisaties in het westen waar de draai naar rechts van de leiding kon versneld worden door het ideologisch offensief van de burgerij na de val van het stalinisme in de vorm van de idee dat het kapitalisme had overwonnen. Dat leidde tot een zekere passiviteit, waardoor de basis van bvb de SP snel afkalfde (en dan bedoel ik de actief betrokken basis, niet de electorale basis). Dit maakte een nieuwe draai noodzakelijk: uit de sociaal-democratie. LSP vormde in 1992 de groep Militant die besliste om meer onafhankelijke (dus los van de sociaal-democratie) jongerencampagnes zoals Blokbuster uit te bouwen. Dit was een enorm succes en zorgde ervoor dat we de periode van de moeilijke jaren 1990 konden overbruggen tegen het neo-liberale offensief in.

Met de opkomst van de anti-globaliseringsbeweging, een voorloper van meer fundamentele bewegingen, kunnen we opnieuw in het offensief gaan en werd Militant Links van actiegroep dan ook omgevormd tot de partij Linkse Socialistische Partij.

Dit is in het kort de basis waarop meningsverschillen tot stand kwamen en die hebben nog altijd een impact.

Zou het beter zijn de meningsverschillen even opzij te leggen? Niet noodzakelijk.

Wat belangrijk is, is de analyse en de perspectieven die we vandaag hebben. Het is mijn indruk dat de rest van radicaal-links nog worstelt met de jaren 1990 en zich nog vrij defensief opstelt wat zich uit in het naar beneden halen van het politiek profiel (wat bvb de PVDA doet, kijk maar naar de activiteiten die Comac onderneemt: voornamelijk sociale activiteiten en minder politiek inhoudelijk, alleszins geen kadervorming om revolutionaire kaders te ontwikkelen), pogingen om op basis van een laag politiek profiel tot een eenheidsworst te komen (SAP en KP).

Dat zijn tactieken die vertrekken vanuit een zwakte: een defensieve houding en een verzwakte linkerzijde. Het is echter verkeerd. Er is meer en meer openheid voor radicaal-linkse opvattingen en het potentieel is enorm mits een correcte aanpak. Radicaal-links moet jongeren politiek vormen, de klassiekers laten lezen, hen sterken in het marxisme zodat ze het tot in hun kleine teen beheersen als methode om van daaruit een werking naar brede lagen te kunnen ontwikkelen die erop gericht is het gevoel van ongenoegen te organiseren, bewegingen tegen het asociaal beleid richting te geven en daar een politiek verlengstuk aan te bieden.

Dat is een andere methode dan zichzelf uitroepen tot dé arbeiderspartij, of het verlagen van het profiel tot "soft-links". Er is nood aan een echte oppositie die inspeelt op thema’s als huisvesting, werkloosheid, onderwijs,… Dat is het project van LSP.

Vraag:

Met die kiesdrempel van 5% duurt het nog vijf miljoen lichtjaren vooraleer iemand jullie opmerkt in de politieke geschiedenis van België. Zoveel verloren tijd en energie besteden aan iets wat niemand (of nauwelijks toch) opmerkt, zonde toch?

Antwoord door Bart Vandersteene:

Dat radicaal-links niet in staat zou zijn om ook electoraal te scoren is verkeerd. Kijk om je heen in Europa en je ziet in vele landen radicaal-linkse formaties die 5, 10 tot zelfs 15% van de stemmen halen op regionaal en nationaal niveau. Onze zusterorganisatie, de Socialist Party in Ierland behaalde in Dublin West 21,5% van de stemmen tijdens de parlementsverkiezingen in 2002. In Coventry won ons gemeenteraadslid Dave Nellist zijn herverkiezing met 51% van de stemmen in 2002. En in Frankrijk haalden 3 trotskistische kandidaten samen 11% tijdens de eerste ronde van de presidentverkiezingen in 2002.

Het is echter wel juist dat het voor socialisten geen gemakkelijke periode is geweest. De val van de muur en het neoliberale offensief dat men sindsdien lanceerde zorgde voor een periode waarin marxisten tegen de stroom moesten vechten om hun ideeën staande te houden. Velen zijn er onderdoor gegaan. Niet de LSP, vroeger Militant Links, integendeel. Electoraal stelt radicaal links in België vandaag niets voor. Die vaststelling is niet moeilijk om maken. Maar dit betekent niet dat er geen mogelijkheden zijn geweest. De vraag is wat de organisaties met hun mogelijkheden hebben gedaan. De SAP had een gemeenteraadslid in Antwerpen verkozen tussen ’94-2000. Niet via een eigen lijst, maar via de BSV kandidaten op de Agalev lijst. De Gauches Unies haalde midden jaren ’90 1,6% van de stemmen in Franstalig België. De lijst DEBOUT, in ’99 haalde 2% in de Europese verkiezingen. Als we kijken naar de verkiezingen van 13 juni dan lijkt een electorale score vrijwel uitgesloten. De PVDA heeft na het debacle met Resist een lange herstelperiode nodig waarin de wonden gelikt worden maar geen echte lessen worden getrokken. De SAP en KP kijken uit armoede in de richting van de grote rood-groene éénheid met regerings of ex-regeringspartijen. En degenen die begin de jaren ’90 als de calimero’s van radicaal links werden gezien, werken gestaag verder aan de uitbouw van hun partij, die voor onze normen een belangrijke stap vooruit zal zetten op 13 juni door zich voor het eerst in heel België verkiesbaar te stellen.

Over de vraag welke de verschilpunten zijn tussen LSP, PVDA, SAP en KP kunnen er dikke boeken geschreven worden. De geschiedenis van de arbeidersbeweging is rijk aan discussie en debat. Maar meningsverschillen hoeven niet te leiden tot verschillende organisaties. Behalve als in de praktijk blijkt dat die meningsverschillen onverenigbaar zijn met het ontwikkelen van een strategie en methode voor het bereiken van een socialistische samenleving. Sinds de Russische Revolutie heeft de arbeidersbeweging vele nederlagen opgelopen en is ze constant geconfronteerd geweest met haar meest fundamentele probleem, het probleem van de leiding. Sociaal-democraten die de arbeiders met handen en voeten willen binden aan het huidig maatschappelijk systeem, waar zij de beste verdedigers van zijn geworden. Stalinisten die een karikatuur hebben gemaakt van het marxisme (socialisme in één land tgo socialistisch internationalisme, bochtenwerk in hun internationale politiek die ze verklaren aan de hand van de dialectiek, …) Daarnaast hebben ze alle democratische socialistische elementen die aanwezig waren bij de opbouw van de arbeidersstaat in Rusland via brute repressie weggesneden en een bureaucratische kaste in de plaats heeft gesteld. En de oude trotskistische leiding van de IVe Internationale heeft sinds WO2 de ene fout na de andere gemaakt in haar perspectieven, werkmethodes en programma.

Fouten zal elke organisatie of partij maken, de kwestie is of die hersteld worden of niet. Fouten die niet hersteld worden, leiden tot zwaar betaalde nederlagen. Die prijs betalen we vandaag door het diskrediet waarin communisme is beland door de misdaden van het stalinisme. Die prijs betalen we door de vele verschillende fracties waarin de oude trotskisten zijn opgesplitst na WO2.

Over het verleden kan je massa’s interessante literatuur lezen, wat ik zeker en vast iedereen aanraadt. Maar veel concreter is het kijken naar de actualiteit en de relevantie van historische meningsverschillen voor vandaag. Enkel een korte blik op de standpunten bij de vorige verkiezingen maakt al duidelijk dat van samenwerking weinig sprake kon zijn, ondanks onze pogingen om de laatste jaren tot linkse eenheid te komen. Het staat goed binnen linkse kringen om lange teksten te schrijven over de noodzaak aan linkse eenheid. In de praktijk is het enkel onze organisatie die de test van de praktijk doorstaat.

Kijk naar onze initiatieven in Gent in 2000 (waar we als grootste fractie van LEEF een grote verantwoordelijkheid droegen in het totstandkomen van de eenheidslijst) en Franstalig België in ’99 – ’00 -’03 (waar we kritisch meewerkten aan open lijsten met de PC en een kandidaat hadden op de lijst DEBOUT), de posities die we hebben ingenomen in Antwerpen (steun aan de PVDA+lijst) en Aalst-Oudenaarde-Ronse in ’99 (steun en kandidaat op de LEEF-lijst).

Maar de laatste jaren zijn er toch wel zaken verandert. Er moet natuurlijk toch wel nog enige basis overblijven om samen te werken. Dat de PVDA met ons niet wil samenwerken is vrij duidelijk, alhoewel het bij hen nooit klaar en duidelijk wordt gepubliceerd. De vraag is of radicaal links er bij gebaat zou zijn om met de stempel van het stalinisme door het leven te gaan. Bij de andere organisaties is er veel pessimisme aanwezig die hen drijft in de richting van de warme armen van Stevaert en C°. Armen die hen wellicht binnenkort zullen omsluiten en wurgen. Binnenkort zullen we misschien nog moeten roepen of er ondertussen wel nog iemand aanwezig is om mee samen te werken.

Het is niet omdat we voor deze verkiezingen aankondigen dat we geen electorale ambities hebben dat we onze verantwoordelijkheid zouden uit de weg gaan. Maar je moet ook respect hebben voor het ritme van de beweging. Op dit moment kunnen we niet op tegen de heersende trend die een stem voor de SP.a als het minste kwaad ziet. Maar de façade begint nu al een aantal barsten te vertonen. Na de verkiezingen zal ze breken wanneer zal blijken dat een versterkte sociaal-democratie in de regering hetzelfde neoliberale beleid zal voeren als de regeringen in onze buurlanden. Binnen de strijdbewegingen die daartegen zullen ontstaan zal men de vraag stellen of er geen nood is aan een nieuw politiek instrument. Steun voor een linkse oppositie als de LSP zal dan groeien. Maar misschien zal er een veel bredere politieke beweging op gang komen dan we ooit met de LSP zouden kunnen opvangen. Een beweging waarbij tienduizenden zich willen inzetten voor de opbouw van een nieuw partij. Een partij waarbij een belangrijk deel van de vakbondsbasis zal aansluiten. Een nieuwe partij die in de bewegingen zal trachten een oppositie op te bouwen. In zo’n partij zouden de LSP-leden ook actief zijn, niet als individuele leden, maar als een georganiseerde groep. We zouden er een revolutionair socialistisch programma verdedigen als de enige mogelijkheid om fundamenteel te breken met de miserie van het kapitalisme. Eens kijken of de restanten van de andere radicaal linkse organisaties dan nog roepen in de woestijn…

Vraag:

Hoe tolerant en democratisch is de LSP en het trotskisme/communisme in het algemeen? Aangezien zowel solidarisme als kapitalisme mateloos gecriminaliseerd wordt -door woord en daad van jullie-, mogen we ons toch wel afvragen in hoeverre de LSP respect heeft voor de mening van de andere, als deze afwijkt van de zijne. Indien ik mij vergis, waar uit blijkt dat respect dan?

Antwoord door Anja Deschoemacker:

"Mateloos gecriminaliseerd"? Solidarisme is een hoeksteen van het fascistisch denken, van een bloed en bodem ideologie. Volgens het solidarisme moeten de arbeiders van een welbepaalde regio zich aaneensluiten met het patronaat van die regio (hun bazen en uitbuiters, degenen die hen onderdrukken als ze tegen die uitbuiting in actie komen) om zo de nationale staat uit te bouwen en die te stellen tegenover andere staten. Maar die arbeiders en dat patronaat hebben niets gemeen, behalve de regio waar ze wonen. En dan nog, wat hebben de chique villawijken in bijvoorbeeld Knokke Zoute gemeen met bijvoorbeeld de Brugse Poort in Gent? De arbeiders en het patronaat leven veel meer in verschillende werelden dat de arbeiders van verschillende landen. En bovenal, waar de belangen van de arbeiders van verschillende landen in essentie gelijklopend zijn (een groter aandeel van de door hen geproduceerde rijkdom in handen krijgen – een strijd die ze voeren met hun eigen nationale burgerij), zijn de belangen van arbeiders en patronaat van één land onmiddellijk tegengesteld. Het kapitalisme is een systeem dat leeft op uitbuiting van de arbeidskracht en is dus essentieel een systeem van winnaars en verliezers. Het solidarisme probeert het voor te stellen alsof het mogelijk zou zijn enkel winnaars te hebben, maar geen uitbuiters zonder uitgebuitenen, geen onderdrukking zonder onderdrukten. We hoeven het solidarisme niet te "criminaliseren", dat hebben de fascistische regimes uit het verleden reeds gedaan.

En "criminaliseren" we het kapitalisme? Het stalinisme is op enkele minieme stuiptrekkingen nagenoeg dood – daarover zijn we het toch eens? Wie is dan verantwoordelijk voor de enorme daling van de levensstandaard in de voormalige stalinistische landen? Voor het feit dat steeds meer vrouwen en kinderen uit die regio’s in de prostitutie belanden? Vandaag is er voor de ellende in de wereld slechts één systeem aan te duiden, namelijk het kapitalisme. Het is de werking van het kapitalisme 2,8 miljard mensen veroordeelt tot het leven in armoede (met een inkomen van 2$ of minder per dag). Wij hoeven dit systeem niet te criminaliseren. De antiglobaliseringsbeweging is ontstaan uit die feiten die open en bloot geanalyseerd kunnen worden. De strijd van de massa’s in Latijns Amerika toont de criminele realiteit van het kapitalisme dagdagelijks aan. Je moet de feiten natuurlijk ook nog willen zien……

Vraag:

De hoofddoeken hebben niets te maken met religie maar met de discriminatie van man en vrouw… En ongeacht of een verbod (in eerste instantie) de radicalisatie zal verhogen (of de macht der extremisten) je kan niet op een andere manier ageren omdat het toelaten van de hoofddoeken betelkent dat je als samenleving akkoord gaat met een ideologisch opgelegde disriminatie van vrouwen door mannen (de hoofddoek als soort ‘jodenster’…)… Het is dus niet zo dat meisjes de doek dragen omdat ze zich willen uiten; dat kunnen ze op jonge leeftijd niet; trouens, wij verbiedne ook nazitekens en consoorten als ‘uiting’… Bovendien moeten we niet vergeten dat zelfs de meisjes en vrouwen die rondkrijsen (sic) dat ze bewust en ongedwongen een hoofddoek dragen, van dezelfde categorie zijn als de joden die onder Hitler zeiden dat het wel een goed idee was om een ster te dragen en dat dit geen discriminatie was…

Antwoord door Anja Deschoemacker:

LSP ontkent niet dat er sprake is van discriminatie van vrouwen in de moslimgemeenschap. In realiteit is er in ieder land en in iedere gemeenschap sprake van vrouwendiscriminatie, in die zin dat de – nochtans belangrijke – gelijkheid in wettelijke zin niet heeft geleid tot gelijkheid in de realiteit. De emancipatie van iedere vrouw zal pas bereikt zijn als de economische positie van vrouwen verandert, als financiële onafhankelijkheid de norm wordt i.p.v. de uitzondering. Hoe het verbieden van de hoofddoek hierin een stap vooruit zou kunnen betekenen, mag iemand mij eens dringend komen uitleggen. Bovendien bekijk jij de migrantenvrouwen enkel als gediscrimineerde vrouwen (door hun mannen), terwijl ze natuurlijk evengoed gediscrimineerde migranten zijn (door de Belgische staat en het patronaat). Veel jonge moslimmeisjes dragen hun hoofddoek als protest hiertegen.

LSP denkt dat zowel racisme als seksisme splijtzwammen zijn binnen de arbeidersklasse, tegenstellingen die door de burgerij steeds opnieuw worden opgezweept omdat een verdeelde arbeidersklasse nu eenmaal gemakkelijker onder de duim te houden is. Op beide vlakken voert LSP actie. We weigeren echter ons te laten meeslepen in een racistische campagne onder het mom van de verdediging van vrouwenrechten…

Vraag:

Is LSP voorstander van de zogenaamde "gratis-politiek"?

Antwoord door Anja Deschoemacker:

"Zogezegd gratis" is het wel, in die zin dat de discussie draait rond de besteding van publieke middelen. De vraag is of het door terugbetaling van woekerintresten op de overheidsschuld naar institutionele beleggers moet gaan, of naar diensten voor de bevolking, bijvoorbeeld. Of er cadeaus moeten worden uitgedeeld aan de patroons of integendeel de sociale zekerheid moet worden versterkt.

Door de neoliberale politiek die hier reeds twee decennia wordt gevoerd, is het aandeel van de werkenden in de nationale rijkdom gedaald ten voordele van het aandeel van de rijksten. De toename van de kloof tussen arm en rijk is een fenomeen dat inherent is aan het kapitalisme. Toen de burgerij in West-Europa geconfronteerd werd met de Oost-Europese geplande economieën (en de uitgebreide sociale voorzieningen die daar werden gecreëerd), gecombineerd met een hoge organisatiegraad en strijdbaarheid van de arbeidersklasse in eigen land, werd ze verplicht gedurende een historische periode een politiek te voeren die de harde kanten van die toenemende kloof moest afronden. Nu het stalinisme verdwenen is, de voormalige arbeiderspartijen verburgerlijkt en de vakbondsleiding op haar knieën zit voor de neoliberale logica, wil de burgerij die verworvenheden terugnemen.

Wat wij eisen, is een herstel van de patronale bijdragen, die wij zien als een integraal deel van het loon van de werkende (in de vorm van uitgesteld loon door de uitbouw van een sociale zekerheidskas die uitkeringen betaalt als je niet meer kunt werken).

We eisen een echte bestrijding van de fiscale fraude, een vermogensbelasting,… Met deze eisen alleen reeds zouden een gans pak diensten "gratis" aangeboden kunnen worden. Wij eisen dat diensten als onderwijs, kinderopvang, vervoer, afvalophaling,… "gratis" zouden zijn, m.a.w. dat iedereen aan die diensten bijdraagt via progressieve belastingen. Eigenlijk zijn de prijzen die voor die diensten worden betaald een soort van BTW, waarbij iedereen evenveel betaalt ongeacht het inkomen. Om die diensten toegankelijk te houden voor iedereen moeten die "gratis" worden aangeboden. We zijn trouwens voor de afschaffing van de BTW en iedere belasting waarbij iedereen dezelfde som moet betalen. Vandaag zien we echter dat het omgekeerde gebeurt: de fiscale fraude wordt niet bestreden, de sociale wel; belastingen worden verlaagd (wat vooral ten goede komt aan de beter begoeden), terwijl allerlei diensten duurder worden…

Vraag:

Hoe hedendaags is de term "proletariaat" in een wereld waar de arbeiders ook geld steken in beleggingsfondsen? Hoe archaïsch is het de wereld in te delen in kapitalistische bourgeoisie aan de ene kant, en proletariaat aan de andere kant? Hoe modern is het streven naar de "revolutie" in een systeem waar je ook via de particratie aan de macht kan komen? Hebben de marxistische/trotskistische dogma’s niet een modernere invulling nodig? En zo ja, beseft men dit wel bij de partij LSP?

Antwoord door Peter:

Tantist stelt zich de vraag: “Hoe hedendaags is de term "proletariaat" in een wereld waar de arbeiders ook geld steken in beleggingsfondsen? Hoe archaïsch is het de wereld in te delen in kapitalistische bourgeoisie aan de ene kant, en proletariaat aan de andere kant?”

Je kan jezelf de vraag stellen: welke groep in de bevolking heeft er geprofiteerd van de neoliberale politiek van de afgelopen 25 jaar? De arbeiders of kleine bedienden? Zij kregen door de crisis waarin het kapitalisme sinds midden jaren ’70 is beland een daling van de reële lonen aan hun broek gelapt. In de VS – waar de neoliberale politiek in zijn meest extreme vorm werd doorgedrukt – daalden de reële lonen van de massa van loontrekkenden tussen ’72 en ’99 met maar liefst 14%. In België was die daling van de reële lonen minder, door de defensieve druk van de vakbonden (ook al zitten we met een bureaucratische leiding die geen echte strijd wil voeren), maar daarom niet minder reëel.

De “liberale structuren” leverden de arbeiders in de jaren ’90 een bijna volledige ondermijning van het arbeidscontract op. Het grootste deel van de jobs die er in de jaren ’90 bijkwam, bestond uit deeltijds of tijdelijk werk, die er bij een recessie (economische crisis) het gemakkelijkste uitvliegen. Zeker voor jongeren die vandaag op de arbeidsmarkt terecht komen, is werkzekerheid zo goed als onbestaande.

Tel daar nog eens de massale structurele werkloosheid bij die de arbeidersklasse bedreigt. Begin jaren ’70 bedroeg de werkloosheid ongeveer 2%. Vandaag zijn in België – als je de statistieken van de RVA bekijkt – meer dan een miljoen mensen op een of andere manier van een uitkering afhankelijk. Als je alle categorieën bij elkaar telt die reëel werkloos zijn (o.a. ook de oudere werkozen – ouder dan 50 jaar, de schoolverlaters,… die niet meer in de statistieken voorkomen), de onvrijwillig deeltijds werkenden, de geschorsten van de dop (vooral vrouwen),… kom je gemakkelijk aan een werkloosheidsgraad van 15 à 20%.

Elke economische crisis of recessie sinds het uitbreken van de structurele crisis in de jaren ’70 zorgde voor een sterke aangroei van de werkloosheid, die in periodes van economisch herstel niet meer fundamenteel werd teruggedrongen. Het kapitalisme wordt dus met een steeds erger wordende crisis geconfronteerd (door Karl Marx overigens voorspeld). De idee dat na de magere jaren vanzelf terug vette jaren komen, is een fabeltje uit liberale economiecursussen. De vrije markt creëert geen automatische overeenstemming tussen vraag en aanbod. Hoe verklaar je anders die groei van de structurele werkloosheid?

De “kosten van de sociale zekerheid” zijn hier geen argument. Waarom speelde dit dan niet in de jaren ’50 en ’60, toen het sociale zekerheidsstelsel met rasse schreden – onder druk van de arbeiders – werd uitgebouwd, zonder tot massale werkloosheid te leiden?

Overigens: al meer dan 20 jaar is de regering met aanvallen op de sociale zekerheid en “lastenverlagingen” voor de patroons bezig, zonder dat dat ook maar iets heeft veranderd aan de werkgelegenheidsgraad in ons land. Ondertussen werden vaste en degelijk betaalde jobs wel meer en meer een zeldzaamheid tussen al de tijdelijke, deeltijdse en laag betaalde jobs.

De realiteit is dat het kapitalisme in een fundamentele crisis van overproductie zit. Onder dit systeem is de arbeidersklasse door de uitbuiting door een handvol kapitalisten (de toeëigening van onbetaalde arbeid in de vorm van de winsten) niet in staat om al de producten en diensten die ze levert, zelf terug op te kopen. Bovendien zie je dat de kapitalisten, onder druk van de concurrentie, steeds meer investeren in machines, terwijl ze enkel uit de uitbuiting van de arbeiders hun meerwaarde puren. Deze elementen zorgen ervoor dat het kapitalisme op een bepaald moment onvermijdelijk in een onoplosbare crisis van overproductie terechtkomt.

De gemiddelde groei van dit systeem in de jaren ’80 en ’90 was dan ook lager dan in de jaren ’50 en ’60. Sinds het uitbreken van de crisis midden jaren ’70 heeft de burgerij geprobeerd de tegenstellingen nog wat te temperen door een enorme uitbreiding van de overheidsschulden. Ook door het opendraaien van de kredietkranen voor de gezinnen en de bedrijven heeft de vrije markt, kijk naar de groei in de jaren ’90, de problemen verder voor zich uit proberen te duwen. De recessie van 2001 heeft die zeepbel echter al voor een groot stuk doorprikt.

Eind 2000 haalde de Bel-20 op de beurs van Brussel de kaap van 3.340 punten… maar in mei 2003 was hij al teruggezakt tot 1.925 punten. Een duizelingwekkende val van 42%. De Europese beursindex Euronext viel terug met maar liefst 55%.

Voorstanders van “werknemersparticipatie” in de aandelen van bedrijven zouden daar eens over moeten nadenken. Ze vergeten dat deze ontwikkeling onder het kapitalisme onvermijdelijk is: de zeepbel mag nog zolang worden uitgerokken, uiteindelijk wordt het systeem opnieuw binnen zijn grenzen gedreven. Voor het beurssysteem betekent dit dat “gokken” (helemaal niet zo’n slecht gekozen term) op de beurzen voor arbeiders uiteindelijk stukbotst op de erger wordende recessies binnen dit kapitalistische systeem: de winsten van geen enkel bedrijf zijn, door de terugkerende crisissen, blijvend gegarandeerd.

In de jaren ’90 hebben de winsten zich deels hersteld, maar dan wel op de rug van de arbeiders en kleine bedienden. Daarvoor werd een prijs betaald: uit een enquête van de Europese Stichting tot verbetering van de levens- en arbeidsomstandigheden, in 2000, blijkt dat de verhoogde werkdruk en flexibliteit van de jaren ’90 hebben geleid tot een sterke groei van de “arbeidsgerelateerde gezondheidsproblemen”: rugpijn (genoemd door 33 % van de ondervraagden), stress (28 %), spierpijn in nek en schouders (23 %), algehele vermoeidheid (23 %). Maar neen, volgens sommigen moeten de arbeiders nog meer worden “gemotiveerd” door bedrijfsaandelen… wellicht om ze nog harder te laten werken (en dus door de meerderheidsaandeelhouder – nooit een gewone arbeider – te laten uitpersen).

Kapitaalbezit bij grote aandeelhouders heeft niets te maken met “democratie”, het toont in de meeste gevallen gewoon aan dat je in de juiste familie bent geboren. Of dat je jezelf ten dienste hebt gesteld van een systeem dat ten koste gaat van de meerderheid van de bevolking.

Bovendien is de beweerde koppeling tussen participatie en motivatie voor veel arbeiders onbestaande: de bedrijfsresultaten worden nu eenmaal meer beïnvloed door externe factoren (conjunctuur, wisselkoers, rentevoet,…) of door managementbeslissingen dan door de inzet van het personeel.

Het neoliberaal beleid betekende niet alleen een achteruitgang voor de loontrekkende delen van de arbeidersklasse, ook op de sociale uitkering werd er fel gesnoeid.

Volgens het Planbureau bedroeg een werkloosheidsuitkering in 1980 gemiddeld 42% van een een gemiddeld loon, in 2003 was dat nog maar 28%! Een invaliditeitsuitkering viel terug van 44% naar 33%. Ook de pensioenen waren niet welvaartsvast (gekoppeld aan de stijging van de lonen) en verloren aan koopkracht.

Volgens een studie van de Nationale Bank ging de uitkering van zieke werknemers tussen 1981 en 2001 met 24% achteruit ten opzichte van de gemiddelde lonen. Het gemiddeld pensioen van een gehuwde man met 13%. Bij de werklozen zijn de verliezen voor sommige categorieën nog veel groter.

Vandaag wordt de VS, tot voor kort de motor van de wereldeconomie, geconfronteerd met het traagste economisch herstel sinds Wereldoorlog Twee. Het heeft nog nooit zolang geduurd vooraleer er tijdens een economisch “herstel” nieuwe jobs werden gecreëerd. Dit toont aan dat het kapitalisme steeds meer een absolute rem is aan het worden op de ontwikkeling van de maatschappij. Het is ook het moment waarop de motor van de geschiedenis, de klassenstrijd, in werking treedt. Dat is de periode waar we nu voorstaan. En daar wil de LSP en het Committee for a Workers’ International (CWI), waar we deel van uitmaken, in de strijd van arbeiders en jongeren haar rol spelen

Vraag:

Wat is het standpunt van LSP over nationalisme?

Anja Deschoemacker:

Nationalisme is dikwijls een tegenstrijdig fenomeen. Als marxisten zijn we tegen elke vorm van onderdrukking van etnische minderheden. Zo hebben we in de jaren ’90 de onderdrukking door Milosevic en het Servische nationalisme van de Kosovaarse bevolking bestreden. De LSP is, net als Lenin, voor het recht op zelfbeschikking van naties.

Dit is echter een recht – geen plicht, zoals voor burgerlijke nationalisten (die de arbeiderklasse willen verdelen) – en geldt in de eerste plaats als er sprake is van reële onderdrukking. Een voorwaarde hiervoor is ook dat de meerderheid van de arbeidersklasse van een onderdrukte natie achter de eis van zelfbeschikking staat. We voegen er echter wel aan toe dat onafhankelijkheid op kapitalistische basis geen oplossing is: de meerderheid van de bevolking zou blijven lijden onder de kapitalistische crisis en achteruitgang van de levensstandaard.

Om een concreet voorbeeld te geven: Israël-Palestina. LSP verdedigt het recht van de Palestijnse bevolking op een eigen staat, wat duidelijk de wil is van de meerderheid van de Palestijnse arbeiders en arme boeren. We voegen er echter onmiddellijk aan toe dat – op kapitalistische basis – de bevolking zou blijven leven onder het corrupte gezag van de Palestijnse Autoriteit, waarvan het machtsmisbruik en de zakkenvullerij van de leiding in vele rapporten is bewezen. Recent nog kondigden honderden jongeren van Fatah – een belangrijke fractie binnen de PLO – aan dat ze eruit zouden stappen, omwille van het gebrek aan interne democratie. We roepen dus op voor een onafhankelijk socialistisch Palestina, naast een socialistisch Israël, met Jeruzalem als gedeelde hoofdstad.

Dit was ook de manier waarop Lenin de onderdrukte volkeren van tsaristisch Rusland wist te winnen voor een vrijwillige federatie van sovjetstaten. De erkenning van het recht op zelfbeschikking is een toegeving aan het bewustzijn van de arbeiders van een onderdrukte natie, om met hen de band niet te verliezen, en hen uiteindelijk te winnen voor een vrijwillig aaneensluiten in een socialistische federatie.

Nog een concreet voorbeeld: voor de Servische arbeiders was het cruciaal om zich te onderscheiden van de onderdrukkende politiek tegenover de Kosovaarse arbeiders vanwege hun eigen nationale burgerij (Milosevic). Als ze het recht op zelfbeschikking van de Kosovaarse arbeidersklasse (de meerderheid van de bevolking) niet zouden respecteren, zou dit de eenheid van de arbeidersklasse in de regio enorme schade toebrengen. Jammer genoeg was er langs Servische zijde geen belangrijke arbeiderspartij die dit standpunt naar voor bracht. Dit toont aan hoe, in een situatie van onderdrukking, het verdedigen van het recht op zelfbeschikking (tot en met het recht om een eigen staat op te richten), maar ook van de culturele en taalrechten van een minderheid cruciaal is net om de eenheid van de arbeiders te behouden.

Marxisten zijn in principe voorstander van assimilatie, maar dan niet in de heersende burgerlijke cultuur, maar – op vrijwillige basis – in de cultuur van de arbeiderklasse van een bepaald land. Dat arbeiders met een verschillende afkomst dezelfde taal kennen en spreken is een belangrijke stap vooruit in de strijd tegen hun gemeenschappelijke tegenstrever: het patronaat. Maar er mag nooit ook maar één element van dwang aanwezig zijn bij de assimilatie in de cultuur van de grotere arbeidersgroep. Bovendien hebben arbeiders van een minderheidsgroep, in België bijvoorbeeld de Turkse of Marokkaanse arbeiders, wel het recht om hun cultuur te behouden – de burgerlijke elementen in die cultuur zullen marxisten echter bestrijden ten voordele van de arbeiderselementen in een cultuur.

Wij hebben als Belgische werkenden of werklozen veel meer gemeen met Poolse, Turkse, Argenstijnse of Nigeriaanse werkenden of werklozen dan met André Leysen of een andere Vlaamse grootkapitalist (omgekeerd geldt hetzelfde, natuurlijk).

Om naar het concrete geval van “Vlaamse onafhankelijkheid” te gaan. Ook hier gaat de LSP uit van de eenheid van de arbeiders, Vlamingen, Walen en Brusselaars. Op dit moment bestaat er geen reële culturele onderdrukking van de meeste Vlaamse of Waalse arbeiders in dit land. Voor Vlaamse arbeiders in Brussel verdedigen wij echter wel het culturele recht om in de eigen taal bij de administratie te woord gestaan te worden – ook al is het er maar één die dit in een bepaalde gemeente vraagt. Elk element van achterstelling, van discriminatie van arbeiders omwille van hun taal of herkomst moet worden bestreden.

Wat kan dan de basis zijn voor “Vlaamse onafhankelijkheid”? De wil van kleinburgerlijke parvenus om zich in te beelden dat ze dan zelf rijker zouden zijn? Het zou in ieder geval nadelig zijn voor zowel Vlaamse als Waalse loontrekkenden: de Belgische arbeidersklasse zou in haar strijd tegen de afbraak van de sociale zekerheid worden verdeeld – alleen het patronaat zou er wel bij varen.

In het theoretische geval dat een meerderheid van de Vlaamse arbeiders België en de sociale zekerheid zou willen splitsen, zouden we dit geen stap vooruit vinden. We zouden dit ook publiek zeggen. Het zou onze strijd tegen het patronaat verzwakken, we zouden zeggen dat dit een grote fout is. Maar het recht op zelfbeschikking – om in dit geval door een slechte ervaring te gaan – zou nog altijd gelden. Dit was ook zo voor de Kroatische arbeiders toen zij zich (begin jaren ’90) blijkbaar in meerderheid achter hun eigen burgerlijke nationalisten schaarden – hun levensstandaard is er op kapitalistische basis niet op vooruitgegaan. Ze hebben flink hun broek aan dat nationalistische avontuur gescheurd.

Anderzijds zijn wij ook voor het recht op zelfbeschikking in een meer positief scenario: bijvoorbeeld als de klassenstrijd in België sneller in Vlaanderen dan in Wallonië een opgang kent (of omgekeerd) en de meerderheid van de Vlaamse bevolking voor een socialistisch Vlaanderen ijvert: een Vlaamse arbeidersstaat gebaseerd op democratisch verkozen raden in de bedrijven, wijken, scholen en universiteiten. Natuurlijk zou de LSP dan voor een onafhankelijk SOCIALISTISCH Vlaanderen opkomen. We zouden zelfs in de voorste rangen staan. Omgekeerd geldt dit ook. Als in Wallonië de klassenstrijd een sneller verloop kent, zoals met de staking in ’60-’61, en de meerderheid van de arbeiders klaar is om de macht te grijpen, dan zullen we hen daarin aanmoedigen en de oprichting van een Waalse arbeidersregering zien als een opstap naar een socialistische federatie met een – hopelijk snel volgende – Vlaamse arbeidersstaat. Dit alles in het kader van de strijd voor een socialistisch Europa en een socialistische wereld.

Delen: Printen: