Stop de vermarkting van het onderwijs. Het plan Vandenbroucke (Deel 5)

In het vierde deel van onze brochure over het onderwijs wordt specifiek ingegaan op de besparingsplannen van de Vlaamse minister van onderwijs Frank Vandenbroucke. We gaan na wat de voorgestelde hervormingen zouden betekenen voor zowel de studenten als het personeel aan de universiteiten en hogescholen.

Tim J

5. Het Plan Vandenbroucke

(1)

Overgang naar de Europese onderwijsmarkt

De bedoeling van het plan is om tijdens de overgangsfase 2008-2012 het Vlaamse hoger onderwijs klaar te maken voor de aankomende Europese hoger onderwijsmarkt. In die fase wordt het onderwijs nog steeds voor het overgrote deel gefinancierd door de overheid, maar wordt er een concurrentiemechanisme ingevoerd die de universiteiten moet voorbereiden op de latere concurrentie op internationaal niveau. Dit moet het ook mogelijk maken dat op termijn private bedrijven kunnen investeren in het hoger onderwijs.

Concurrentiemechanisme

Dit is het belangrijkste doel van het Plan Vandenbroucke. Voor de allereerste keer zal de overheid bij de financiering van het onderwijs een concurrentiemechanisme invoeren. Het overheidsbudget voor onderwijs wordt tot 2012 vastgelegd, en de instellingen moeten nu met elkaar in concurrentie gaan om overheidsmiddelen te krijgen.

Hoe gaat dit in zijn werk? Een groot deel van de inkomsten van de Vlaamse universiteiten en hogescholen komt uit de pot van 1,152 miljard overheidssubsidies, de “werkingsmiddelen”. Die pot wordt in 3 delen opgedeeld: 5% van het geld wordt verdeeld onder de verschillende associaties, naargelang hun grootte. Daarnaast is er nog een tweede pot van 5%: de “projectgebonden middelen”. De minister stelt een aantal prioriteiten vast voor het onderwijs (groepen in de maatschappij waar meer aandacht voor nodig is, studierichtingen of onderzoek dat belangrijk is), en universiteiten en hogescholen die een inspanning leveren om tegemoet te komen aan die prioriteiten zullen in ruil een deel van dit geld krijgen.

Het overgrote deel van de middelen zit echter in een variabel gedeelte van 90%. Dit geld wordt verdeeld op basis van een aantal parameters die de minister heeft opgesteld. Instellingen die goed scoren op die parameters, krijgen meer geld. Elk jaar wordt de verdeling van de subsidies tussen de instellingen dus opnieuw berekend aan de hand van deze parameters.

Tot nu toe werden de instellingen van het hoger onderwijs gefinancierd volgens het aantal studenten, en lagen de overheidsdotaties voor het overgrote deel vast. Met het geld dat ze kregen deden de instellingen dan wat ze wilden. Op die manier bestond er ook geen nood tot het beconcurreren van andere instellingen. Dit zal nu anders zijn. Universiteiten en hogescholen zullen vanaf nu moeten geleid worden als een commercieel bedrijf, dat zoveel mogelijk moet renderen om concurrentieel te blijven.

Parameters

Als we de concrete parameters er bij nemen, zien we dat de grotere instellingen en associaties systematisch worden bevooroordeeld tegenover de kleinere. Het is zelfs zo dat een instelling die niet genoeg studenten, onderzoekers en doctoraten kan voorleggen, op termijn zelfs helemaal géén geld meer zal krijgen, indien ze niet in associatie gaat met een andere instelling.

Op zich is het stimuleren van samenwerking geen probleem, maar het geld dat instellingen krijgen ligt niet vast per instelling, maar per associatie. Door de enorme concurrentiedruk die zal heersen tussen de verschillende associaties, zullen de grotere partners worden verleid tot het bevoordelen van de grote instellingen tegenover de kleinere. Financieel gesproken wordt het bijzonder interessant om binnen de associatie één grote instelling in te richten, met veel studierichtingen- en keuzes, met daar rond een netwerk van minderwaardige instellingen, die hun beste studenten toeleveren aan de topinstelling.

Bovendien wordt het behoud van kleine werkcolleges en direct contact tussen studenten en professoren ongelooflijk afgestraft. Nochtans hebben de visitatiecommissies die vandaag de kwaliteit van het onderwijs controleren juist de houding om deze manier van lesgeven aan te moedigen. Het is al veel langer een wijdverspreid idee dat de klassieke massacursus die ex-kathedra wordt afgedreund niet de pedagogisch meest verantwoorde manier is van lesgeven. Je hoeft geen onderwijsspecialist zijn om tot die vaststelling te komen.

Het Plan Vandenbroucke wil nu echter komaf maken met lessen waarin slechts weinig leerlingen zitten. Studierichtingen, vakken of opties met kleine groepen studenten worden financieel zeer zwaar afgestraft door de invoering van een zogenaamde “concentratie-index”. De instellingen krijgen zelfs een financiële aanmoediging om deze kleine richtingen af te bouwen. Hiermee kiest minister Vandenbroucke dus een oriëntatie die door iedereen met ervaring in het onderwijs als compleet absurd en achterhaald wordt bestempeld, maar die wèl goedkoop is…

Outputfinanciering

Vanaf 2007 zullen de universiteiten en hogescholen niet meer gefinancierd worden naargelang het aantal studenten dat zij hebben (inputfinanciering), maar naargelang het halen van bepaalde streefdoelen en quota op het aantal afgestudeerden (outputfinanciering). Dit betekent dat studenten met studiemoeilijkheden, dikwijls ten gevolge van hun sociale achtergrond, sterk benadeeld zullen worden. Weliswaar wil Vandenbroucke meer geld op tafel leggen voor instellingen die veel beursstudenten hebben, welks op zich natuurlijk een goede zaak is, maar hij biedt natuurlijk geen mogelijkheden om die beursstudenten ook daadwerkelijk aan te trekken. Geld voor zelfstudiecentra waar professoren en pedagogen studenten met studiemoeilijkheden kunnen ondersteunen is er bijvoorbeeld niet, er zijn geen extra middelen voor betere sociale voorzieningen zoals studentenrestaurants, gesubsidieerde koten, medische diensten, goedkope sportinfrastructuur enz.

De onderwijsinstellingen worden dus niet langer gefinancierd naargelang het aantal studenten die ze aantrekken, maar naargelang de successen op het gebied van doctoraten, geslaagde masters,… Opnieuw worden grote instellingen hierdoor sterk bevooroordeeld, door de economische schaalvoordelen die ze hebben. Een grote universiteit met goede laboratoria, veel professoren ed. zal sneller een betere outputscore hebben dan een kleinere instelling.

Door de outputfinanciering zal de neiging sterk zijn om zich te richten op elitestudenten, en de anderen te verwaarlozen. We krijgen dus binnenkort een Amerikaans hoger onderwijsmodel, waarin topinstellingen mekaar bekampen om zoveel mogelijk goede studenten aan te trekken, en voor de rest enkel hun quota inzake studenten uit sociaal zwakkere milieus opvullen naargelang het hen goed uitkomt. Het is immers veel makkelijker om te proberen de “elitestudenten” aan te trekken, dan massaal veel geld te investeren in goede sociale voorzieningen, in de hoop extra beursstudenten aan te trekken.

Wanneer we uiteindelijk de concrete financiële implicaties van dit decreet er bij nemen, wordt snel duidelijk wat de bedoeling is. In Vlaanderen zouden op termijn één of maximaal twee universiteiten ontwikkeld worden als topinstellingen, die op internationaal gebied kunnen concurreren, ten nadele van alle andere universiteiten en hogescholen. Een grote universiteit als de KULeuven scoort verrassend goed op alle parameters, en rijft dan ook een riante som aan extra middelen binnen. Kleinere universiteiten en de hogescholen starten met een enorme handicap, en men kan dus nauwelijks spreken van een “vrije concurrentie”. Maar zelfs voor een universiteit als de KUL is het niet enkel rozegeur en manenschijn. De nadruk op de commercialiseerbare aspecten van onderzoek en onderwijs zal nog veel sterker worden gelegd, en vooral de menswetenschappen zullen hiervan het slachtoffer zijn.

Aanval op de rechten en belangen van studenten

Het is duidelijk dat Vandenbroucke z’n financieringsplan niet geschreven heeft met in het achterhoofd een voortdurende aandacht voor de rechten en belangen van de studenten en het personeel in het hoger onderwijs.

Voor studenten zijn we al ingegaan op een aantal concrete negatieve gevolgen van dit plan. De voorbije jaren is de studiedruk al spectaculair gestegen. Dit is vooral te wijten aan het gebrek aan onderwijzend personeel, waardoor het voor veel professoren veel eenvoudiger is een aantal taken te laten afwerken die de assistenten kunnen verbeteren, ipv effectief bezig te zijn met de begeleiding van de studenten. Doordat de concurrentiedruk tussen de verschillende instellingen enorm wordt opgedreven, zal ook de prestatiedruk op de studenten nog meer toenemen. Een universiteit of hogeschool zal niet voldoende geld meer krijgen voor een student als die student niet goed genoeg presteert.

Vooral voor studenten uit financieel zwakkere milieus wordt dit dramatisch. Studenten die bijvoorbeeld werken voor om studies te kunnen financieren, kunnen nu éénmaal minder tijd besteden aan hun studie in vergelijking met andere studenten. Aangezien Vandenbroucke voor een aantal opleidingen, zoals de master-na-master, de financiering van overheidswege wil stopzetten, en in de plaats de universiteiten verplichten hoge inschrijvingsgelden te vragen, zal de financiële druk op de studenten alleen nog maar toenemen. Universiteiten mogen nu zoveel vragen als ze willen voor voortgezette opleidingen, wat de deur naar onbeperkte inschrijvingsgelden op alle niveaus op een kier zet. Vandenbroucke is echter een intelligent man: vandaag spreekt hij nog niet over de mogelijkheid om de inschrijvingsgelden te verhogen. Maar binnen een systeem van internationale concurrentie zullen de Vlaamse universiteiten en hogescholen veel meer middelen nodig hebben om op te boksen tegen buitenlandse instellingen. Het plan Vandenbroucke toont duidelijk aan dat de Vlaamse overheid niet van plan is om het onderwijs beter te gaan financieren. Als onze universiteiten de concurrentie met topinstellingen zoals Harvard, Yale en Oxford willen overleven, zullen ze dus vergelijkbare inschrijvingsgelden moeten gaan vragen die daar van toepassing zijn.

Gevolgen voor het personeel

Ook voor het personeel zal het nieuwe financieringsdecreet de bestaande problemen alleen nog maar vergroten. Ten eerste is er natuurlijk een directe aanval op de werkzekerheid. Als het plan Vandenbroucke wordt uitgevoerd zoals het nu wordt voorgesteld, zal dat in een groot deel van de instellingen tot massale ontslagen leiden door de forse vermindering van de financiering. Bovendien zal het concurrentiemechanisme de werkzekerheid in het hoger onderwijs nog verder in gevaar brengen. De voorbije jaren is de stijging van het personeelseffectief in het hoger onderwijs vooral te wijten aan een stijging van “projectgerelateerde” jobs. Onderzoekers worden aangenomen op een tijdelijk project, en moeten op zoek naar een nieuwe job als het project afgelopen is. Heel weinig personeelsleden stoten door naar een vaste benoeming. Doordat universiteiten en hogescholen vanaf nu nog veel minder zeker kunnen zijn van hun financiering op lange termijn, zullen ze nog minder geneigd zijn om mensen vast te benoemen, en zal het aantal flexibele en tijdelijke jobs alleen maar toenemen. Ook voor die personeelsleden die de voorbije jaren in onderaannemingen zijn geplaatst, tegen slechtere arbeidscondities dan voorheen, is er enkel een verslechtering mogelijk. De instellingen zullen nog meer gepushed worden om te besparen op restaurants, onderhoud, kuisploegen enz., wat de mogelijkheid voor contracten met “piratenfirma’s” in deze sectoren alleen nog maar zal vergroten.

Bovendien zorgt het concurrentiemechanisme ervoor dat geen enkele universiteit of hogeschool nog op lange termijn zeker is van haar financiering. De personeelsleden die van deze financiering afhangen zullen dan ook in voortdurende onzekerheid over hun job moeten leven. Als onderwijsinstellingen als bedrijven moeten geleid worden, zal er een constante druk komen op de lonen en arbeidsvoorwaarden.


(1) Het hele financieringsdecreet van Vandenbroucke (de zogenaamde vervolgnota), en de concrete financiële implicaties ervan zijn vrij te raadplegen op de website van het ministerie van onderwijs. http://www.ond.vlaanderen.be/hogeronderwijs/Vervolgnota9-12-05.htm

Delen: Printen: