Beweging in het onderwijs. Balans en perspectieven

Vorig academiejaar waaide een enorme strijdbeweging doorheen het Vlaamse hoger onderwijs, gericht tegen de nieuwe financieringsplannen van onderwijsminister Vandenbroucke.

De minister wilde een nieuw financieringsmodel introduceren, waarbij hogescholen en universiteiten voortaan met elkaar in concurrentie zouden moeten gaan om nog een deel van de overheidssubsidies te verkrijgen. Bovendien verloren heel wat instellingen in één klap een groot deel van hun toelage, waardoor ze zouden gedwongen worden fors te besparen.

Uit protest liepen duizenden studenten en personeelsleden uit het hoger onderwijs mee in betogingen in Brussel, Antwerpen en Gent. Onder druk van de beweging werd Vandenbroucke gedwongen om een aantal drastische toegevingen te doen: hij veranderde zijn model, zodat geen enkele universiteit of hogeschool in eerste instantie geld zou verliezen. Wel maakte hij gebruik van de examen –en vakantieperiode om de kern van zijn financieringsmodel, het concurrentiemechanisme via de outputfinanciering, deze zomer te laten stemmen in de Vlaamse regering en het parlement. Door deze outputfinanciering zullen universiteiten en hogescholen aangespoord worden zich vooral op de topstudenten te richten, willen ze nog een goed deel van de subsidiepot binnenrijven. Op die manier introduceert Vandenbroucke een concurrentiemechanisme in het onderwijs.

Tegelijkertijd was er het protest van de leerkrachten in het secundair onderwijs tegen Vandenbroucke’s ideetje om de zogenaamde “schoolopdracht” in te voeren. Een leerkracht zou hiermee verplicht worden een veel hoger aantal uren in het schoolgebouw door te brengen, zelfs wanneer hij/zij geen lessen te geven heeft, om bvb. administratieve taken uit te voeren. Voorheen werden deze taken gedaan door speciaal personeel, maar na de besparingen van de laatste jaren (oa. de 1200 jobs die Vandenbroucke vorig jaar in het onderwijs deed sneuvelen) wordt dit werk steeds meer op de schouders van de leerkrachten geheven. Door deze strijdbewegingen is het blazoen van de minster natuurlijk zwaar besmeurd.

Tijdens de onderhandelingen over de nieuwe CAO’s in het leerplichtonderwijs (CAO 8 – lager en secundair) en hoger onderwijs (CAO 2), wilde hij dan ook ten aller tijde vermijden nogmaals in een slecht daglicht te worden geplaatst. Vandenbroucke kon gelukkig rekenen op zijn trouwe vrienden in de media, die het zo voorstelden alsof de minister plotseling met massaal veel geld over de brug kwam voor het Vlaamse onderwijs. De realiteit is echter anders.

Ten eerste zijn de kruimels die Vandenbroucke vandaag “cadeau” doet aan het onderwijs niets vergeleken met de enorme besparingen die het onderwijs de voorbije jaren heeft moeten slikken. Op die manier komt er nog steeds geen einde aan de continue daling van het budget voor onderwijs sinds begin jaren ’80: het aandeel van de onderwijsuitgaven in ’s lands BNP daalde in die periode met meer dan 30% van 7% in 1980 naar minder dan 5% nu, en dat terwijl vooral in het hoger onderwijs het aantal studenten fors toenam.

We zien dan ook de concrete gevolgen hiervan in de twee nieuwe CAO’s voor het Vlaamse onderwijs: buiten het eindelijk toekennen van de vakantiepremie (de “dertiende maand” die het onderwijs als enige sector in Vlaanderen nog altijd niet kende) wil Vandenbroucke niet verder gaan dan 1% koopkrachtstijging! Mede door het “gefoefel met de index” door de Vlaamse regering, betekent dit dat het onderwijspersoneel de komende jaren heel wat koopkracht zal verliezen! Bovendien geldt deze koopkrachtstijging enkel voor een deel van het personeel (bijvoorbeeld het wetenschappelijk en onderwijzend personeel aan de universiteiten krijgt niets), en eist Vandenbroucke dat de CAO’s minstens 4 jaar zullen gelden, wat opnieuw een unicum is. Verder staat in de “overeenkomst” geen enkele oplossing voor de fundamentele problemen die vandaag in het onderwijs bestaan (zoals de hoge werkdruk, verslechterende werkomstandigheden) , behalve dan het “oprichten van nieuwe werkgroepen”.

Bij het personeel bestaat dan ook een ongelooflijk ongenoegen over deze CAO. Tegelijkertijd is de vakbondsleiding niet bereid om de strijd aan te binden voor meer middelen, en maakt zij haar leden wijs dat er niets meer te rapen valt. Men hoeft enkel maar te kijken naar de reusachtige overschotten die de Vlaamse regering heeft op haar begroting, of naar de megawinsten van de Belgische banken, om te zien hoe relatief deze stelling wel is. De vakbondsleiding weigert echter pertinent een strategie uit te werken om terug te keren naar een bedrag van 7% van het BNP voor het onderwijs. Bij veel studenten en personeelsleden heerst een zeker gevoel dat, ondanks alle overwinningen die we vorig jaar hebben behaald op Vandenbroucke, er weinig verandering te brengen is in de huidige situatie.

De Actief Linkse Studenten hebben vorig jaar een cruciale rol gespeeld in het op gang trekken van de beweging tegen Vandenbroucke. Samen met het ACOD aan de VUB, en de LSP-militanten binnen de onderwijsvakbonden hebben we ervoor gezorgd dat, op een moment dat het VVS en de vakbondsleiding de strijd niet wilden opnemen, er toch een fantastische strijdbeweging op gang is gekomen. De conclusie die we hieruit kunnen trekken is dat we onze krachten verder moeten opbouwen.

Het komende jaar zullen we ons voorbereiden op de eerst volgende gelegenheid om de strijd voor meer middelen terug op het voorplan te plaatsen. We roepen dan ook iedereen op die vandaag de strijd tegen de besparingen in het onderwijs wil verderzetten, met ons de discussie hierover aan te gaan, en aan te sluiten bij ALS!

Delen: Printen: