Home / Internationaal / Azië / Chinese crisis leidt tot paniek op wereldmarkten

Chinese crisis leidt tot paniek op wereldmarkten

Analyse door Vincent Kolo, chinaworker.info. Dit artikel werd gisteren geschreven.

chinacrash“Zwarte maandag”, titelde het officiële Chinese nieuwsagentschap Xinhua toen de Chinese beurzen er maandag met 8,5% op achteruit gingen. Het leidde tot de scherpste daling van de wereldwijde beurzen sinds de financiële crisis van 2008. Het versterkt de vrees voor een door China getrokken wereldwijde recessie.

Voorheen was Wall Street het epicentrum van de financiële onrust met de Amerikaanse bankencrisis van 2008. Nu is het de economische crisis in China en het feit dat de Chinese leiders de controle lijken verloren te hebben, die de aanleidingen vormen. De schok van de ‘mini devaluatie’ van de Chinese yuan op 11 augustus ging aan een groot deel van de rest van de wereld voorbij vanuit een vals gevoel van veiligheid. Er werd gehoopt dat Peking ‘een plan’ had om met de versnellende afname van de groei om te gaan. Sindsdien is meer dan 5 biljoen dollar aan waarde weggeveegd uit de wereldwijde beurzen. Deze massale vernietiging van waarde op enkele dagen tijd laat geen twijfel meer bestaan over het ongezonde en destructieve karakter van het kapitalisme. “De driehonderd grootste Europese bedrijven verloren vandaag meer dan 400 miljard euro aan waarde”, meldde Reuters over de impact van ‘zwarte maandag’ op Europa.

De voormalige Amerikaanse minister van begroting Larry Summers tweette: “Zoals in augustus 1997, 1998, 2007 en 2008 zien we mogelijk opnieuw het begin van een erg ernstige situatie.” Zelfs de Amerikaanse presidentskandidaat Donald Trump, niet meteen het grootste licht, waarschuwde dat de wereld naar een depressie dreigt te gaan. Damian McBride, een voormalige economische adviseur van toenmalig premier Gordon Brown in Groot-Brittannië, waarschuwde dat de huidige crisis “20 keer erger” kan zijn dan die van 2008.

De Hang Seng Index in Hong Kong kende zijn scherpste val sinds 1987. De beurs kent nu officieel een “berenmarkt” met een waardeverlies van meer dan 20% sinds de piek in april. De beurzen in Indonesië en Taiwan komen stilaan ook in het ‘berengebied’. De beurzen in de ontwikkelde economieën kenden ook grote verliezen afgelopen maandag. De Londense beurs verloor 18% van zijn waarde sinds april, de Duitse Dax verloor 20% van zijn waarde in dezelfde periode. De Australische beurs ging maandag met 8% achteruit, een van de grootste dalingen als uitdrukking van de grote afhankelijkheid van de Chinese economie.

De wereldwijde ineenstorting ging over op de grondstoffenprijzen. Olie, koper, aluminium en nikkel kwamen op de laagste prijzen sinds het begin van de wereldwijde crisis in 2008. De olieprijs, een belangrijke factor in de wereldeconomie, ging al fors achteruit. Waar er in de zomer van 2014 nog 115 dollar voor een vat ruwe olie werd betaald, is dit nu minder dan 43 dollar. Het zet grote druk op olieproducerende landen van Rusland tot Venezuela, landen die al in een recessie zitten. De Bloomberg Commodity index, een index van de prijzen van 22 grondstoffen, stond op het laagste niveau van deze eeuw. Dit jaar verloor de index 17%, de afgelopen drie jaar was er een daling met 40%.

China was de belangrijkste motor voor de wereldwijde groei van de voorbije jaren. Het land was goed voor ongeveer een derde van de wereldwijde groei terwijl de VS instond voor 17%. China is goed voor ongeveer de helft van de metaalconsumptie ter wereld. Het land domineert de markten van andere grondstoffen, waaronder ook landbouwproducten. De scherpe prijsdalingen voor de grondstoffen heeft de groei in exportlanden gestopt. Het verhoogt ook de deflatoire druk in de wereldeconomie. De dalende prijzen kunnen op korte termijn de economie van landen die grondstoffen importeren stimuleren, maar bij een langere deflatie wordt de economische groei bedreigd en wordt het schuldenprobleem groter. De schulden nemen overal toe, niet in het minst in China zelf. Dit is ook wat in Japan gebeurde. Japan kende in 1990 een deflatoire crisis die gekenmerkt werd door economische stagnatie en een sterk oplopende schuld. Tot op vandaag is Japan niet uit die crisis geraakt. Er zijn vandaag veel gelijkenissen tussen China en het Japan van de jaren 1990.

Schok van de devaluatie

Toen China de yuan twee weken geleden devalueerde, werd dit gezien als een ‘nucleaire optie’. Het regime was historisch gezien erg terughoudend om zoiets te doen. Het bevestigde meteen de vermoedens dat de Chinese economische malaise een pak erger is dan wat China toegeeft of erkent in officiële statistieken. We wezen er eerder al op dat officiële cijfers misleidend zijn. De devaluatie blijft voorlopig beperkt, maar het kan navolging krijgen met nieuwe devaluaties. Dat kan volgens Albert Edwards van de Société Générale leiden tot een “deflatiegolf” in de wereldeconomie.

De verwarde wijze waarop de devaluatie werd doorgevoerd, zorgde ervoor dat kapitalistische commentatoren vol ongeloof toekeken. Zoals Paul Krugman schreef in de New York Times van 14 augustus: “Ze leken volledig verrast te zijn door de voorspelbare reactie van de markten. Investeerders trokken zich uit China terug en de beleidsmakers schakelden abrupt over van steun aan de devaluatie naar een algemene inspanning om de waarde van de yuan te ondersteunen.”

De waardevermindering van de munt – totnogtoe een waardedaling van 3% ten aanzien van de dollar – is te beperkt om een reële impact op de Chinese export te hebben. Het regime en de centrale bank moesten bovendien hun interventies opvoeren om de yuan te ondersteunen en een risico van een grotere kapitaalvlucht te stoppen. De afgelopen vijf kwartalen vertrok maar liefst 800 miljard dollar uit China. Het gaat vooral om geld dat in dollars wordt omgezet of andere ‘veilige’ munten. Zowel Chinese als buitenlandse bedrijven en speculanten doen hieraan mee.

Het maakt dat de devaluatie door Peking, met schijnbaar tot op het laatste moment verzet hiertegen door de centrale bank, overkomt als de ‘slechtst mogelijke keuze’. De beslissing leidde tot onrust op de wereldmarkten en kreeg navolging met dalende munten in andere landen. Het zorgde echter niet voor een stimulans van de Chinese economie. De scherpe daling van de munten in Azië en andere ‘opkomende markten’ de afgelopen twee weken heeft elk Chinees voordeel door de devaluatie op vlak van groeiende export teniet gedaan en zelfs doen omslaan in nadelen. De Maleisische en Indonesische munten staan op hun laagste waarde sinds de crisis van 1998. De Aziatische munten kennen allemaal waardeverlies. Enkel de Japanse yen houdt stand, die wordt gezien als een veilige munt. Ook de Russische roebel, de Zuid-Afrikaanse rand en de Turkse lira staan op hun laagste niveau ooit. Een ander en belangrijk effect van de devaluatie zal wellicht het uitstel zijn voor de langverwachte rentestijging in de VS. Die was in september gepland door Janet Yellen en de Federal Reserve. Het maakt de positie van de Amerikaanse regering moeilijker en draagt bij tot de oplopende spanningen tussen Washington en Peking.

Spectaculaire fouten

Het Chinese regime heeft onwaarschijnlijk gestunteld na de ineenstorting van de markten. Er werd de afgelopen tien weken meer dan een biljoen dollar aan steun uitgegeven en dit zonder veel resultaat. De massale verkoop op ‘zwarte maandag’ heeft de aandelenprijzen nog onder het niveau van 8 juli gebracht, dat was het niveau waarop de regering een reddingsoperatie begon. De verliezen van ‘zwarte maandag’ zorgen ervoor dat alle groei op de Chinese beurzen – de tweede grootste ter wereld – sinds het begin van dit jaar weg geveegd is.

Dit alles vormt een keerpunt in de perceptie van het regime. Het CWI en zijn Chinese afdeling hebben al langer gewezen op de mythe van de ‘onfeilbaarheid’ van de dictatuur en het zogenaamde economische vernuft van het regime. Tot voor kort werden de Chinese leiders wereldwijd gezien als ‘model technocraten’. Vertegenwoordigers van het wereldwijde kapitalisme vielen over elkaars voeten met de vele lofbetuigingen.

Een opeenvolging van stuntelige maatregelen de afgelopen maanden – van het opblazen van een onhoudbare zeepbel op de beurzen over de poging om de aandelenmarkten te onderstutten nadat de zeepbel gebarsten was tot de paniekerige devaluatie – heeft de autoriteit van de economische koers van Peking ondermijnd. De laatste onaangekondigde stap bleek toen het regime niet in staat was om met nieuwe steunmaatregelen tussen te komen toen de beurzen op ‘zwarte maandag’ onderuit gingen. Peking besefte blijkbaar dat het niet zowel de beurzen als de munt kan ondersteunen en besloot om voor het laatste te keizen. De genomen maatregelen vormen een catalogus van nooit geziene incompetentie. Ze tonen de beperkingen van de macht van Peking op de economische ontwikkelingen.

“Deze zomer is de geloofwaardigheid van de regering verdwenen. Als je kijkt naar de tussenkomst op de beurzen, vervolgens de devaluatie en dan naar de ontploffingen in Tianjin, dan zie je een regering die de zaken niet onder controle heeft. Het biedt een erg zwak beeld van de competentie van de leiding in China. Wie is verantwoordelijk? President Xi Jingping lijkt alvast onzichtbaar.” Zo omschreef Fraser Howie, co-auteur van het boek ‘Red Capitalism’, de situatie. Veel commentatoren die fan waren van het Chinese regime ondervinden nu hetzelfde als kinderen die ontdekken dat sinterklaas niet bestaat.

De Chinese beurscrash was voorspelbaar, de aandelenprijzen verloren immers elke band met de reële economie. Recente economische data bevestigen de ernst van de problemen in China. De output van de industrie gaat er al vijf maanden op achteruit en staat nu op het laagste punt sinds zes jaar. Voormalige groeisectoren zoals de productie van smartphones en auto’s – China is voor beide producten de grootste markt – doetn het evenmin goed. Ondanks een recente ‘stabilisatie’ van de huizenprijzen, ging het aantal nieuw opgestarte bouwprojecten met 16,8% achteruit in de eerste zeven maanden van dit jaar. De afgelopen jaren was China goed voor de helft van de wereldwijde bouwsector, de daling in China zou dus goed zijn voor een wereldwijde afname van de bouwsector met 8%. Het verklaart waarom de grondstoffenprijzen – van olie tot sojabonen – het de afgelopen weken zo slecht deden. Enkele van de grootste Amerikaanse bedrijven verloren miljarden dollars aan waarde omwille van hun afhankelijkheid van de Chinese markt. Het omvat Apple, General Motors, Yum Brands (KFC en Pizza Hut), bedrijven die meer in China dan in de VS verkopen. Apple – het bedrijf met de grootste waarde ter wereld – zag zijn marktkapitalisatie de afgelopen zes maanden met 18% afnemen.

Wereldwijde crisis van het kapitalisme

De financiële onrust bevestigt het blinde karakter van het kapitalisme dat van crisis naar crisis strompelt. Het CWI en zijn Chinese afdeling waarschuwden eerder dat de volgende fase van de wereldwijde crisis van het kapitalisme het etiket “Made in China” kan dragen. Dit perspectief wordt steeds waarschijnlijker. Maar de problemen van de Chinese economie en de enorme schuldenlast, de oorzaken van de wanhopige bochten de voorbije maanden, vinden hun oorsprong in de historische impasse van het wereldkapitalisme.

In 2008 dreigde de crisis de hele wereld mee te sleuren in een depressie zoals in de jaren 1930. Het Chinese regime lanceerde een mega-stimulus programma waarbij een nooit geziene hoeveelheid krediet in de economie werd gepompt. Het had aanvankelijk opmerkelijke resultaten, de groei van het Chinese BBP versnelde en het leek erop dat China niet werd meegetrokken in de wereldwijde recessie. Stephen King, econoom van de bank HSBC, omschreef China als de “schokdemper voor de wereldeconomie.” Vandaag is dit niet langer het geval, China ligt nu aan de bron van de nieuwe schokken. De door stimulusmaatregelen gedreven groei na 2008 was gebaseerd op een onhoudbare opeenstapeling van schulden, die namen van 7 biljoen in 2007 toe tot 28 biljoen vandaag. Het heeft de mogelijkheden van het regime om nieuwe stimulusmaatregelen te nemen sterk beperkt. Voor 2008 was elke yuan aan krediet goed voor ongeveer 0,8 yuan aan BBP, nu is dat nog maar 0,2 yuan.

De Chinese problemen worden weerspiegeld in de wereldwijde groei van de schulden met 57 biljoen dollar sinds eind 2007 tot maar liefst 199 biljoen dollar. Dat stelt McKinsey Global Institute. De wereldeconomie zal in veel slechtere vorm aan de nieuwe recessie beginnen. Het beperkte economische ‘herstel’ van de voorbije jaren was enkel mogelijk omdat hele delen van de kapitalistische economie afhankelijk werden van financiële ondersteuning door regeringen en centrale banken, in het bijzonder met massale programma’s van quantitative easing (QE).

Als de rentevoeten vandaag historisch laag staan, in de buurt van het nulpunt en soms zelfs negatief zijn, betekent dit dat de kapitalisten minder wapens hebben om de nieuwe recessie te bestrijden. Tegelijk hebben de werkenden sinds het begin van de crisis in 2008 enkel maar besparingen gekend. In veel landen leidde dit tot een scherpe daling van de levensstandaard. Een nieuwe recessie kan dan ook aanleiding geven tot nooit geziene politieke bewegingen en uitdagingen voor het kapitalistische bewind. Deze angst versterkt de onrust op de globale markten.