Home / Dossier / Terugkeer naar rust van voorheen is illusie, sociale strijd blijft op agenda staan

Terugkeer naar rust van voorheen is illusie, sociale strijd blijft op agenda staan

Zes maanden rechtse regering

Dossier door Nicolas Croes uit maandblad ‘De Linkse Socialist’

16178272914_96ae70f7ff_bNog voor de nieuwe federale regering de eed aflegde, was het duidelijk dat er een grote verandering beoogd werd. Niet dat de regering-Di Rupo zo sociaal was – denk maar aan de beperking van de inschakelingsuitkering in de tijd waardoor tienduizenden werklozen hun uitkering verliezen – maar die regering probeerde ons nog te laten geloven dat de besparingen onvermijdelijk waren en iedereen raakten. Bij het ritme van de aanvallen werden al te grote provocaties vermeden. De regering-Michel I daarentegen bekende meteen kleur: de armsten zouden de rekening betalen. Het gaat om een zware rekening die meteen aan woekertarieven moet betaald worden.

Er werd een versnelling hoger geschakeld met het besparingsbeleid. Het doel was duidelijk, de krachtsverhoudingen tussen arbeid en kapitaal blijvend veranderen naar het voorbeeld van de conservatieve contrarevolutie van de Amerikaanse president Ronald Reagan en de Britse premier Margaret Thatcher in de jaren 1980. Destijds slaagden de Belgische rechtse partijen er niet in om dit beleid volledig door te voeren.

Zowel in de VS als Groot-Brittannië kon het neoliberalisme slechts overwinnen na een directe en harde confrontatie met de georganiseerde arbeidersbeweging. Dat gebeurde telkens door een syndicaal sterke sector aan te pakken, die volledig te breken en de overwinning op deze sector werd gebruikt om ook anderen aan te pakken.

In de VS werd in augustus 1981 een voorbeeld gesteld met een harde repressie tegen een staking van de luchtverkeerleiders van de vakbond PATCO. Die staakten tegen de directie van het federaal luchtvaartagentschap om een vermindering van het aantal arbeidsuren te eisen zodat jobs zouden gecreëerd worden en voor een verhoging van de lonen. Twee dagen na het uitbreken van de staking werden de vakbondsleiders opgepakt door tot op de tanden bewapende FBI-agenten, ze werden voor het zicht van heel het land naar de gevangenis afgevoerd. Reagan dankte de 11.359 verkeersleiders af die weigerden om het werk te hervatten. Hij kondigde meteen aan dat ze op een zwarte lijst kwamen waardoor een job voor de overheid uitgesloten was. Deze nederlaag voor de arbeidersbeweging was het beginpunt voor een nooit geziene aanval op vakbondsrechten, lonen, tewerkstelling en openbare diensten.

In Groot-Brittannië vormde de nederlaag van de staking van de mijnwerkers in 1984-85 een keerpunt. Het zorgde ervoor dat het gewicht van de vakbonden werd gebroken en het zette de deur open voor een nooit gezien neoliberaal offensief. Margaret Thatcher omschreef het als volgt: nadat het “democratisch socialisme” in de stembus was verslagen, moest ook het “niet democratisch socialisme”, waarmee ze de vakbonden bedoelde, een slag worden toegebracht. De politie werd ingezet tegen stakersposten, betogingen botsten op repressie en er werden stakingsbrekers ingezet. Tegelijk werd sociale steun aan gezinsleden van stakers beperkt.

In België waren er pogingen om een gelijkaardig beleid te voeren in 1981-1988. De komst van de regering Martens-Gol in 1982 was een keerpunt om over te gaan tot een meedogenloos neoliberalisme dat gepersonaliseerd werd door de toen jonge liberale politicus Guy Verhofstadt die zijn tanden in de levensstandaard van de gewone bevolking wilde zetten. Het verzet van de georganiseerde arbeidersbeweging zorgde ervoor dat het kapitalistische establishment zich moest terugtrekken en overtuigd werd van een meer discrete benadering waarbij sociale confrontaties werden vermeden, onder meer door beroep te doen op de sociaaldemocratie. De ‘socialistische’ partijen kwamen aan de macht en zouden zonder onderbreking aan de macht blijven van 1988 tot 2014, met voor SP.a een onderbreking tussen 2007 en 2011. De methode was anders, maar het doel was hetzelfde, namelijk een enorme transfer van rijkdom van de gemeenschap naar de privé organiseren door middel van privatiseringen, verlagingen van ‘patronale lasten’, extra subsidies voor bedrijven, …

Voor de regeringsploeg van Charles Michel was deze benadering achterhaald. Ze vond de tijd gekomen om een conservatieve contrarevolutie in te zetten in België.

Harde besparingen door thatcheriaanse regering

Deze regering van de rijken stelt uitdrukkelijk dat ze de macht van de politiek – voor zover het een harde neoliberale politiek is, voor Griekenland denken de rechtse politici er anders over – over de samenleving wil bevestigen door de macht en invloed van de vakbonden aan te pakken. De regeringsverklaring werd nog opgesmukt met verwijzingen naar ‘sociaal overleg’, maar in werkelijkheid is er een weinig flexibele weigering om ook maar de minste marge te laten voor ernstige onderhandelingen tussen de zogenaamde ‘sociale partners’. Terwijl de vorige regeringen probeerden om de vakbondsleiding in de mate van het mogelijke mee in bad te trekken bij het doorvoeren van sociale achteruitgang, kiezen Michel en co voor een hardere aanpak. De regering neemt beslissingen, de sociale partners mogen slechts onderhandelen over de toepassing ervan of over elementen in de marge.

De regeringsvoorstellen werden door de vakbonden en andere sociale organisaties al gauw afgedaan als een ‘horrorcatalogus’. De indexering van onze lonen, middelen voor openbare diensten, stakingsrecht, pensioenrechten, … Geen enkele sociale verworvenheid wordt gespaard. Tegelijk worden aanvallen ingezet op de zwaksten, onder meer met een openlijker racistisch beleid ten aanzien van migranten. Het Verbond van Belgische Ondernemingen (VBO) verklaarde tevreden te zijn met eindelijk een “ambitieus regeerakkoord.” Zoals het spreekwoord zegt: toon me je vrienden en ik zal zeggen wie je bent.

De bezorgdheid die al in de zomer van 2014 werd gewekt, bleek al gauw terecht te zijn. Er kwamen harde maatregelen tegen werklozen, een verhoging van de pensioenleeftijd naar 67 jaar, een indexsprong, een strikte loonstop, besparingen op zowat alle domeinen, … En daar bovenop waren er de dagelijkse provocaties door verkozenen van de regeringspartijen, vooral vanuit N-VA. Op 15 december, de dag van de algemene staking, stelde Edward Gardner, verantwoordelijke van het Internationaal Monetair Fonds voor België, dat de regering “op de goede weg” was. Hij verwees vooral naar de pensioenhervorming en de indexsprong.

Massaal verzet

Reagan en Thatcher waren behoedzaam en gingen eerst de confrontatie met een specifieke sector aan vooraleer ze een algemeen offensief tegen de volledige klasse inzetten. Nadat Michel, De Wever en co steeds herhaalden dat de vakbonden niets meer voorstellen in ons land, zijn ze het blijkbaar zelf gaan geloven. Ze dachten dat het mogelijk was om iedereen tegelijk aan te pakken. Het antwoord liet niet lang op zich wachten.

Alle specialisten zijn het erover eens, dit zagen we nooit eerder in de naoorlogse periode. De drie vakbonden (ABVV, ACV en het liberale ACLVB) kondigden meteen na een eerste militantenbijeenkomst in gemeenschappelijk front een ambitieus actieplan aan met vijf afspraken in zowel het noorden als het zuiden van het land.

Er werd begonnen met een nationale betoging in Brussel op 6 november. Dat werd de grootste vakbondsbetoging sinds die van 31 mei 1986 tegen het Sint-Annaplan. Er waren meer dan 120.000 betogers, wellicht eerder 150.000. Naast de vakbondsleden waren er ook veel jongeren (zowel studenten als scholieren) en was er een opmerkelijke aanwezigheid vanuit de culturele sector. Er waren zelfs een aantal kleine zelfstandigen. De betoging toonde de kracht van ons aantal. Met een dergelijke mobilisatie was er een goede aanzet voor de regionale stakingsdagen. De gevestigde media en het establishment probeerden de betoging te herleiden tot geweld in de marge van de betoging.

Vervolgens was er de tweede fase met drie regionale stakingsdagen op 24 november, 1 december en 8 december. Het enthousiasme was groot in heel het land. In Gent werd de haven voor het eerst in de geschiedenis volledig platgelegd. Met de regionale stakingen werd verder opgebouwd naar het hoogtepunt in de derde fase van het actieplan. De nationale algemene staking van 15 december was een groot succes, niet in het minst door de generale repetitie tijdens de regionale stakingen. Sinds het begin van de economische crisis kende geen enkel ander Europees land een dergelijk goed voorbereide algemene staking.

2015: het nieuwe jaar gestart met onbeslistheid

Er is geen twijfel over mogelijk, de regering kreeg enkele rake klappen. Meteen werden ook al diegenen die met de rechtse partijen beweerden dat de vakbonden en massaprotesten iets uit verleden waren van antwoord gediend. Moest er meteen een tweede actieplan aangekondigd zijn naar het model van het eerste actieplan maar met ambitieuzere doelstellingen in de opbouw naar een algemene 48-urenstaking, zonodig verlengbaar tot een staking van onbeperkte duur, dan zou de regering het niet overleefd hebben. Maar de ordewoorden lieten op zich wachten gedurende heel de maand januari en vervolgens in februari.

Zelfs de gevestigde media konden het succes van het actieplan niet wegmoffelen en er kwamen berichten over spanningen binnen de regering. De positie van CD&V werd steeds moeilijker onder druk van de Vlaamse vleugel van de christelijke arbeidersbeweging. Bredere lagen begonnen zich te organiseren, onder meer in Hart boven Hard. Bij elke sociale strijd was er een optimistische sfeer, dat zagen we onder meer tijdens de succesvolle actiedag tegen het transatlantische verdrag TTIP op 19 december. Met de nieuwe Griekse wind van de linkse verkiezingsoverwinning van Syriza nam het potentieel voor verzet nog toe. Maar de vakbondsleidingen lieten zich vangen aan onderhandelingen die slechts erg magere resultaten opleverden. Het maakte duidelijk dat zelfs een verzwakte regering geen enkele kans onbenut laat om onze levensstandaard aan te pakken.

Er kwamen uiteindelijk acties in gemeenschappelijk vakbondsfront eind maart en begin april. Maar het ontbrak aan een actieplan of een concreet perspectief voor de strijd. Toch namen meer dan 30.000 mensen deel aan de vakbondsbetogingen in de week voor de Paasvakantie en op de Grote Parade van Hart boven Hard waren er 20.000 mensen die regen en wind trotseerden. Samen met de staking van ACOD in de openbare sector op 22 april tonen deze acties aan dat de woede niet verdwenen is en dat het potentieel om dit in actief verzet om te zetten nog steeds aanwezig is.

Het sociaal verzet heeft een momentum laten voorbijgaan. De regering kon daar handig gebruik van maken en werd daarbij geholpen door de terreurdreiging. De regering-Michel kon overeind krabbelen, maar de steun voor deze regering blijft erg fragiel. In november plaatste de kwartaalpeiling van LaLibre, RTBF en Dedicated de steun aan de regering op amper 20%. Tegen maart 2015 was dit gestegen, maar met 25% blijft het erg laag. In Vlaanderen is enkel een meerderheid van de N-VA-kiezers (56%) tevreden met het regeringsbeleid, bij Open Vld is dat 46% en bij CD&V zelfs maar 36%. De regering ging in maart over tot een erg voorzichtige begrotingscontrole om niet meer olie op het vuur te gooien en het sociaal verzet niet opnieuw zelf op gang te duwen.

Aanvallen zullen doorgaan

Dit betekent echter niet dat het besparingsbeleid nu zachter zal worden. De regering weet hoe ze op zwakheden langs onze kant kan inspelen. Dat zal gebruikt worden om met een groter zelfvertrouwen verder te gaan in het offensief tegen onze levensstandaard.

Naar aanleiding van de ‘verjaardag’ van zes maanden regering-Michel, stelde de politicoloog Pascal Delwit (ULB) op Bel RTL dat de twee grote dossiers van de regering (de pensioenhervorming en de indexsprong) erdoor geraakt zijn en dat dit “het voordeel heeft dat het achter de rug is voor de regering waarbij het ook moeilijker wordt voor de vakbonden. Het is natuurlijk beter om onpopulaire maatregelen ver van verkiezingen door te voeren.” Delwit vergist zich. Zelfs met een indexsprong en zelfs met een verhoging van de pensioenleeftijd naar 67 jaar, hebben de Belgische kapitalisten een achterstand op hun Europese collega’s. De logica van de wet van de jungle, excuus van de ‘concurrentie’, zal hen dwingen steeds verder te gaan in een echte race to the bottom. Daarbij zet iedere vorm van zwakheid aan tot agressie en nieuwe aanvallen.

De tax shift in voorbereiding wordt gegarandeerd een nieuwe aanval. Als de regering erin zou slagen de minimumdienst door te voeren, dan zal dit het stakingsrecht ernstig beperken en een voorbode kunnen zijn voor een algemene aanval aanval op de syndicale rechten. Er wordt ook gesproken over verplichte tewerkstelling van werklozen en tal van andere aanvallen.

Hoe verder?

De maatregelen die de regering erdoor kreeg, blijven nog beperkt in vergelijking met die van de regeringen Martens in de jaren 1980. Ook deze regeringen begonnen met eerste aanvallen die steeds verder opgevoerd werden, tot ze door de arbeidersbeweging gestopt werden. Toen trok het ABVV alleen een strijdbeweging en duurde het jaren vooraleer de ACV-leiding zich daarbij aansloot. Het was de tijd van de geheime akkoorden in Poupehan, een afgelegen dorp waar Wilfried Martens (CVP) de asociale maatregelen besprak met de gouverneur van de Nationale Bank (ook van de CVP), zijn eigen kabinetschef Fons Verplaetse, bankier Hubert Detremmerie en ACV-topman Jef Houthuys. Die laatste steunde Wilfried Martens discreet en zei aan zijn vriend: “Wilfried, zeg me wat moet passeren bij de vakbond, ik zal daar wel voor zorgen.”

Vandaag ligt de situatie anders. Het eerste actieplan gebeurde in gemeenschappelijk vakbondsfront, zelfs indien het ACV nadien onderhandelde over een akkoord dat de loonmatiging in stand houdt. Dat akkoord kreeg een historisch beperkte steun in de organen van het ACV, in de algemene raad van de vakbond werd het met amper 52% voorstemmen goedgekeurd. Als de onthoudingen worden meegerekend, kwam de ACV-leiding slechts aan een meerderheid van 49% met 45% tegenstemmen en 6% onthoudingen. Dat kwam na een intensieve propagandacampagne binnen het ACV. Voor de staking van de openbare diensten van 22 april zag ACV-Transcom zich verplicht om te verklaren dat het de acties bij het spoor zou dekken met een vergoeding. En dit is nog maar het begin, de regering heeft nog maar de kaap van de eerste zes maanden genomen.

Jammer genoeg heeft het ABVV geen ernstige informatie- en mobilisatiecampagne opgestart voor een nieuw actieplan. Er was angst om alleen in actie te gaan. Nochtans zou het ABVV in dat geval minstens delen van het ACV kunnen meetrekken, niet om naar het ABVV over te stappen maar wel om samen in actie te gaan en zo de druk op de twijfelende vakbondsleiders op te voeren.

Geen terugkeer naar de rust van voorheen, maar wel een periode van sociale strijd

Sinds de val van de Berlijnse Muur en de ineenstorting van de stalinistische karikatuur van het socialisme is er een zeker gevoel van onmacht in het bewustzijn van de werkenden geslopen. Dit had heel wat gevolgen op het vlak van sociale achteruitgang. Met de terugkeer van de crisis in 2008 is de arbeidersklasse terug wakker geschoten. Het eerste actieplan bevestigde het bestaan en de enorme kracht van de arbeidersbeweging. Die beweging blijft de motor van maatschappijverandering. Eens de arbeidersklasse in actie komt, kan ze bovendien bredere lagen meetrekken. De beweging in het najaar van 2014 toont wat mogelijk is met duidelijke ordewoorden en een actieplan waarbij elke volgende stap voortbouwt op de vorige acties. Het hervestigde het vertrouwen van werkenden in de kracht van hun beweging.

Er is een zekere ontgoocheling en frustratie onder de beste militanten en hun basis. Het klopt dat er meer mogelijk was. Na 15 december ging een belangrijke kans om de regering te doen vallen verloren. De houding van de vakbonden in de eerste maanden van dit jaar toonde de gebreken, zowel politiek als syndicaal, van de huidige vakbondsleiders. Dit doorbreekt mogelijke illusies in de leidingen op basis van het eerste actieplan. Het maakt ook duidelijk dat we ons van onderuit moeten organiseren, zowel op syndicaal als politiek vlak.

Het actieplan in het najaar kwam niet toevallig tot stand. De objectieve situatie heeft tot deze acties geleid en niet de wil van de vakbondsleiders. De objectieve omstandigheden leiden tot nieuwe aanvallen op de levensstandaard van de 99% armsten om de winsten van de 1% verder op te krikken. Deze aanvallen gebeuren in golven waarvan er nog ergere kunnen komen. Dit zal onvermijdelijk leiden tot nieuwe massale strijd, los van de vraag wat de vakbondsleiders op het oog hebben. Langs de kant van de werkenden zullen er ook golven van strijd zijn tegen de muur van de reactie en dit tot die muur zal breken.

Daartoe moeten we gebruik maken van elke mogelijkheid die zich stelt. In rustigere periodes moeten we de tijd nemen om lessen te trekken uit de vorige periode om sterker te staan in strijd die komt. Het is dan ook belangrijk dat de arbeidersbeweging over een breed eigen politiek verlengstuk beschikt. Er is nood aan een brede strijdpartij die werkenden, ook van verschillende bestaande stromingen links van de sociaaldemocratie en de groenen, kan verenigen met respect voor elkaars eigenheid. Zoniet blijven we slechts op halve kracht strijden omdat een van onze handen vastgebonden is op onze rug.