Verslag vanop de zomerschool van het CWI door David Johnson, Socialist Party.

tunisia-revolutionHet begon in Tunesië in december 2010 en verspreidde zich verder naar Egypte waarbij dictators doorheen de regio hun positie bedreigd zagen. Het idee van revolutie werd op de agenda van werkenden en jongeren in heel de wereld geplaatst. Het proces van revolutie is sindsdien niet gestopt, maar het bevindt zich wel in een strijd op leven en dood met het proces van contrarevolutie.

Recente ervaringen in de region tonen nogmaals aan hoe onafhankelijke arbeidersorganisaties en een socialistisch actieprogramma van cruciaal belang zijn voor de revolutie en voor het stoppen van de contrarevolutionaire krachten. Waar arbeidersorganisaties reeds in 2011 het zwakste stonden, konden stammentwisten en religieuze sectaire krachten het voortouw nemen.

Op de Europese zomerschool van het CWI werden deze ontwikkelingen besproken in een commissie. Er werd ingeleid door Dali van Al-Badil al-Ishtiraki (Socialistisch Alternatief), de Tunesische afdeling van het CWI.

Tunesië

In januari 2011 werden straten en bedrijven bezet door een groot aantal werkenden en jongeren. De Tunesische premier probeerde wanhopig om de overgang te organiseren van de dictatuur van president Zine al-Abidine Ben Ali naar een nieuwe kapitalistische regering.

De arbeidersbasis van de machtige vakbondsfederatie UGTT heeft een traditie van onafhankelijkheid en strijd tegen het regime van Ben Ali. De vakbondsleiders konden een arbeidersregering vormen en de basis leggen voor een democratische arbeidersstaat. Maar ze waren sterk verbonden met het regime en weigerden verdere stappen te zetten. De vakbondsleiders beweerden dat dit de mensen teveel zou ‘afschrikken’. Zowel de linkse leiders als de vakbondsleiders brachten verschillende versies van het idee van verschillende stadia. Eerst moest de kapitalisitsche democratie gestabiliseerd worden waarna in een punt in de verre toekomst de mogelijkheid van socialisme op de agenda zou komen. De kapitalistische staat kon de macht behouden. Dit bereidde de weg voor de reactie voor, ook voor de opkomst van terroristische aanslagen.

De salafistische moorden op linkse leiders als Chokri Belaïd en Mahamed Brahmi in 2013 leidden tot een 24-uren en een 48-urenstaking en grote betogingen. De kracht van de arbeidersklasse werd aangetoond, er waren nieuwe mogelijkheden om het kapitalisme omver te werpen en een regering van werkenden en armen te vestigen. De UGTT-leiding had de militante acties van de basis moeten gebruiken om democratische strijdcomités van de werkenden te vestigen of verder uit te bouwen om deze te coördineren als basis voor een nieuwe revolutionaire regering.

Op de begrafenis van Belaïd riepen de betogers: “De macht is aan ons.” Maar de centrale leiders van het Volksfront, een linkse alliantie, kwamen niet verder dan de boodschap: “Slaap zacht kameraad”. De aanwezigen waren ontgoocheld. Deze houding van de leiding liet de regering toe om zich telkens weer te stabiliseren.

De terroristische aanslag op het Bardo museum in maart dit jaar was een nieuw keerpunt. De regering riep op tot een betoging van ‘nationale eenheid’ onder leiding van de gevestigde politici. De UGTT nam aan de betoging deel, maar zonder vakbondsvlaggen. Ze kwamen over als aanhangers van de politici die de levensstandaard van de bevolking ondermijnen in plaats van als een onafhankelijke kracht.

Er waren sindsdien grote stakingen van leraars en gezondheidspersoneel. Deze toonden aan dat de arbeidersklasse nog niet verslagen is. Ondanks het bloedbad op het strand van Sousse, wat de regering het excuus gaf om nog verder te gaan op repressief vlak, kan de regering de arbeidersklasse nog niet frontaal aanvallen.

Het Volksfront is een alliantie waar de meest actieve revolutionairen, jongeren en syndicalisten in actief zijn. Maar het ontbreekt dit front een duidelijk programma om vooruit te gaan. Het CWI roept op tot verdediging tegen terroristische aanslagen, voor het isoleren van de terroristen, voor een democratische niet-religieuze controle op het gewapende verzet en dit alles gekoppeld aan een socialistisch programma.

Egypte

In tegenstelling tot de onafhankelijke traditie van de UGTT werd de ondemocratische Egyptische vakbondsfederatie ETUF geleid door aanhangers van het vroegere regime van Moebarak. De werkenden speelden een belangrijke rol in de betogingen en bezettingen die Moebarak ten val brachten, maar ze deden dit niet als georganiseerde klasse. Het liet anderen toe om de leiding van de revolutionaire beweging op te nemen, liberalen die het kapitalisme steunen, de Moslimbroederschap die zich aanvankelijk tegen de beweging kantte en nadien het leger nadat de Moslimbroederschap zich aan de macht verbrand had.

Dezelfde vakbondsleiders bleven al die tijd gewoon zitten. Hun boodschap op 1 mei was dat “de werkenden van Egypte stakingen verwerpen en inzetten op sociale dialoog met de regering en de werkgevers als mechanisme om sociale rechtvaardigheid te bekomen.”

Het regime van president Abdel al-Sisi in Egypte kon de contrarevolutie verder doordrukken dan wat het geval is in Tunesië. De repressie is terug met inbegrip van arrestaties en martelingen van activisten. Stakers worden als terroristen afgeschilderd. Sisi gebruikt de sfeer van uitputting en ontgoocheling wegens het gebrek aan verbetering in het dagelijkse leven sinds de revolutie, aangevuld met de angst voor de groei van islamitische terrorisme. Dat is de basis waarop Sisi zijn steun kan behouden.

Het gebrek aan massaal verzet van de werkende bevolking, die afgeremd wordt door de vakbondsleiders maar ook door fouten van sommige leiders van de onafhankelijke vakbonden, maakt dat Sisi er voorlopig mee wegkomt. De onafhankelijke vakbonden groeiden snel in de maanden na de revolutie, ze gingen snel van amper 50.000 naar 2,5 miljoen leden. Maar de meest prominente leider, Kamal Abu Eita, besloot om tot de regering van Sisi toe te treden en verzette zich nadien tegen stakingen.

De afgelopen maanden waren er verschillende stakingen en de arbeidersklasse zal opnieuw in actie komen. Onafhankelijke organisaties, zowel vakbonden als partijen met leden in de grote fabrieken en arbeidersbuurten, zouden samen met een revolutionair socialistisch programma een einde maken aan de contrarevolutie van Sisi en de basis leggen voor socialistische verandering waarmee een einde kan gemaakt worden aan armoede, gebrek aan basisdiensten en onveiligheid.

Internationale impact van de revolutie

De discussie op de zomerschool werd ook uitgebreid door verschillende tussenkomsten. Zo werd ingegaan op de confrontaties tussen Berbers en Arabieren in Algerije, op 9 juli vielen er 25 doden in Ghardaia bij dergelijke confrontaties. In Marokko is er sinds 2011 een beweging tegen vervuiling en de diefstal van water aan de zilvermijn Imider. De lokale Berber bevolking bezet een kamp aan de mijn die eigendom is van de monarchie. In Libië stonden de arbeidersorganisaties het zwakste ten tijde van de opstand tegen Khadaffi. Het regime werd gebombardeerd door de NAVO en raakte volledig gedesintegreerd met elkaar bestrijdende krijgsheren.

De impact van de revoluties in Noord-Afrika op de rest van Afrika kwamen aan bod in een tussenkomst over Burkina Faso. De verklaring van de Tunesische afdeling van het CWI na het bloedbad in Sousse maakte ook indruk op socialisten in Soedan en elders in de regio.

De commissie op de zomerschool gaf aan dat de analyses van het CWI de leden in de regio vertrouwen geven. Zij beginnen aan de taak om de krachten op te bouwen die nodig zijn om te vermijden dat toekomstige mogelijkheden voor de arbeidersklasse niet verloren gaan. Een socialistisch Tunesië zou een nog veel grotere impact op de regio hebben dan de opstand die in december 2010 begon.