Home / Dossier / Links en de euro – welk standpunt?

Links en de euro – welk standpunt?

Dossier uit september 2013 geschreven door Paul Murphy, toen nog Europees Parlementslid voor de Ierse Socialist Party en ondertussen verkozen in het Iers parlement. Dit dossier verscheen voor de recente dramatische ontwikkelingen in Griekenland. Het biedt een aanzet tot een links standpunt over de euro. Deze tekst verschijnt nu voor het eerst in het Nederlands als onderdeel van de komende uitgave van ‘Marxisme Vandaag’, het tweemaandelijks online magazine van marxisme.be waarop je je gratis kan abonneren.

eurocrisisHet is niet weg. Veel media en politieke commentatoren suggereren het tegendeel, maar de crisis van de eurozone is verre van opgelost. De economieën in de periferie van Europa kennen allemaal een diepe economische crisis waarvan de gevolgen aan de werkende bevolking en de armen worden opgedrongen met vernietigende sociale effecten die vooral in Griekenland extreem zijn. De situatie in een groot deel van de rest van Europa is niet veel beter. De politieke gevolgen van deze aanhoudende crisis lieten zich voelen met politieke crises in Griekenland, Spanje, Portugal en Italië gedurende de zomer. Het besparingsbeleid leidt tot tegenstand en dat vormde een belangrijke factor in de politieke crises in de verschillende landen.

De Ierse kapitalistische klasse heeft lang geprobeerd om het verschil met de andere landen in de periferie in de verf te zetten. Er wordt geprobeerd om te zeggen dat Ierland Griekenland niet is maar wel de goede leerling in de besparingsklas. Dit werd mogelijk gemaakt door de vakbondsleiding die met handen en voeten aan Labour gebonden is en elke oppositie heeft vermeden.

Maar de feiten en de crisis zijn er wel. De publieke schuld in Ierland bedraagt nu 125% van het BBP en blijft toenemen. Een andere dramatische wending in de crisis van de eurozone is op elk ogenblik mogelijk als gevolg van politieke of economische ontwikkelingen. De gevolgen hiervan zouden ook sterk gevoeld worden in Ierland. Het zal de euro terug in het centrum van de politieke ontwikkelingen plaatsen.

Ierland haalt terug begrotingsoverschotten waardoor de euro een belangrijk argument kan worden om de blijvende besparingen te rechtvaardigen. Een belangrijke reden om de schulden te blijven betalen en niet met de besparingen te breken, wordt dan gevonden bij de mogelijke gevolgen van een exit uit de eurozone. Als de ervaring van Griekenland ons iets leert, is het dat de rechterzijde het argument zal gebruiken dat een links of een socialistisch beleid een land uit de euro zal dwingen met economische rampen als gevolg.

Socialisten en de linkerzijde moeten zich daarop voorbereiden met een linkse ‘exit strategie’ uit de crisis waarbij de mogelijkheid van een exit uit de eurozone wordt opgenomen maar dan wel gekoppeld aan een radicaal socialistisch beleid dat antwoorden biedt op de gevolgen van zo’n exit. Er zijn twee vaak voorkomende gevaren die we moeten vermijden.

Het eerste gevaar is de benadering van de leiding van Syriza die in de laatste Griekse verkiezingen de mogelijkheid van een exit uit de euro ontkende. De leiding van Syriza stelde dat het mogelijk is om zowel het besparingsbeleid te verwerpen als om in de eurozone te blijven. Het tweede gevaar is dat een exit uit de euro niet gekoppeld wordt aan radicale socialistische verandering. Daarbij worden de problemen bij een exit uit de eurozone op basis van een verderzetting van het besparingsbeleid en de heerschappij van het kapitaal aan de kant geschoven.

Het alternatief is een benadering waarbij de kwestie van de euro wordt bekeken vanuit het standpunt van de nood aan een breuk met het besparingsbeleid en het kapitalisme, kortom met de nood aan radicale socialistische verandering. Dit vereist het verwerpen van de chantage om niet tegen de besparingen in te gaan uit angst om uit de eurozone gezet te worden.

Ideologische basis van euro

Eerst en vooral moet de ideologische basis van de euro verworpen worden. De euro wordt vaak voorgesteld als een gemakkelijke afspraak waardoor transacties over Europese grenzen eenvoudiger worden en waardoor zonder problemen van het ene naar het andere land kan gereisd worden. Dit wordt soms nog verder doorgetrokken waarbij de EU wordt voorgesteld als een ‘vredesproject’.

De realiteit is natuurlijk anders. De euro is een centraal onderdeel van het neoliberale en imperialistische project van de Europese Unie. Het speelt verschillende rollen voor het voornamelijk Duitse onderdeel van de kapitalistische klassen in Europa. De EU is een politiek project dat aanvankelijk bedoeld was om een nieuwe Duitse dominantie in Europa te vermijden en tegelijk ‘stabiliteit’ te bieden tegen de dreiging van sterke arbeidersbewegingen in Europa zelf en tegen de dreiging van de Sovjet-Unie. Het werd een instrument dat door delen van de Europese kapitalistische klassen werd gebruikt om op wereldvlak te concurreren met de dominante imperialistische macht van de VS en andere opkomende machten uit het oosten.

De invoering van de euro en het opzetten van de Europese Centrale Bank waren een integraal onderdeel van het beleid waarbij de neoliberale orthodoxie doorheen de EU werd opgelegd. Het werden expliciete wapens tegen de lonen, arbeidsvoorwaarden en tegen de organisaties van de arbeidersbeweging.

Het opzetten van de Europese Centrale Bank als zogenaamd ‘onafhankelijke’ bank met slechts een mandaat om de inflatie te controleren en zonder enige verwijzing naar het doel van volledige tewerkstelling, was een overwinning voor de neoliberale krachten in Europa. De Maastrichtnormen en het Pact inzake Stabiliteit en Groei werden gerechtvaardigd met het argument dat een economische eenmaking van de Europese economieën nodig was als voorbereiding op een gemeenschappelijke munt. Het leidde tot neoliberale regels rond schulden en tekorten. Dit werd aangegrepen om de openbare diensten in verschillende landen af te bouwen.

Door een devaluatie van de munt uit te sluiten als methode om de concurrentiepositie van de zwakkere economieën te versterken, werd de euro ook gebruikt om de werkenden tot een neerwaartse spiraal inzake lonen en arbeidsvoorwaarden te veroordelen. De voordelen van een sterkere Europese exportpositie werden slechts mogelijk door de lonen en arbeidsvoorwaarden naar beneden te halen. Het Duitse kapitalisme won de ‘race to the bottom’ met de harde ‘Agenda 2010’ van SPD-kanselier Gerhard Schröder begin jaren 2000. De lonen in de private sector stegen tussen begin 2000 en het eerste kwartaal van 2010 met 21,8% in Duitsland, terwijl dit in dezelfde periode in de EU 35,5% was.

De euro verscherpte hierdoor de tegenstellingen tussen de Europese economieën in plaats van tot meer eenmaking te leiden. De enorm ongelijke ontwikkeling van het kapitalisme doorheen Europa werd bevestigd en versterkt. De Duitse export werd steeds competitiever, terwijl de export uit de periferie terrein verloor. Het droeg bij tot een enorm onevenwicht in handel tussen het zuiden en het noorden van Europa. Dat zou nadien vanaf het uitbreken van de crisis in 2008 bijdragen tot de specifieke Europese kenmerken van de crisis.

Door de lonen en arbeidsvoorwaarden naar beneden te halen en de mogelijkheid van een devaluatie van de munt van zwakkere economieën uit te sluiten, werd de euro ook een middel van het Duitse kapitalisme om zich op te werpen als de dominante kapitalistische klasse in Europa. De ongelijke ontwikkeling van de Europese economieën werd deels verborgen onder de gemakkelijke beschikbaarheid van goedkoop geld bij de lancering van de euro, maar de crisis heeft de tegenstellingen opnieuw naar voor gebracht en bovendien bleek dat de euro de tegenstellingen enkel vergroot heeft.

De Duitse kapitalisten, en bij uitbreiding het Noord-Europese kapitalisme, heeft de eurocrisis aangegrepen om de imperialistische dominantie over de zwakkere perifere economieën te versterken. Dit wordt gepersonaliseerd in de centrale rol die Angela Merkel speelt in het bepalen van de ‘prijs’ voor zogenaamde reddingsoperaties waarbij in de praktijk samen met de Commissie en de ECB besparingsdictaten worden opgelegd aan de zwakke kapitalistische klassen van de periferie. Costas Lapavitsas wees op de ironie dat hoe harder de perifere landen geraakt worden door het besparingsbeleid van de EU, hoe harder de regeringen van die landen blijven vasthouden aan hun EU-lidmaatschap.

De gemeenschappelijke munt heeft de transactiekosten voor bedrijven doorheen de EU naar beneden gehaald waardoor kapitaalbewegingen gemakkelijker worden en de winsten op deze manier kunnen gemaximaliseerd worden.

De euro heeft ook op extern vlak een imperialistisch karakter. Het is onderdeel van de poging om een blok te creëren dat de concurrentie met het VS-imperialisme kan aangaan op wereldvlak. Een groot voordeel van het VS-kapitalisme is dat de dollar de enige echte wereldmunt is, een internationale reservemunt. Dit maakt het de VS mogelijk om een grotere schuld te hebben dan wat anders mogelijk was geweest, er is immers een wereldwijde vraag naar Amerikaanse staatsobligaties. Samen met de mogelijkheid om een vorm van rente op te halen onder zwakkere economieën die grote dollarreserves moeten behouden. De VS is het centrum van het financiewezen en dit biedt het land enorme politieke voordelen.

De euro is een poging om een rivaal van de dollar tot stand te brengen zodat een deel van de voordelen naar het Europese kapitaal kunnen gaan. Dit is deels gelukt. De dollar blijft de belangrijkste munt en de eurocrisis verzwakt het perspectief om de dollar te vervangen, maar zeker Duitsland werd een belangrijk financieel centrum als gevolg van de invoering van de euro en het feit dat dit een belangrijke internationale munt werd.

De euro is niet opgezet voor de werkende bevolking in Europa. Het is een project van de grote bedrijven en het financiekapitaal in Europa, in het bijzonder het financiekapitaal in de kernlanden zoals Duitsland. De rol van de euro als wapen tegen de levensstandaard en voor een rechts beleid wordt door een groeiend aantal werkenden instinctief aangevoeld naarmate de crisis verder toeslaat. Dat is belangrijk als tegengewicht voor de angst van een terugkeer naar zwakke nationale munten.

De kapitalistische klassen doorheen Europa zijn natuurlijk geen monolithisch blok. De euro is zelf een bron van conflicten en rivaliteit binnen en tussen de kapitalistische klassen in Europa. Er bestaan scherpe spanningen tussen de kapitalisten en meningsverschillen over de reacties op de eurocrisis. Dit leidde al tot confrontaties tussen de Franse en de Duitse regeringen over de toekomstige koers van Europa. Het vindt uitdrukkingen in meningsverschillen over de weg naar een ‘bankenunie’, een discussie die in essentie neerkomt op de vraag wie moet betalen voor ‘oplossingen’ voor bankencrises.

Deze verschillen bestaan ook binnen de kapitalistische klassen. In een aantal landen zijn er minderheden binnen de kapitalistische klasse die concluderen dat ze beter af zouden zijn zonder de euro. Dit standpunt werd bijvoorbeeld naar voor gebracht door Hans Olaf-Henkel, de voormalige voorzitter van de Duitse werkgeversorganisatie. Hij stelde in de Financial Times in augustus 2011: “We hebben een plan ‘C’ nodig: Oostenrijk, Finland, Duitsland en Nederland verlaten de Eurozone en zetten een nieuwe munt op waarbij de euro wordt gelaten voor wat het is. Indien dit zorgvuldig wordt gepland en uitgevoerd, kan het een goed idee zijn: een euro met een lagere waarde zou de concurrentiepositie van de overblijvende landen versterken en dus ook hun groei. De export vanuit de ‘noordelijke’ landen zou geraakt worden, maar de inflatie zou er lager zijn. Een aantal niet-eurolanden zouden deze muntunie kunnen vervoegen. Naargelang de resultaten zou een flexibel lidmaatschap tussen de twee muntunies mogelijk zijn.”

Deze discussie komt sterk tot uiting in Groot-Brittannië waar rechtse eurosceptische krachten een prominente rol spelen binnen de Tories en met UKIP. Dat is een weerspiegeling van de historische kracht van het Britse kapitalisme waaraan vastgehouden wordt en van het ‘Atlantische’ standpunt met de ‘bijzondere band’ met het VS-kapitalisme. Maar zelfs in Europese kernlanden zoals Duitsland is er een groeiend euroscepticisme, wat tot uiting kwam in de lancering van de nieuwe partij ‘Alternatief voor Duitsland’ (AfD) die inspeelt op het verzet tegen de zogenaamde bailouts en stelt dat Duitsland sterker zou zijn zonder de euro.

In heel wat perifere landen is als gevolg van de crisis en de besparingen onder werkgevers en rechtse populisten een groeiende steun voor een exit uit de euro. Zo haalde Beppe Grillo in Italië fors uit naar de euro en beloofde hij een referendum over lidmaatschap van de eurozone. In Griekenland krijgen de rechtse anti-Europese ‘Onafhankelijke Grieken’ (ANEL) steun van Griekse kapitalisten die denken dat een gedevalueerde drachme goed zou zijn voor hun concurrentiepositie. In Ierland is de situatie wat genuanceerder door de erg volgzame opstelling van de Ierse kapitalisten en het Europese establishment. Er zijn slechts enkele rechtse economen en individuen die eurokritische standpunten naar voor brengen of pleiten voor een referendum over de euro.

De linkerzijde en de werkende bevolking mag zich daar niet aan laten vangen. De rechterzijde verdedigt de belangen van een deel van de kapitalisten die voordeel denken te halen uit een groeiende export als gevolg van een nationale munt die minder waard is. Voor hen is dit slechts een andere manier om de lasten van de crisis op de kap van de werkenden af te wentelen, met name door een devaluatie en een drastische daling van de reële inkomens van de werkende bevolking.

Hoe moet links zich tot de euro verhouden?

De euro wordt steeds meer een onderwerp van discussie in linkse partijen doorheen Europa. De afgelopen maanden was er een verandering waarbij steeds meer linkse activisten de euro in vraag stelden. De onmiddellijke aanleiding hiervoor was het optreden van het Europese establishment in Cyprus. Er verscheen ook een nieuw eurokritisch standpunt van de Keynesiaanse econoom Hannes Flassbeck die nauw samenwerkte met Oskar Lafontaine, de voormalige SPD-minister die naar Die Linke trok, en ook met de Griekse radicale linkse econoom Costas Lapavitsas.

De Cypriotische Communistische Partij (AKEL) is voorstander van een referendum over de euro waarbij AKEL zou oproepen om in de eurozone te blijven. In Die Linke was er een verhit debat waarin de linkerzijde van de partij een kritisch standpunt innam terwijl een meer openlijk reformistische vleugel de euro verdedigde. De euro is ook in Syriza een voorwerp van debat tussen de linker- en de rechtervleugels. In andere linkse partijen in Europa wordt eveneens gediscussieerd over de euro en zit het standpunt dat de euro en de Europese Centrale Bank tot progressieve instellingen kunnen omgevormd worden in het defensief.

De discussies binnen Die Linke zijn bijzonder scherp en tonen de moeilijkheden. De harde aanvallen op diegenen die kritiek geven op de euro moeten verworpen worden. Doorgaans staan de tegenstanders van de euro politiek gezien iets verder dan de verdedigers van de euro omdat ze minstens al een belangrijk onderdeel van het kapitalistische Europese project verwerpen. Maar ook in het anti-euro kamp zijn er enkele problematische posities.

Costas Lapavitsas verbindt een exit uit de euro aan fundamentele sociale verandering. Maar het gezamenlijke standpunt met Flassbeck beschrijft een ‘ordentelijke exit’ mogelijk gemaakt door de EU en een heropstart van het Europese Monetaire Stelsel. Dat is in het beste geval een voorbeeld van wishful thinking.

Het is theoretisch mogelijk om een ‘ordentelijke exit’ voor te stellen, maar in de reële wereld van spanningen tussen kapitalistische klassen in Europa is dat niet mogelijk. Bovendien zou zo’n exit niet vertrekken van de belangen van de werkende bevolking. Het zou gericht zijn op het beschermen van de stabiliteit van de economieën die nog in de eurozone zitten waarbij zoveel mogelijk schulden van landen die uit de eurozone verdwijnen terugbetaald worden. De grote bedrijven en grote aandeelhouders zouden de samenlevingen in Europa blijven domineren en zouden dus blijven ingaan tegen de belangen van de werkenden om hen voor de crisis te laten betalen.

Gelijk welke exit uit de euro moet onvermijdelijk verbonden worden met de discussie over de schulden. Dit zou niet zomaar aanvaard worden door de Commissie of de machtige kapitalistische klassen in Europa, in het bijzonder de Duitse kapitalisten. Het zou het startpunt zijn voor een grote klassenstrijd doorheen Europa waarbij alle economische wapens van de EU ingezet worden tegen de bevolking van het land dat de eurozone verlaat.

De linkerzijde kan het idee van een exit uit de euro dus niet als enige antwoord op de crisis naar voor brengen. De centrale kwestie is de doorvoering van radicale socialistische eisen – het verwerpen van de schulden, democratisch publiek bezit van de banken, een democratisch plan van herontwikkeling van de economie, …

Welk programma?

In afwezigheid van grote strijdbewegingen tegen het besparingsbeleid en meer algemeen tegen het kapitalisme, zou de eis van links om de euro te verlaten door velen begrepen worden als een voorstel om de eurozone op kapitalistische basis te verlaten. De angst onder bredere lagen van de bevolking voor een exit uit de euro zou door de rechterzijde gebruikt worden.

We moeten dan ook benadrukken dat een verderzetting van het besparingsbeleid gericht op de belangen van de rijken rampzalig is voor de werkende bevolking en dat zowel binnen als buiten de euro. Een exit uit de eurozone zonder te breken met het neoliberale beleid zou tot een enorme schok en economische problemen leiden, denk maar aan een massale kapitaalvlucht en een verdere afname van het reeds historisch lage investeringsniveau. Op middellange termijn zou een waarschijnlijke devaluatie de export stimuleren, maar de werkende bevolking zou een groot deel van de lasten dragen door de stijgende prijzen voor geïmporteerde goederen.

We moeten de vraag dan ook op een andere manier stellen. Kan de werkende bevolking het besparingsbeleid, de verdere afbetaling van de schulden, de massale werkloosheid en de emigratie blijven aanvaarden? Dat kan uiteraard niet. We moeten breken met dit beleid, in de eerste plaats door de schulden niet langer te betalen. Er moet geïnvesteerd worden in jobs en degelijke openbare diensten en niet in de speculanten en grote aandeelhouders. Hiertoe is het nodig dat we de chantage van de dreiging met een exit uit de euro verwerpen. Geen verdere toegevingen op het vlak van het besparingen om in de euro te blijven!

Dit zou ongetwijfeld leiden tot een confrontatie met de Europese Centrale Bank en het land uit de euro duwen. We moeten meteen zeggen dat een exit uit de eurozone in deze omstandigheden niet noodzakelijk moet leiden tot economische rampen. Om een exit uit de euro te beheren, moeten we overgaan tot socialistische maatregelen waarmee de economie en de samenleving beschermd worden van de potentieel negatieve gevolgen. Dit staat misschien nog niet direct op de agenda in Ierland, maar we moeten de nodige socialistische maatregelen nu al uitleggen en populariseren als uitweg uit de crisis.

De eerste maatregel zou bestaan uit een onmiddellijke invoering van kapitaalcontroles om te vermijden dat grote hoeveelheden geld uit de economie verdwijnen. Op een perverse wijze zagen we in Cyprus met de door de trojka opgelegde tijdelijke kapitaalcontroles dat dit ook in het huidige tijdperk van elektronische transacties perfect mogelijk is. Kapitaalcontroles opgelegd door een linkse regering zouden natuurlijk wel een ander doel en karakter hebben.

Een tweede maatregel zou de invoering van democratische publieke controle op het banksysteem zijn. Dat betekent de volledige nationalisatie van de grote banken en hun omvorming tot openbare diensten gericht op de belangen van de samenleving. Dit moet gekoppeld worden aan een programma van verwerping van de overheidsschulden, waardoor de banken niet ineenstorten maar de eisen van de ECB en andere crediteurs verwerpen. Onder publieke controle zouden de banken een belangrijk instrument voor economische groei worden omdat ze krediet kunnen geven aan kleine bedrijven. Dit zou wellicht ook gepaard gaan met de vestiging van een centrale bank onder publieke controle om een eigen munt in circulatie te brengen.

Ten derde zouden grootschalige projecten van publieke investeringen opgezet worden, bijvoorbeeld in de huisvesting en publieke infrastructuur, hernieuwbare energiemiddelen, aanpassing van bestaande huizen en gebouwen, water- en rioolinfrastructuur, … Dit zou gefinancierd worden met wat uitgespaard wordt door de schulden niet langer te betalen en met een progressieve belasting op de rijken en de grote bedrijven.

Een vierde maatregel zou een investeringsplan en een democratisch plan voor de gehele economie zijn. Dat is nodig om de productieve investeringen te ontwikkelen. Het vereist publiek bezit en democratische controle op de sleutelsectoren van de economie – bouw, telecommunicatie, energie, farmaceutica, grote distributiebedrijven, … – zodat de activiteiten van verschillende economische sectoren gecoördineerd worden en onderdeel worden van een plan voor duurzame economische groei.

Een dergelijk programma komt op economisch vlak neer op een socialistische omvorming van de samenleving. Dit is enkel mogelijk op basis van strijd tegen het binnenlandse en buitenlandse kapitaal. We zien het embryo van zo’n strijd in Griekenland. Om de strijd verder te zetten, moeten we bouwen aan eigen organen zoals algemene vergaderingen in de wijken en op de werkvloer en verkozen actiecomités die de basis vormen voor een alternatieve en veel democratischer socialistische staat.

Internationalisme

Een van de argumenten van links dat eerder voor de euro is, vertrekt van de nood aan Europese strijd en sociale verandering doorheen Europa. Sommigen stellen dat een land dat de eurozone verlaat aanleiding zou geven tot een nationalistische oplossing die de solidariteit tussen de werkenden in Europa ondermijnt.

Dit argument ontkent de ongelijke ontwikkeling van de Europese economieën en van het bewustzijn en de klassenstrijd op het continent. Er wordt ook voorbij gegaan aan de radicale impact doorheen Europa van een exit uit de eurozone op basis van een radicaal links beleid. Dit zou de gemeenschappelijke Europese acties niet breken, het zou net aanleiding geven tot een brede solidariteitsbeweging in een aantal landen.

De ‘internationalistische’ en ‘Europese’ argumenten zijn vaak onderdeel van een puur reformistische benadering en een gebrek aan vertrouwen in de mogelijkheid dat de werkende bevolking in Europa de strijd aangaat en deze coördineert op basis van de eigen kracht en niet op basis van kapitalistische instellingen. In plaats van alle aandacht te richten op de strijd tegen het besparingsbeleid in Europa en tegen de instellingen en regeringen die daar verantwoordelijk voor zijn, worden oproepen gedaan voor europese obligaties en een meer ‘sociaal’ Europa. De suggestie dat de EU kan omgevormd worden of een progressieve rol kan spelen, zorgt ervoor dat deze instellingen beter voorgesteld worden dan ze zijn. Het komt uiteindelijk ook neer op een fatalistische houding die het belang van strijd tegen het besparingsbeleid onderuit haalt om steun te geven aan het idee dat progressieve verandering enkel mogelijk is op Europees niveau.

De klassenstrijd in Europa gebeurt vandaag nog steeds voornamelijk op nationaal niveau en dit ondanks de op Europees niveau gecoördineerde aanvallen op onze levensstandaard. De regeringen en werkgevers voeren een besparingsbeleid door en botsen vooral op nationaal vlak op verzet. Het is de taak van socialisten die in dat verzet actief zijn om de strijd zoveel mogelijk vooruit te helpen, ook door te pleiten voor arbeiderseenheid in Europa en door op te komen voor gezamenlijke strijd in Europa. Maar deze Europese strijd mag geen voorwaarde zijn om deel te nemen aan de bestaande strijd op nationaal vlak.

De werkenden in de verschillende Europese landen moeten niet wachten tot de basis voor gemeenschappelijke strijd in het continent aanwezig is vooraleer ze de strijd tegen de besparingen aangaan. Zelfs in elk land afzonderlijk is er altijd een ongelijke ontwikkeling van politiek bewustzijn, begrip en activiteit. Dat is des te meer het geval in een volledig continent zoals Europa. De strijd zal in bepaalde landen onvermijdelijk grootschaliger en intenser gevoerd worden dan in andere landen.

Het is dan ook correct om deel te nemen aan strijd en deze te versterken, onder meer met het perspectief van een echte linkse regering en een breuk met de heerschappij van het kapitaal, en om dit zo ver mogelijk door te trekken in de periferie van Europa. Het is mogelijk dat het kapitalisme eens te meer zal breken in zijn zwakste schakel. Als dit verbonden wordt aan een internationalistische benadering, kunnen overwinningen en strijd in een land een beslissende rol spelen in de ontwikkeling van een beweging die een Europese impact heeft.

Hiermee wordt natuurlijk niet ontkend dat er een bewuste internationalistische benadering nodig is. Dat zou nog des te sterker nodig zijn indien een land breekt met het kapitalisme. Een land uit de periferie dat de euro verlaat en een socialistisch beleid probeert door te voeren, zou snel op grote problemen stuiten. Om te overleven en de verandering uit te breiden, moeten arbeidersregeringen in andere landen tot stand komen.

Het is waarschijnlijk dat de voorwaarden hiervoor erg gunstig zouden zijn. Een linkse exit uit de euro is momenteel vooral waarschijnlijk in de zuidelijke landen van Europa. De omstandigheden en de strijd in Griekenland, Spanje en Portugal in het bijzonder maken dat de trojka als een gemeenschappelijke vijand wordt gezien. De werkenden in deze landen halen vertrouwen uit elkaars strijd.

Met een bewuste internationalistische oproep, een linkse regering en een exit uit de eurozone die daaruit voortvloeit, is de kans groot op bewegingen in andere landen van de Europese periferie waarbij al gauw gelijkaardige revolutionaire verandering op de agenda zou staan. Het zou het perspectief bieden van samenwerking in de vorm van een federatie van een aantal landen die opkomen voor socialistische verandering. Naast gunstige handelsakkoorden op basis van solidariteit en het delen van middelen zou dat een vaste muntkoers kunnen omvatten.

Een oproep op klassenbasis zou ook nodig zijn om de werkenden in de kernlanden van Europa, zeker in Duitsland, te bereiken. Het doel hiervan is om duidelijk te maken dat het geen kwestie is van de Duitse werkenden voor de crisis te laten betalen, maar dat de werkende bevolking doorheen de EU het slachtoffer is van het besparingsbeleid van de EU en dat de grote bedrijven en het financiekapitaal nu moeten betalen. Zelfs indien een revolutionaire verandering niet meteen op de agenda zou staan, zou een beweging in Duitsland de ruimte voor een offensief van de Duitse kapitalistische klasse beperken.

Sommigen ter linkerzijde promoten het idee van gemakkelijke oplossingen op basis van het heronderhandelen van de schulden en de voorwaarden van het besparingsbeleid. Deze gemakkelijke oplossingen bestaan niet. De systeemcrisis van het kapitalisme en de tegenstellingen in het proces van kapitalistische integratie in Europa beperken de ruimte voor toegevingen door de dominante kapitalistische klassen. De ervaring van Cyprus bevestigt dit. De beste manier om toegevingen af te dwingen, blijft overigens een sterke strijd vna de werkende bevolking. Maar om tot duurzaam succes te komen, moet deze strijd met socialistische ideeën versterkt worden om zo te bouwen aan een fundamenteel alternatief.

Deze vorm van revolutionaire verandering staat niet meteen op de agenda in Ierland. Maar naarmate de eurocrisis verder verdiept, zullen dit kwesties worden die socialisten en activisten in Griekenland en andere landen in Zuid-Europa moeten opnemen. We staan voor grote strijd en breuken in de Europese periferie. Dit zal ook gevolgen hebben in Ierland en het kan tot een versnelling van de gebeurtenissen leiden. Een duidelijk standpunt over de euro op basis van een socialistisch en internationalistisch perspectief is nodig om in deze bewegingen met links de kansen te kunnen grijpen om voor fundamentele verandering op te komen.