Lenin. Over het zelfbeschikkingsrecht der naties (5)

In het vijfde en voorlaatste deel van het boek van Lenin over het recht der naties op zelfbeschikking, wordt verdergegaan met een kritiek op Rosa Luxemburg en haar standpunt over het nationale vraagstuk in Rusland. Daarbij wordt een interessant voorbeeld gegeven van de opsplitsing tussen Zweden en Noorwegen.

4. Het ‘praktische standpunt’ in het nationale vraagstuk

Met buitengewone ijver hebben de opportunisten Rosa Luxemburgs bewering overgenomen, dat paragraaf 9 van ons programma niets ‘praktisch’ bevat. Rosa Luxemburg zelf is zo verrukt over dit argument, dat wij het op sommige bladzijden tot achtmaal toe tegenkomen.

Zij schrijft: paragraaf 9 ‘geeft geen enkele praktische aanwijzing voor de dagelijkse politiek van het proletariaat, geen enkele praktische oplossing van de nationale problemen’.

Laten we dit argument onderzoeken, dat ook zo geformuleerd wordt dat paragraaf 9 of in het geheel niets uitdrukt of ertoe verplicht alle nationale stromingen te ondersteunen.

Wat betekent het eisen van iets ‘praktisch’ in het nationale vraagstuk?

Hetzij de ondersteuning van alle nationale stromingen, hetzij het beantwoorden van de vraag over afscheiding van elke natie met een ‘ja of neen’, hetzij in het algemeen de onmiddellijke ‘uitvoerbaarheid’ van de nationale eisen.

Laten we deze drie mogelijke betekenissen van de eis van iets ‘praktisch’ eens nader bezien.

De bourgeoisie, die in de aanvang van iedere nationale beweging natuurlijk als hegemoon (leider) daarvan optreedt, noemt het ondersteunen van alle nationale stromingen een praktische zaak. De politiek van het proletariaat wat betreft het nationale vraagstuk (evenals ten aanzien van de overige vraagstukken) ondersteunt de bourgeoisie echter slechts in een bepaalde richting, maar komt nooit volkomen met de politiek van de bourgeoisie overeen. De arbeidersklasse ondersteunt de bourgeoisie alleen in het belang van de nationale vrede (die de bourgeoisie nimmer ten volle tot stand kan brengen en die slechts verwezenlijkt kan worden naarmate volledige democratisering plaatsvindt), in het belang van rechtsgelijkheid, ter wille van zo gunstig mogelijke voorwaarden voor de klassenstrijd. Juist daarom stellen de proletariërs tegenover de praktische houding van de bourgeoisie een principiële politiek inzake het nationale vraagstuk en ondersteunen de bourgeoisie steeds slechts voorwaardelijk. Iedere bourgeoisie wil in nationale aangelegenheden privileges of uitzonderlijke voordelen voor haar eigen natie verkrijgen; dit juist wordt nu ‘praktisch’ genoemd. Het proletariaat is tegen alle privileges, tegen elke uitzonderingspositie. Van het proletariaat een ‘praktische houding’ verlangen betekent in het kielzog van de bourgeoisie varen ofwel in opportunisme vervallen.

Moet men inzake de afscheiding bij iedere natie met ‘ja of neen’ antwoorden? Dat lijkt een bij uitstek ‘praktische’ eis. In werkelijkheid echter is het een dwaze eis, die, metafysisch in theoretisch opzicht, er in de praktijk toe leidt dat het proletariaat zich neerlegt bij de politiek van de bourgeoisie. Deze stelt altijd haar eigen nationale eisen op de voorgrond. Zij stelt ze onvoorwaardelijk. Voor het proletariaat zijn deze eisen ondergeschikt aan de belangen van de klassenstrijd. Theoretisch kan men niet met zekerheid van te voren vaststellen of de afscheiding van een bepaalde natie, dan wel haar rechtsgelijkheid ten opzichte van een andere natie de burgerlijk-democratische revolutie zal besluiten; voor het proletariaat is het in beide gevallen van belang de ontwikkeling van de eigen klasse te waarborgen; voor de bourgeoisie is het van belang deze ontwikkeling te bemoeilijken door de taken van het proletariaat ten achter te stellen bij die van de ‘eigen’ natie. Daarom beperkt het proletariaat zich om zo te zeggen tot de negatieve eis van erkenning van het recht op zelfbeschikking, zonder een enkele natie ook maar iets ten koste van een andere natie te garanderen, te waarborgen.

Laat dit niet ‘praktisch’ zijn, in de praktijk echter is het de beste waarborg voor een zo democratisch mogelijke oplossing; het proletariaat heeft uitsluitend zulke waarborgen nodig, de bourgeoisie van elke natie daarentegen heeft waarborgen voor haar voordelen nodig zander rekening te houden met de omstandigheden (de eventuele nadelen) van andere naties.

De bourgeoisie stelt het meest belang in de ‘uitvoerbaarheid’ van een bepaalde eis; vandaar de eeuwige politiek van koehandel met de bourgeoisie van andere naties op kosten van het proletariaat. Het proletariaat heeft daarentegen belang bij het versterken van zijn klasse tegenover de bourgeoisie, bij het opvoeden van de massa’s in de geest van consequente democratie en socialisme.

Laat dit voor de opportunisten niet ‘praktisch’ zijn, het is echter de enige werkelijke waarborg voor zo groot mogelijke nationale gelijkgerechtigheid en nationale vrede, in weerwil zowel van de feodalen als van de nationalistische bourgeoisie.

Vanuit het standpunt van de nationalistische bourgeoisie van elke natie is de gehele taak van de proletariërs wat het nationale vraagstuk betreft ‘onpraktisch’, want de proletariërs eisen ‘abstracte’ rechtsgelijkheid en principiële opheffing van zelfs het minste privilege, aangezien zij vijandig staan tegenover ieder nationalisme. Daar Rosa Luxemburg dit niet begrepen heeft, heeft zij door haar onverstandig verheerlijken van het praktische standpunt de poorten wagenwijd opengezet voor de opportunisten, in het bijzonder voor opportunistische concessies aan het Groot-Russische nationalisme.

Waarom aan het Groot-Russische? Omdat de Groot-Russen in Rusland de onderdrukkende natie zijn en het opportunisme, wat het nationale vraagstuk betreft, bij de onderdrukte naties natuurlijk op een andere wijze tot uiting komt dan bij de onderdrukkende naties.

De bourgeoisie van de onderdrukte naties zal in naam van de ‘praktische’ zin van haar eisen het proletariaat oproepen haar streven onvoorwaardelijk te ondersteunen. Het meest praktische is ronduit ‘ja’ te zeggen en zich voor de afscheiding van een bepaalde natie uit te spreken, niet echter voor het recht op afscheiding van alle naties!

Het proletariaat is tegen zulk een praktische houding: het erkent de gelijkgerechtigheid en het gelijke recht op een nationale staat, het beschouwt de vereniging van proletariërs van alle landen als het waardevolste en stelt die boven alles, terwijl het iedere nationale eis, iedere nationale afscheiding vanuit het oogpunt van de klassenstrijd der arbeiders beoordeelt. De leuze van een praktische houding is in werkelijkheid slechts een leuze die oproept tot het kritiekloos volgen van burgerlijke stromingen.

Ons wordt gezegd: door het recht op afscheiding te ondersteunen, ondersteunen jullie het burgerlijke nationalisme van de onderdrukte naties. Dat zegt Rosa Luxemburg, en de opportunist Semkovski praat het haar na – in de redactie van de liquidatorenkrant overigens de enige vertegenwoordiger van liquidatorenideeën op dit gebied!

Wij antwoorden: neen, juist voor de bourgeoisie is hier een ‘praktische’ oplossing van belang, maar voor de arbeiders is het van belang principieel onderscheid tussen twee tendensen te maken. Voor zover de bourgeoisie van een onderdrukte natie tegen de natie der onderdrukkers strijdt, zijn wij daar steeds en met de meeste beslistheid voor, omdat wij de stoutmoedigste en meest consequente vijanden van onderdrukking zijn. Voor zover de bourgeoisie van een onderdrukte natie haar eigen burgerlijke nationalisme verdedigt, zijn wij er tegen. Strijd tegen de privileges en de despotie van de onderdrukkende natie, maar geen enkel toegeven aan een streven van de onderdrukte natie naar privileges.

