Home / Op de werkvloer / ACV / Tax shift maakt einde aan laatste hoop in CD&V

Tax shift maakt einde aan laatste hoop in CD&V

ACV moet klaar staan voor de strijd

acvbetoogtDe tax shift kwam hard aan. In plaats van de grote vermogens en superrijken meer te laten betalen, werd het een nieuwe aanval op onze levensstandaard. We spraken met LBC-secretaris Tina De Greef over de tax shift en de acties dit najaar.

Interview door Anja Deschoemacker

De tax shift van deze zomer toont dat er niets te verwachten valt van de CD&V. Hoe wordt hierop in het ACV gereageerd?

Tina: “Verschillende figuren uit ACV-middens hebben zich negatief uitgesproken over de taxshift zoals ze werd beslist door de regering. Beweging.net-voorzitter Patrick Develtere stelde: “De grote vermogens ontspringen de dans, alweer. Wie (…) een echte taxshift van arbeid naar vermogens had verwacht, is eraan voor de moeite.” De CNE rekende uit dat de sociale zekerheid en de staat drie maal meer bijdragen dan het kapitaal. Zelfs oud-ACV-voorzitter Cortebeeck stelt dat de CD&V het verschil niet maakt. Oud-LBC-voorzitter Ferre Wyckmans stelde “we zijn nog meer bedrogen dan we al waren”. Als de betoging van 7 oktober niets oplevert, moet volgens hem hardere actie overwogen worden.

“Nu moet alle nadruk liggen op de mobilisatie voor 7 oktober. Maar de lessen uit de vorige acties tegen deze regering moeten getrokken worden. Een betoging zal niet volstaan als zelfs de massale beweging van vorig jaar slechts een lege belofte opleverde. En we kunnen enkel op onze eigen kracht rekenen, de kracht van de georganiseerde arbeidersbeweging tegenover de regering en het patronaat.”

Deze zomer was er de woordenwisseling tussen ACV-leidster Marie-Hélène Ska en ABVV-leider Marc Goblet. Goblet stelde onder meer: “Ze (de ACV-top) blijven maar geloven dat CD&V en Kris Peeters gaan kunnen wegen”.

“Het actieplan van vorig jaar eindigde in een anticlimax, waarin de belofte van een voor de arbeiders gunstige tax shift die het kapitaal meer doet bijdragen centraal stond. Deze houding stootte op een historisch grote tegenstand binnen de ACV-rangen, waardoor het akkoord met de allerkleinste meerderheid mogelijk werd goedgekeurd. Bovendien werd daarbij benadrukt dat het akkoord niet inhield dat de strijd tegen de indexsprong en het besparingsbeleid werd gestopt.

“In realiteit was er grote scepsis in de ACV-rangen over de steun aan/hoop in de rol die CD&V zou spelen. Dat de partij niet werd opgesomd in het lijstje van besparingspartijen in de slotspeech op het congres vonden velen gewoon belachelijk. Op het congres werd ook een poging van de nationale leiding tegengegaan om het instrument van de staking een minder belangrijke plaats te geven, een teken dat bij de basis minder geloof heerst in wat met overleg bereikt kan worden dan bij de leiding.

“Zwakheid zet aan tot agressie. Wat ook de mening van de leiding moge zijn, er kan niet ontkend worden dat deze regering haar aanvallen op de arbeidersklasse en de vakbonden verder zet. Wat ze nu ook zou kunnen willen, de CD&V kan het karakter van deze regering niet wijzigen. Niet reageren, zal voor het ACV geen optie zijn. Een nieuw actieplan moet worden uitgewerkt en we mogen ons ditmaal niet laten afremmen door hoop op de ene of de andere regeringspartij.”

En toch houdt men bij ACV en Beweging.net tot nu toe vast aan de relatie met CD&V.

“Ik denk dat er gelijkenissen zijn in de discussie binnen het ACV over de CD&V en die binnen het ABVV en de PS. In het overlegsyndicalisme dat na de Tweede Wereldoorlog tot stand kwam, binnen een kader waarin het kapitaal wel verplicht was toegevingen te doen aan de arbeidersbeweging, kwam het de grote vakbonden goed uit steeds een gesprekspartner in de regering te hebben. De laatste 30 jaar staat dit steeds meer onder druk omdat de toegevingen steeds meer enkel van één kant, van de werkenden, moeten komen. In plaats van dat tegen te houden, hebben de staatsdragende partijen CD&V en PS zich daaraan aangepast. In plaats van garant te staan (tenminste in de perceptie) voor een belangenverdediging voor de werkenden, deden ze niets anders dan wat sociale begeleiding bieden in de achteruitgang van de positie van de werkenden. Dit begrip is steeds meer aan het doorsijpelen in de basis, zeker na de fantastische mobilisatie van vorig jaar en de vaststelling dat we ons niet alleen met een kluitje in het riet hebben laten sturen, maar dat we daar ook een bijkomende prijs voor moeten betalen in de vorm van steeds meer regeringsmaatregelen die ons treffen. We moeten ook vaststellen dat de rol naar buiten uit die de PS sinds 1987 heeft gespeeld als zijnde “de sociale oppositie binnen de regering” de CD&V minder goed afgaat.

“Als de leiding van de grote vakbonden kan vasthouden aan een band met partijen als CD&V en PS, ondanks hun besparingspolitiek, dan is dat niet door de steun onder de basis voor die partijen, maar door het gebrek aan alternatief. Daar waar geloofwaardige alternatieven worden geboden, blijkt al zeer snel dat de band tussen de basis van de vakbonden en de partijen die officieel nog steeds verbonden zijn met de vakbonden nog slechts aan een zijden draadje hangt. Wat blijft er nog van PASOK over na de kansen die de opkomst van Syriza bood?

“PS en in mindere mate CD&V hebben electorale steun bij de werkenden kunnen behouden vanuit het idee van “het minste kwaad”, stemmen voor hen gebeurde voornamelijk om “erger te vermijden”. Als we meer willen, moeten we ten eerste rekenen op onze eigen kracht, de mobilisatie van de arbeidersklasse. En daar moet het vandaag alle hens aan dek zijn. En ten tweede moet ook in België een nieuw politiek instrument worden uitgebouwd, een partij die vecht voor de belangen van de arbeidersklasse op dezelfde manier als deze regering vecht voor de belangen van het kapitaal: zonder scrupules. Die discussie moet door alle linkse militanten in alle vakbonden worden gevoerd. De komende beweging kan kansen bieden om daar ook concrete stappen in te zetten.”