werkDoorgaans zijn gewone werkenden in de patronale logica slechts een kost die ze zoveel mogelijk willen beperken. Enkel op momenten dat we het werk neerleggen en de patroon ook geen cent aan loon kosten, blijkt plots dat we meer zijn dan een kost. Dan kosten onze acties plots een pak geld aan de economie en de werkgevers. Inderdaad, onze arbeidskracht brengt het patronaat geld op. Zij verdedigen niet het recht op werk maar wel de ‘vrijheid van uitbuiting’.

Het is enkel op stakingsdagen dat het patronaat spreekt over het recht op werk. Dat recht willen ze niet toekennen aan de honderdduizenden werklozen. Het is evenmin een recht op degelijk werk aan degelijke voorwaarden. Neen, het is het recht op werk voor werkwilligen die (nog) niet overtuigd zijn van de argumenten van de stakers. Er wordt geklaagd dat het stakingsrecht zijn limieten bereikt en aan banden moet gelegd worden. Liberalen hebben het zelfs over de nood aan wetgevende initiatieven om het recht op werk vast te leggen.

Socialisten verdedigen het recht op een degelijke job en willen dat ook afdwingen. In onze acties voor werk botsen we steeds opnieuw op diegenen die vandaag roepen dat ze het ‘recht op werk’ verdedigen. Voor de liberalen en andere werkgevers gaat het niet om het recht op werk, wel om het aan banden leggen van stakingen om zo hun vrijheid van uitbuiting uit te oefenen. Dat gebeurde in de 19de eeuw al met het argument van het ‘recht op werk’.

In de 19e eeuw gold een verbod op het organiseren van vakbonden door het zogenaamde ‘samenspanningsverbod’ dat in België werd ingevoerd tijdens de Franse bezetting door het regime van Napoleon. Die wetgeving was gebaseerd op de beruchte Wet Le Chapelier en het decreet D’allarde (beiden uit 1791!). De wet ‘Le Chapelier’ stelde onder meer: “Alle samenscholingen van ambachtslui, arbeiders, gezellen, dagloners of die op hun aansporing zijn tot stand gekomen tegen de vrije uitoefening van de nijverheid en de arbeid door om het even welke persoon,… zullen beschouwd worden als oproerige samenscholingen en als dusdanig uiteengedreven worden door de openbare macht…” De huidige patronale Napoleons betreuren nog steeds de afschaffing van bovengenoemde wetgeving in 1919.

Onder het mom van verandering willen de liberalen terug naar de 19de eeuwse aanpak van stakingsacties, de aanpak die we onder meer in de film Daens kunnen zien. Ze willen het recht op stakingen wel erkennen, maar op voorwaarde dat niemand er iets van merkt. Enkele liberale jongeren richtten zelfs een ‘Werkbond’ op om dat standpunt naar voor te brengen. De organisator, Bert Schelfout, is voorzitter van Jong-VLD en actief als parlementair medewerker voor zijn partij. Zij gaan zo ver om te eisen dat de toegang tot bedrijven niet mag gehinderd worden. Met andere woorden een verbod op stakingspiketten. Om helemaal terug naar de tijd van Daens en Woeste te gaan, bood de ondernemer Willy Naessens zijn personeelsleden zelfs een fles champagne aan als ze niet staken.

De patronale hysterie wordt bij elke staking opnieuw bovengehaald. Waar ze zich nu niet van bewust lijken te zijn, is dat er op veel piketten amper werkwilligen opdoken en dat de steun voor de stakingsacties groeit. Peilingen bevestigen dat het begrip voor de acties toeneemt, nu al is er een meerderheid in Vlaanderen met 55%. Dezelfde peilingen bevestigen dat de eisen van de stakers gedragen worden, een grote meerderheid verzet zich tegen het besparingsbeleid, meent dat de grote vermogens meer moeten bijdragen en een groeiend aandeel van de bevolking staat negatief tegenover de regering.

Er zijn heel wat wettelijke gronden voor het recht op collectieve actie met inbegrip van stakersposten. Dit wordt gewaarborgd door het Europees Sociaal Handvest en de regels van de Internationale Arbeidsorganisatie. Verschillende rechtbanken, waaronder het Hof van Cassatie, bevestigden dat stakersposten en/of wegblokkades onderdeel vormen van het stakingsrecht. Het Europees Comité van Sociale Rechten oordeelde enkele jaren geleden nog dat dwangsommen tegen een stakerspost onaanvaardbaar zijn. Een wetsvoorstel om dat te bevestigen, werd nooit besproken. Voor de parlementsleden was het geen prioriteit.

Het stakingsrecht en het recht op collectieve actie zijn afgedwongen door arbeidersstrijd. Ze vormen integraal onderdeel van onze democratische rechten, die allemaal afgedwongen zijn door arbeidersstrijd. We hebben niet gestreden om die democratische rechten opnieuw af te staan. De roep van de liberalen om het ‘recht op werk’ te erkennen is hypocriet en bovendien een verkeerde omschrijving van wat ze eigenlijk willen. Zij willen het recht op collectieve actie terugschroeven zodat de werkgevers en hun politieke marionetten ongehinderd kunnen besparen op onze lonen en arbeidsvoorwaarden. Zoals gezegd: ze willen de vrijheid van uitbuiting.

Het is schandalig dat honderdduizenden werkwillige werklozen hun recht op werk ontzegd worden door inhalige patroons die weigeren om het beschikbare werk te verdelen door de arbeidsduur te verlagen zonder loonverlies. We zouden bijna durven zeggen dat het recht op werk van de werklozen gegijzeld wordt. Met onze stakingsacties komen we ook op voor meer jobs aan betere voorwaarden. De strijd voor werk wordt langs onze kant gevoerd, niet langs de kant van de werkgevers die ons slechts als een lastige kostenpost zien.

Lees hier meer over het stakingsrecht, een artikel uit onze archieven ten tijde van de strijd tegen het Generatiepact in 2005