Nepal: massabeweging zorgt voor revolutionaire crisis

Een algemene staking van 18 dagen, gekoppeld aan massale protesten, dwongen de Nepalese koning Gyanendra op maandag 24 april om het parlement opnieuw in te stellen. De omvang van de crisis was diep. Moest er een revolutionaire, socialistische massapartij in Nepal aanwezig geweest zijn, dan had de kwestie van een arbeiders- en boerenregering zich ongetwijfeld gesteld.

Peter Delsing

Sinds 1 februari 2005 had de dictatoriale koning de touwtjes in Nepal stevig in handen. Hij riep voor 3 maanden de noodtoestand af. In 2005 was Nepal goed voor de helft van de gemelde gevallen van staatscensuur overal ter wereld, volgens een verslag van Reporters Zonder Grenzen.

De koning isoleerde zichzelf door deze repressie, en het sociale verval, meer en meer bij elke laag van de bevolking. Niet alleen van de arbeiders en boeren, maar ook van de middenklasse. Op 9 februari van dit jaar waren er gemeentelijke verkiezingen in Nepal. De koning wou op die manier zijn gezag gedeeltelijk herstellen. Deze strategie viel echter in het water. De maoïstische rebellen riepen op tot een week van stakingen en een grote oppositiebetoging telde 150.000 deelnemers. Het was duidelijk dat het regime op z’n laatste benen liep.

De 18 dagen van staking in april schokten niet enkel de Nepalese elite. Ook de VS en regionale grootmachten als India en China vreesden voor een massa-opstand. India kent in bepaalde regio’s een eigen maoïstische rebellie. De Chinese regering had eind vorig jaar nog 18 vrachtwagens met wapens naar Nepal gestuurd. Daarmee wou ze helpen bij de onderdrukking van de maoïstische guerilla, en destabiliserende protesten in het algemeen. Deze militaire steun onderstreept het karakter van China als meer en meer een staatskapitalistisch land, in plaats van een stalinistische genationaliseerde en geplande economie.

De laatste dagen van de staking in april namen er 100.000en deel aan de protesten. De ambtenaren en de meeste vakbonden vervoegden de algemene staking. Toen de politie op donderdag 20 april 3 betogers doodschoot, leidde dat de daaropvolgende dagen enkel tot een nog sterkere radicalisatie. De massa’s wilden niet meer op de oude manier verder leven en verloren hun schrik om te sterven; de middenklasse ondersteunde het protest; er waren beginnende splitsingen in het staatsapparaat;… De elementen voor een revolutionaire crisis rijpten.

Uit vrees voor een voorziene betoging met mogelijk 2 miljoen deelnemers op dinsdag 25 april, stelde de koning de dag ervoor opnieuw het parlement in. De bestaande oppositie is echter grotendeels gediscrediteerd. De Congrespartij, bijvoorbeeld, toonde haar neoliberale beleid in de jaren ’90.

Er is ook de Verenigde Communistische Partij – Marxistisch Leninistisch, die een bredere invloed heeft. Ze propageert een “democratische republiek”, met socialisme voor een verre toekomst. De stalinistische twee-stadia-theorie, dus. Een en ander moet haar deelname aan allianties met burgerlijke partijen goedpraten.

Trouwens, ook de maoïstische guerilla – die 75% van het platteland controleert – staat niet volledig afkerig van akkoorden met de burgerlijke partijen, en streeft “op korte termijn” enkel naar een “democratische republiek”.

Op kapitalistische basis is het echter niet mogelijk om Nepal uit het sociale en economische moeras te trekken. Democratische eisen zoals landhervorming en democratische rechten moeten onmiddellijk met socialistische eisen, zoals nationalisaties en arbeiderscontrole, worden verbonden. Een oproep voor een socialistische federatie met landen als India, China, etc. in het Aziatische subcontinent zou ook de situatie op wereldvlak wijzigen.

Delen: Printen: