België, de modeleconomie?

Guy Quaden, van de Belgische Nationale Bank, is dezer dagen een veelgevraagd man. Op 25 juni verscheen er zelfs een artikel in de Financial Times, lijfblad van de internationale zakengemeenschap, waarin Quaden de wonderen van onze vaderlandse economie toelicht. België zou dit jaar een groei kennen van 2,5%. Dat is beter dan het Europese gemiddelde en voor premier Verhofstadt voldoende reden tot juichen – OK, hij heeft niet veel nodig – en zelfvoldane borstklopperij.

Peter Delsing, artikel overgenomen vanop www.links-socialisme.blogspot.com

Alles is relatief. Stel je voor: in de Financial Times bloemetjes toegeworpen krijgen als modeleconomie, en in eigen land amper nog aan regeren toekomen. Sociaal-democraten en liberalen blokkeren, in het vooruitzicht van de gemeenteraadsverkiezingen, driftig elkaars voorstellen.

De essentie is echter: paars werd de laatste jaren vooral door de vakbondstop rechtgehouden. Met een beetje vakbondsleiding was deze regering gevallen over de beweging tegen het Generatiepact. Dat horen ze zelf ook wel te beseffen.

Alles is relatief. Wat betekent een groei van 2,5%? In werkelijkheid is dat wellicht net genoeg om de werkloosheid licht te laten dalen. De Belgische economie kent normaal een productiviteitsstijging (met hetzelfde aantal arbeiders meer produceren) van tussen de 1 à 1,5%. Daarnaast maken de vervangingsinvesteringen (investeringen waarmee de kapitalisten enkel hun oude machines en materiaal vervangen) ongeveer 1% van de groei van het BBP uit.

Kortom: je hebt in België op z ’n minst een groei van ongeveer 2,5% nodig om het aantal jobs op hetzelfde peil te houden. In de volledige statistieken van de werkloosheid (inclusief schoolverlaters, bruggepensioneerden, oudere werklozen,…) zie je sinds midden jaren ’70 – het begin van de crisis – een voortdurende stijging van de werkloosheid, zelfs in de tweede helft van de jaren ’80. Enkel tijdens de heropleving in de tweede helft van de jaren ’90 zie je een lichte daling. Maar niet voldoende om het verlies aan jobs uit de voorgaande cyclische crisis goed te maken (van het begin van dat decennium).

Die cijfers hoeven niet te verwonderen. Na de jaren ’70 heeft de Belgische kapitalistische economie geen enkel decennium meer gehad waarin de groei gemiddeld meer dan 2% bedroeg. Ter vergelijking: in de jaren ’60 werden geregeld reële groeipercentages van 4 à 5% genoteerd – de vraag naar arbeidskrachten overtrof het aanbod, vandaar onder meer het fenomeen van de immigratie.

Die periode is definitief gedaan onder het kapitalisme (tenzij ze de boel opnieuw uitzuiveren met een oorlog, die ook in de ontwikkelde landen de boel nog eens platgooit – gezien de potentiële kracht van de arbeidersklasse niet het meest voor de hand liggende perspectief). Tussen 2001 – het jaar van de voorgaande recessie in de VS – en 2005 kende de Belgische economie gemiddeld een groei van 1,5%. Het waren jaren van "groei", maar meestal gepaard met jobverlies.

Zelfs die 2,5% voor dit jaar is onzeker, vooral gezien de instabiele situatie en jojobewegingen op de beurzen wereldwijd van de laatste maanden. In de VS verwachten ze een vertraging van de groei tegen het einde van dit jaar. De prijzen gingen er de lucht in, omwille van de stijgende grondstoffenprijzen. De zeepbel op de huizenmarkt in de VS is uit elkaar aan het klappen en de rente (prijs van het lenen) neemt toe, in een poging om de inflatie maar ook de schuldenberg te beheersen. Kortom: de motor van de consumptie in de VS, voor een groot stuk ook de motor van de wereldeconomie, dreigt op een gegeven moment stil te vallen.

De laatste jaren bleven de Amerikaanse gezinnen, ondanks de dalende of stagnerende koopkracht van de lonen (het reële uurloon daalde in koopkracht voor 80% van de arbeiders sinds het "einde" van de crisis in 2001), geld uitgeven. Ze zagen de waarde van hun huizen stijgen, wat de idee gaf dat hun rijkdom nog steeds toenam. Door dit welvaartseffect, samen met de lage rente, werden de leningen draaiende gehouden.

Het is echter moeilijk om te zien hoe deze gezinnen, met stagnerende of dalende lonen, als de prijs van het lenen toeneemt en de huizenprijzen in elkaar klappen, zullen blijven consumeren en schulden opstapelen.

Kortom: aan het regime van goedkoop krediet dat de wereldeconomie boven water heeft gehouden de afgelopen jaren dreigt een einde te komen, met mogelijk catastrofale gevolgen voor de groei in de VS, maar zeker ook in Europa, dat er in zo’n situatie helemaal belabberd zou voorstaan. En dan spreken we nog niet over de nog steeds noodzakelijke correctie van de overgewaardeerde dollar, ook iets wat de concurrentiepositie van de eurozone kan nekken.

De timing is moeilijk te voorspellen, maar een reële crash – en niet gewoon "beperkte correcties" zoals Quaden ze noemt – is onvermijdelijk de komende jaren. Dit zal de idee van klassenstrijd en eigen politieke instrumenten voor arbeiders en jongeren wereldwijd op de agenda zetten.

Delen: Printen: