Oost Timor. Buitenlandse bezettingsmacht om de winsten veilig te stellen

Zes jaar na de eerste militaire interventie, is er nu een tweede door Australië geleide militaire interventie in Oost Timor. In 1999 stond de Australische regering al onder druk om iets te doen voor de bevolking van Oost Timor, toen die geconfronteerd werd met een brutale tussenkomst van door Indonesië gesteunde milities. Die milities probeerden de onafhankelijkheid van het land tegen te gaan. Australië maakte gebruik van een zwakke Indonesische regering om tussen te komen en de middelen van Oost Timor te controleren.

Stephen Jolly, socialistisch gemeenteraadslid in Melbourne, Australië

De nieuwe regering van de partij Fretilin heeft haar onafhankelijk in realiteit te danken aan de Australische heersende klasse. Oost Timor heeft daar al een zware prijs voor betaald. Er was een reeks van onevenwichtige akkoorden tussen Australië en het nieuwe land om toegang te krijgen tot de olie- en gasreserves in de Timorese Zee. Hierdoor verdient Australië nu 1 miljoen dollar per dag op basis van grondstoffen die, volgens de standaarden die elders gehanteerd worden, eigenlijk aan Oost Timor toebehoren.

Op jaarbasis gaat het om 356 miljoen dollar gestolen winsten. Vergelijk dat met de officiële ontwikkelingshulp van Australië aan Oost Timor. Voor 2006/2007 is dat 43 miljoen dollar. Dat is geen slechte balans voor de Australische regering. Dit is wat neokolonialisme en imperialisme betekent.

De Australische plundertocht in Oost Timor werd gemakkelijker gemaakt door een VN-interventie in het land. De VN besteedde reeds 565 miljoen dollar in het land, maar dat ging voornamelijk naar het onderhoud van het eigen personeel. Dat heeft geleid tot een stijging van de prijzen. De situatie voor de lokale bevolking is er niet op vooruitgegaan.

Armoede en politieke chaos

De voorbije zeven jaar had de regering weinig middelen om iets te doen aan de enorme sociale en economische problemen in het land. 95% van de scholen waren vernield door Indonesische troepen. Zes jaar na de onafhankelijkheid heeft slechts 50% van de scholieren schoolboeken. 25% van de jongeren is analfabeet.

Oost Timor is het armste land van Azië met een werkloosheid van 50%. Eén op de twee mensen heeft er geen veilig drinkwater en drie op vijf heeft geen sanitair.

Zoals vaak het geval is in dergelijke situaties, richten de lokale kapitalisten en de politieke elite hun interesse op corruptie. Ze hebben geen vertrouwen in een ontwikkeling van de samenleving en proberen dan maar zoveel mogelijk de eigen zakken te vullen. Ze hebben het zelfs opgegeven om de verantwoordelijken voor de bloedbaden van 1999 en daarvoor voor het gerecht te brengen. De elite in de hoofdstad Dili heeft zelfs kritiek op diegenen in het Westen die ingingen tegen de doofpotoperaties van Indonesië om verdachten van moordpartijen vrijuit te laten gaan. Het regime wil haar grote buur niet voor de borst stoten en dat wil ook Australië niet.

De wanhopige bevolking heeft geen duidelijk verenigd socialistisch alternatief, waardoor het open staat voor verdeeldheid.

Enerzijds is er premier Mari Alkatiri. Die was in de voormalige Portugese kolonie Mozambique tijdens de Indonesische bezetting. De Portugese regering bekritiseerde Australië reeds omdat ze hem proberen weg te krijgen van zijn functie. Alkatiri heeft zijn partij en het staatsapparaat opengezet voor zijn persoonlijke aanhangers en vertrouwelingen. Er zijn heel wat beschuldigingen van corruptie daarbij. In laatste instantie verdedigt hij de belangen van het Portugese kapitaal dat haar deel van de Oost Timorese rijkdom wil.

Anderzijds is er president Xanana Gusmao, die tijdens de bezetting actief betrokken was bij het verzet. Dat levert hem nog steeds geloofwaardigheid op onder de massa’s, zeker in het oosten van het land. In het oosten van het land wordt nog steeds gesteld dat er in het westen meer steun was voor de Indonesische bezetting. Gusmao wordt gesteund door de Australische regering.

De opportunistische minister van buitenlandse zaken, Jose Ramos Horta, verbleef in Sydney tijdens de bezetting. Aanvankelijk bevond hij zich in het kamp van Alkatiri, maar nu is staat hij steeds resoluter aan de kant van Gusmao. Zeker na de aankomst van de buitenlandse troepen in Dili is dat het geval.

De chaos wordt versterkt door de verdeeldheid binnen Fretilin, maar ook door de verdeeldheid in het land zelf tussen het oosten en het westen. De chaos leidt ertoe dat heel wat stammentwisten, culturele en zelfs familiale vetes vandaag sterker naar voor komen. Dit werd duidelijk in een golf van etnische zuiveringen in de voorsteden van Dili en elders.

Socialisten moeten zich verzetten tegen een imperialistische interventie

Er is een interventie onder leiding van Australië met zowat 2.000 militairen, 500 politie-agenten en daarenboven 200 militairen uit Nieuw-Zeeland en 500 uit Maleisië. Deze interventie verloopt niet zo gemakkelijk als vorige interventies in de regio. Het is slechts een kwestie van tijd vooraleer de troepen met een soort “mini-Irak” scenario zullen worden geconfronteerd.

Officieel gaat deze interventie over het herinvoeren van ‘stabiliteit’. Het gaat in de realiteit over de bescherming van de winsten van de Australische heersende klasse. De interventie zal niet betrokken zijn bij de bouw van scholen of ziekenhuizen. Het hulpagentschap World Vision moest via een televisieprogramma in Australië een smeekbede doen om 2 of 3 militairen ter beschikking te krijgen om hun voedingswinkel in Dili te beschermen. Het Australische leger had daar nog geen tijd voor, het was te druk bezig met het begeleiden van VN-personeel naar de luchthaven.

De Socialist Party in Australië stond in 1999 zelfs ter linkerzijde alleen met haar verzet tegen een Australische interventie. Destijds werd de interventie zelfs ondersteund door de Democratic Socialist Party (DSP, nu Democratic Socialist Perspective). De DSP heeft een lange geschiedenis en heeft op regionaal vlak een zekere invloed op andere linkse groepen. Het is een voormalige trotskistische partij. De DSP schrijft nu in haar blad ‘Green Left Weekly’ dat de interventie in Oost Timor zal gebruikt worden om een interventionalistische politiek van Australië goed te praten. Er worden soldaten, agenten en financiële adviseurs ingezet om de belangen van de Australische bedrijven te verdedigen op de kap van de lokale bevolking. Dat is correct, maar wat was er in 1999 zo anders?

Er wordt ook een naïeve oproep gedaan aan Bush, Howard en Blair om hulpgoederen en financiële steun te bezorgen aan de massa’s. Denkt de DSP dat deze regering een stuk van het geld dat ze iedere dag stelen in Oost Timor gaan teruggeven?

De DSP roept Bush, Blair en Howard ook op om een oorlogstribunaal op te richten om de inbreuken op de mensenrechten in Oost Timor tijdens de Indonesische bezetting te onderzoeken. Dat zal nooit gebeuren. De drie landen willen Jakarta immers in hun coalitie in de “oorlog tegen het terrorisme” houden. Jammer genoeg staat de kleine Socialistische Partij in Oost Timor dicht bij de standpunten van de DSP. De partij stelt zelfs: “De aanwezigheid van de internationale troepenmacht was belangrijk om de kalmte terug te brengen.” Dat is zowel feitelijk verkeerd als een politiek gevaarlijke stelling.

De enige weg vooruit is door de arbeidersklasse opnieuw te organiseren op een verenigde wijze en met een socialistisch programma. Ook de zwakke vakbonden moeten versterkt worden. Dit programma omvat ook de nationalisatie van de olie- en gasbelangen en het gebruiken van de enorme rijkdom voor de gezondheidszorg, onderwijs, huisvesting en transport. Dat zou duizenden jobs creëren. Een dergelijke socialistische partij zou nauwe banden ontwikkelen met de arbeiders in Indonesië en Australië, de vakbonden en de linkerzijde.

Er is geen enkele andere kracht buiten de arbeiders, arme boeren, armen en jongeren in Oost Timor, die de samenleving daar kan vooruithelpen. Buitenlandse troepen, imperialistische regeringen en hun politieke bondgenoten in Dili hebben enkel armoede, onveiligheid en oorlog aan te bieden.

Delen: Printen: