Home / Belgische politiek / Partijen / SP.a. Niet voorzitter maar vooral programma is het probleem

SP.a. Niet voorzitter maar vooral programma is het probleem

Voorzittersverkiezingen SP.a: als lemmingen in de ravijn van de neoliberale perceptiepolitiek

We worden al enkele maanden om de oren geslagen met de saga van de voorzittersverkiezingen bij de SP.a. De partij doet het niet denderend, als oppositiepartij, in de peilingen en lijkt intern een moordkuil voor aspirant-carrièrezoekers. Soms zijn ook nog gewone vakbondsmilitanten lid van de SP.a, maar zelden met een groot enthousiasme over hun vermogen om die partij naar links te duwen. Als de reeks die De Morgen publiceerde over John Crombez, de uitdager, en de vermaledijde Bruno Tobback, huidig SP.a-voorzitter, een indicatie is van de sfeer binnen de partij, dan kunnen we zeggen: een kerkhof bij valavond ademt meer levenslustige ambiance uit. Maar dat heeft de partij, helaas, vooral aan zichzelf te danken.

Artikel door Peter Delsing

Niet voorzitter, maar vooral programma is het probleem

In de reeks van De Morgen, en al een tijdje in de rest van de pers, wordt het proces gemaakt van Bruno Tobback. Dat doen de huidige of gewezen “toppers” of “kaderleden” dan wel anoniem en op fluistertoon. Wat een principeloze krabbenmand, ben je geneigd te denken. Wat zeggen deze methodes over het niveau van de discussie en de interne partijdemocratie bij de SP.a? Behalve dat het inhoudelijk debat bij de SP.a zo goed als uitgestorven is en het gespin reeds lang de macht heeft overgenomen?

De redenering lijkt te zijn dat Bruno Tobback met zijn eigengereid optreden iedere herleving van de SP.a in de weg staat. Tobback is bruut en cynisch. De afgelopen maanden hoorden we ook dat hij “minder tussen de mensen staat” dan Crombez. Op zich is tussen de mensen staan misschien niet zo’n verdienste. Dat doen handelsreizigers in tafelbier ook, zonder dat we daar al veel vlijmscherpe socialistische analyses van mochten vernemen. Over Crombez leerden we dat hij volgens deze of gene “ex-topper” dan wel “kaderlid” “slechts lalala zou moeten zingen, en nog zouden we op hem stemmen”. Als Tobback cynisch is, dan kunnen de anonieme Brutussen er alvast ook wat van. Verder vernamen we van de erfgenamen van het Charter van Quaregnon dat Tobback het om de zoveel zinnen over “kloten en ballen” heeft. Die overdreven masculiene fascinatie zou hem volgens de kroniekschrijvers van de sociaaldemocratie parten spelen. Het is allemaal best mogelijk. Maar is het de essentie wel?

In de reeks van De Morgen probeerden sommige waarnemers ook wat dieper te graven. Een waar gamma aan “mogelijke redenen voor de neergang van de SP.a” passeerde de revue. Sommigen stelden dat het deels een gevolg was van de overgang van een overwegend industriële naar een grotendeels dienstensamenleving. Maar waarom zou een call centre medewerker minder geneigd zijn om op een socialistische partij te stemmen – gezien de niet zo denderende lonen in die sector? In vergelijking met een industriearbeider die dikwijls meer zal verdienen, vooral omwille van de sterkere vakbondstraditie in die sector. Wellicht niet omdat die call centre medewerker minder hard wordt uitgebuit, maar een stuk jonger is en zich van de sociaaldemocratie de laatste 30 jaar geen enkele progressieve maatregel kan herinneren, die zijn loon of sociale zekerheid fundamenteel vooruithielp?

Effectief, tussen de pleiade aan “mogelijke redenen voor de neergang” opperen sommigen dat de SP.a teveel met “de liberalen” heeft meegedaan de laatste decennia. Wat ben je met een sociaaldemocratie die mee de herverdeling naar de rijkste 1% organiseert? Zo’n partij verlaat haar core business. Waarom dan niet stemmen – als loontrekkende die er net iets beter voorstaat – op de echte liberalen, of de NVA, in plaats van diegenen die “links lullen en rechts de zakken vullen”?

Langs de ene kant wordt geopperd dat de SP.a te liberaal is geworden. Langs de andere kant menen anderen “niet liberaal” genoeg: de zonen en dochters van werkende mensen die SP.a stemden, zouden dat niet meer doen vanaf het moment dat ze denken hogerop op de maatschappelijke ladder te kunnen klimmen. De sociaaldemocratie als slachtoffer van haar eigen “succes”? Daar kan wel wat over worden gezegd. Het is altijd onder druk van strijd geweest dat onderwijs, lonen en sociale zekerheid stappen vooruit hebben gezet. Een echte socialistische partij zou die lagen onder de werkende bevolking die een zekere reserve hebben opgebouwd, wijzen op het instabiele karakter van onze opgebouwde welvaart onder het kapitalisme. Ze zou erop wijzen waar we vandaan komen, en waar we zoals het er nu voorstaat naartoe gaan met dat systeem. Dat het kapitalisme sinds de jaren ’80 enkel tijd heeft gekocht, met immense schuldenbergen als gevolg, en de winstmarges heeft hersteld ten koste van de koopkracht. Dat zoiets het systeem zelf opvreet. En dat de huidige reserves snel weg zullen zijn als de nieuw gevormde zeepbellen van na 2008 tot ontploffing komen. Jazeker, dat Marx hier wel interessante dingen over te zeggen had, en dat de liberale weg voor loontrekkenden enkel naar een Grieks of Spaans sociaal kerkhof leidt. Frank Vandenbroucke – de beste liberaal die Open VLD nooit heeft gehad – denkt dat hij “harde waarheden” van de burgerij omtrent de pensioenen de wereld moet insturen. Waarom stuurt een echte socialistische partij – die de SP.a al lang niet meer is – geen batterij van feiten over het kapitalistisch verval de wereld in? Uit de huidige perikelen bij de SP.a blijkt een hopeloze obsessie met dagjespolitiek van carrièrezoekers die de partij enkel zien als kiesmachine, in de plaats van bezig te zijn met de levensstandaard van de werkende bevolking en hoe die kan worden hersteld en verhoogd.

In Griekenland en Spanje zijn er nieuwe linkse formaties, weliswaar zonder echt socialistisch programma en nog te weinig betrokken in de dagelijkse strijd, die in de verkiezingen de oude sociaaldemocratie volledig voorbijstreven, of zeer snel electoraal bijbenen. Dat doen ze vooral door zich tegen de besparingen en dalende levensstandaard af te zetten. Zoiets is voor veel “realistische” – het realisme van een sociaal kerkhof – yuppies geen optie. Maar een SP.a die zich blijft profileren als beheerder van het kapitalisme, kan alleen maar eindigen als Pasok in Griekenland, of Labour in Schotland: in de vuilnisbak van de geschiedenis. Alleen zal de SP.a van een lager electoraal niveau dan Pasok de trek naar de politieke ondergang mogen inzetten.

In De Morgen wordt erop gewezen dat Syriza zijn programma ook niet kan realiseren. Inderdaad. Maar dat is geen vrijgeleide om verder te gaan met neoliberale besparingen die de sociaaldemocratie in een electorale vergeetput zullen doen verdwijnen. Het is mogelijk dat Crombez met een iets linksere koers naar komende verkiezingen wil gaan, onder meer omtrent de vermogenswinstbelasting. En daar enkele procenten mee wint. Maar dat is cosmetica waarmee de bittere besparingspil zal worden verguld. Wat nodig is, is een programma dat opnieuw een socialistisch antwoord formuleert en radicaal de middelen gaat zoeken waar ze zitten: in de zakken van een kleine groep grote aandeelhouders en kapitalisten.

De klassentegenstellingen zijn niet “vager” geworden. Ze werden dat tijdelijk in de hoofden van de mensen, niet in de materiële realiteit, omdat de leidingen van SP.a en PS, de vakbondsleiders en grote delen van de linkse intellectuelen de witte vlag voor het neoliberale kapitalisme hebben gehesen. Dat proces van verrechtsing aan de top van de arbeidersbeweging en de linkerzijde heeft ons op achterstand gespeeld. Maar zoals de zeer brede stakingsbeweging eind vorig jaar, door de vakbondsleiders op een dwaalspoor gezet achteraf, heeft geleerd: de potentiële kracht van de arbeidersbeweging is nog volledig intact. Het probleem is de leiding, het gebrek aan een alternatief, aan organisatie en een echt socialistisch programma.

Elk “links” programma dat de illusie creëert dat belangrijke sociale hervormingen mogelijk zijn binnen het kapitalisme, heeft de huidige faze van crisis niet begrepen en zal plat op de neus vallen, geconfronteerd met de chantagepolitiek van het kapitaal en haar medestanders. Dat is de les die Griekenland in ons collectieve geheugen plant. Je moet breken met het kapitalisme, om zelfs maar een minimale sociale herstelpolitiek te kunnen voeren.

Perceptiepolitiek van spin doctors vervangt verdediging loontrekkenden

Volgens marxisten is de neergang van de sociaaldemocratie – een Europees fenomeen – een direct gevolg van de neergang van het kapitalisme. In de jaren ’70 al werd dat systeem geconfronteerd met dalende winstgevendheid en overproductiecapaciteit in verschillende sectoren. Sindsdien is er een groei geweest van de structurele werkloosheid naar ongeveer 10% in België en het dubbele daarvan in landen die al een faze verder zitten in de crisis. Al deze fenomenen werden door Marx, met verbijsterende precisie, voorspeld. De kapitalisten hebben door de neoliberale politiek de winstvoeten grotendeels hersteld, maar ten koste van een verergering van de tendens naar overaccumulatie van kapitaal. Vandaag pot het kapitaal op in plaats van te investeren. Of het blaast financiële kaartenhuisjes op op de beurs. De verrotting gaat steeds dieper. Robotisering is een gevaar voor jobs, maar zal ook de winstgevendheid opnieuw uithollen: enkel de uitbuiting van levende arbeidskracht – wist Marx – kan meerwaarde en winst – de motor van het systeem – opleveren.

Het is juist dat het kapitalisme nieuwe markten kan creëren, zoals de telecommunicatie, Apple, Google, en alle markten die ermee verbonden zijn. Maar zelfs die meer dan gemiddeld groeiende sectoren hebben de groeicrisis van het systeem niet verhinderd, mogelijk enkel wat vertraagd. Het kapitalisme zit in een langgerekte depressie die het maatschappelijke weefsel al 30 jaar onderuithaalt. En dat wordt in duurdere en slechtere dienstverlening, uitgeholde lonen en pensioenen,… vandaag voor alle lagen van de bevolking duidelijk. Sinds de crisis van 2008, die eerst naar een nieuwe fatale catastrofe ging zoals in 1929-33, hebben de kapitalisten de meubelen enkel kunnen redden door er een nieuwe, massieve schuldenberg tegenaan te gooien. Dat heeft gezorgd voor enkele jaren van trage, kunstmatige groei en de illusie dat “het ergste voorbij is”. In de werkelijkheid heeft het de zeepbellen op de beurs nog verder uitgerokken. Maar de waardewet – dat de geldfetisj de hoeveelheid arbeid opgehoopt in reële productie moet weerspiegelen – heeft altijd het laatste woord. Een volgende crisis, of reeks van crisissen, zal heftiger en dieper zijn dan de vorige en de burgerij zal minder middelen hebben om ze te bestrijden. Ze zullen al onze verworvenheden overboord gooien zoals in Griekenland en Spanje. Maar de arbeidersklasse zal ook talloze kansen krijgen om zich herop te bouwen en voor een andere samenleving te vechten.

De idee dat de SP.a zogezegd tegenstrijdige kiespublieken – armere “ethisch conservatieve” Belgen, intellectuelen, tweeverdienende “bakfiets-Vlamingen”, atheïsten en gelovige migranten – moet bedienen, is extreem oppervlakkig. Dat soort sociale filosofie van de koude grond kan nooit de basis zijn voor een socialistische partij. Het toont de volledige ideologische uitholling van de sociaaldemocratie. Enkel de verdediging van de materiële belangen van al deze groepen, tegen het kapitalisme in, kan de gemeenschappelijke noemer zijn voor een socialistische partij met toekomst.

In dat opzicht is het tekenend dat de SP.a analisten achterover vallen van het succes van Hart boven Hard, dat 20.000 mensen op straat brengt op een natte regendag. Terwijl ze zelf op hun familiedagen maar enkele duizenden bereiken. Dat toont inderdaad het potentieel van verzet tegen de neoliberale politiek. Iets wat velen niet meer herkennen in de SP.a, die als partij van “staatsmannen en -vrouwen” van het establishment nu moeilijk de rebel kan uithangen.

Maar nog tekenender is dat de SP.a apparatsjiks in hun wildste verbeelding enkel de vergelijking met Hart boven Hard kunnen maken en daarbij, doelgericht, de historisch grote betoging van begin november – van de vakbonden, samen met Hart boven Hard en een laag jongeren – helemaal vergeten en voorbijfietsen. Zo hard als ze kunnen. Daar waren er geen 20.000, wat zeer goed is van Hart boven Hard, maar 150.000 betogers! Totaal in de mist van de geschiedenis verdwenen en genegeerd door de SP.a bureaucratie, die met evenveel misprijzen naar de arbeidersbeweging kijkt als de andere neoliberale partijen. Hoe lang kunnen die 150.000 mensen, waaronder het socio-culturele middenveld maar met de vakbondsbasis als ruggengraat, nog wachten op een eigen politieke vertegenwoordiging? Een die openstaat voor elke nuance en stroming binnen het verzet tegen de neoliberale afbraak. Voor ABVV’ers, voor ACV’ers, voor mensen uit de socio-culturele sector, leden van de PVDA en kleinlinkse stromingen als LSP, ex-SP.a’ers, en ecologisten die menen dat Groen zich op het syndicaal verzet moet baseren en niet op liberaal gepruts in de marge. Daarvoor zal een kritische laag binnen de vakbonden moeten breken met de traditionele partijen. Hoe langer dat die breuk op zich laat wachten, hoe meer we zullen blijven inleveren zonder onze strijd serieus te organiseren en te bediscussiëren. Maar zoals de ervaring van Syriza in Griekenland aantoont: binnen een bredere formatie moeten we bouwen aan een stevige linkerzijde, om de meerderheid van zo’n actieve massapartij – wat zelfs Syriza nog niet is – te winnen voor fundamentele, socialistische verandering.