Wanneer wij de leuze van het recht op afscheiding niet stellen en in onze agitatie niet verdedigen, zullen wij niet alleen de bourgeoisie, maar ook de feodalen en het absolutisme van de onderdrukkende natie in de hand werken. Dit argument heeft Kautsky reeds lang geleden tegen Rosa Luxemburg aangevoerd, en het is een onaanvechtbaar argument. Uit vrees ‘hulp’ te verlenen aan de nationalistische Poolse bourgeoisie steunt Rosa Luxemburg, door het recht op afscheiding in het programma van de Russische marxisten af te wijzen, in feite de Groot-Russische Zwarte Honderd-lui. In feite draagt zij tot een opportunistische verzoening met de privileges (en met ergere dingen dan privileges) van de Groot-Russen bij.

In het vuur van haar strijd tegen het nationalisme in Polen heeft Rosa Luxemburg het nationalisme van de Groot-Russen vergeten, hoewel juist dit nationalisme op het ogenblik het gevaarlijkste is, want niet zozeer een burgerlijk als wel een feodaal nationalisme en daardoor juist de voornaamste hindernis voor de democratie en de proletarische strijd. leder burgerlijk nationalisme van een onderdrukte natie heeft een algemeen democratische inhoud die zich tegen onderdrukking keert, en deze inhoud ondersteunen wij dan ook zonder voorbehoud; daarbij sluiten wij het streven naar een nationale uitzonderingspositie streng uit en bestrijden wij de neiging van de Poolse bourgeois, de joden te onderdrukken enz., enz.

Van het standpunt van een bourgeois en een kleinburger is dit ‘onpraktisch’. Het is echter de enige praktische en principiële politiek ten aanzien van het nationale vraagstuk, waarmee de democratie, de vrijheid en de proletarische eenheid werkelijk gebaat zijn.

Erkenning van het recht op afscheiding voor allen; beoordeling van elk concreet geval van afscheiding vanuit een standpunt, dat elke rechtsongelijkheid, elk privilege en elke uitzonderingspositie uitsluit.

Neem b.v. de positie van een onderdrukkende natie. Kan een volk dat andere volken onderdrukt vrij zijn? Neen. Het belang van de vrijheid van de Groot-Russische bevolking eist, dat tegen zulk een onderdrukking gestreden wordt. De lange, eeuwen omspannende geschiedenis van het neerslaan van bewegingen van onderdrukte naties en het systematisch propageren van deze onderdrukking door de ‘hogere’ klassen hebben in de vorm van vooroordelen enz. grote hindernissen opgeworpen voor de bevrijding van het Groot-Russische volk zelf.

Door de Groot-Russische Zwarte Honderd-lui worden deze vooroordelen bewust gekweekt en aangewakkerd. De Groot-Russische bourgeoisie legt zich bij deze vooroordelen neer of past zich erbij aan. Het Groot-Russische proletariaat kan zijn eigen doeleinden niet bereiken en zich de weg naar de vrijheid niet banen zonder stelselmatig strijd te voeren tegen deze vooroordelen.

Het stichten van een zelfstandige en onafhankelijke nationale staat is in Rusland tot heden uitsluitend het voorrecht van de Groot-Russische natie gebleven. Wij Groot-Russische proletariërs verdedigen geen enkel voorrecht en dus ook dit niet. Wij strijden op de grondslag van de gegeven staat, we verenigen de arbeiders van alle naties van de gegeven staat, we zijn niet in staat deze of gene weg van de nationale ontwikkeling te garanderen, we gaan langs alle mogelijke wegen op ons klassendoel af.

Men kan dit doel echter niet nastreven zonder tegen elk soort nationalisme te strijden en voor de gelijkheid van de diverse naties op te komen. Of het b.v. voor de Oekraïne weggelegd zal zijn een zelfstandige staat te vormen, hangt van duizend van te voren niet bekende factoren af. Zonder te proberen ons in ‘gissingen’ te verdiepen komen wij met kracht op voor dat wat buiten twijfel staat: het recht van de Oekraïne op zulk een staat. Wij houden dit recht hoog en wensen de privileges van de Groot-Russen tegenover de Oekraïeners niet te steunen, wij voeden de massa’s op in de geest van het erkennen van dit recht, in de geest van het afwijzen van staatkundige privileges van welke natie ook.

De wisselvalligheden, waaraan alle landen in het tijdperk van de burgerlijke revoluties blootstonden, maken conflicten en strijd om het recht op een nationale staat mogelijk en waarschijnlijk. Wij, proletariërs, verklaren bij voorbaat tegenstanders van Groot-Russische privileges te zijn en voeren onze hele propaganda en agitatie in deze zin.

Op zoek naar een ‘praktisch standpunt’ heeft Rosa Luxemburg de belangrijkste praktische taak, zowel van het Groot-Russische proletariaat als van dat van andere nationaliteiten over het hoofd gezien: de taak van de dagelijkse agitatie en propaganda tegen alle nationale staatkundige privileges, voor het recht, het gelijke recht van alle naties op een eigen nationale staat; dit is (op het ogenblik) onze voornaamste taak met betrekking tot het nationale vraagstuk, want alleen op deze wijze komen wij op voor de democratie en voor eenheid op voet van gelijkheid van de proletariërs aller naties.

Laat deze propaganda vanuit het standpunt van de Groot-Russische onderdrukkers en vanuit dat van de bourgeoisie van de onderdrukte naties maar ‘onpraktisch’ zijn (zowel de een als de ander verlangt een beslist ja of neen en beschuldigt de sociaal-democraten van ‘vaagheid’). In werkelijkheid waarborgt juist deze en alleen deze propaganda een waarlijk democratische en waarlijk socialistische opvoeding van de massa’s. Slechts zulk een propaganda biedt Rusland, indien het een multinationale staat blijft, de meeste kans op nationale vrede en op een zo vreedzaam mogelijke (en voor de proletarische klassenstrijd minst schadelijke) splitsing van Rusland in verschillende nationale staten, indien de kwestie van zulk een splitsing acuut mocht worden.

om deze, de enige proletarische politiek ten aanzien van het nationale vraagstuk op concretere wijze duidelijk te maken ‘zullen wij het standpunt van het Groot-Russische liberalisme’ wat betreft de ‘zelfbeschikking der naties’ en het voorbeeld van Noorwegens afscheiding van Zweden onderzoeken.

5. De liberale bourgeoisie en de socialistische

Wij hebben gezien dat Rosa Luxemburg het argument, dat erkenning van het recht op zelfbeschikking gelijkstaat aan ondersteuning van het burgerlijke nationalisme van de onderdrukte naties, als een van haar belangrijkste ’troeven’ in de strijd tegen het programma van de Russische marxisten beschouwt. Als men evenwel, zegt Rosa Luxemburg, onder dit recht slechts de strijd tegen alle nationale onderdrukking verstaat, dan is een speciaal punt in het programma niet nodig, omdat de sociaal-democraten toch immers reeds tegen iedere nationale onderdrukking en rechtsongelijkheid zijn.

Het eerste argument wentelt de schuld van het nationalisme, zoals Kautsky bijna twintig jaar geleden onweerlegbaar heeft aangetoond, op een onschuldige af, want in haar angst voor het nationalisme van de bourgeoisie van de onderdrukte naties speelt Rosa Luxemburg in werkelijkheid het nationalisme van de Groot-Russische Zwarte Honderd-lui in de kaart! Het tweede argument is in wezen een angstig ontwijken van de vraag: sluit de erkenning van nationale gelijkgerechtigheid al of niet de erkenning van het recht op afscheiding in? Zo ja, dan erkent Rosa Luxemburg dus de principiële juistheid van paragraaf 9 van ons programma. Zo niet, dan erkent zij niet de nationale gelijkgerechtigheid. Hier helpen geen uitwijkmanoeuvres en een uitvluchten!

Intussen kan men bovengenoemde en al dergelijke argumenten het beste toetsen door het standpunt van de verschillende maatschappelijke klassen te onderzoeken. Hiertoe is een marxist verplicht. Men moet objectief te werk gaan, d.w.z. vanuit de klassenverhoudingen met betrekking tot de kwestie waar het om gaat. Doordat Rosa Luxemburg dit nalaat, vervalt zij juist in dezelfde zonde van metafysisch geredeneer, abstracties, gemeenplaatsen, vaagheden enz., die zij haar tegenstanders tevergeefs in de schoenen tracht te schuiven.

Het gaat hier om het programma van de marxisten van Rusland, d.w.z. van de marxisten van alle in Rusland voorkomende nationaliteiten. Moet men dan niet het standpunt van de heersende klassen van Rusland in aanmerking nemen?

Het standpunt van de ‘bureaucratie’ (gelieve dit onnauwkeurige woord te verontschuldigen) en van de feodale grootgrondbezitters van het slag van de verenigde adel is algemeen bekend: onvoorwaardelijke afwijzing zowel van rechtsgelijkheid der nationaliteiten als van het recht op zelfbeschikking. De oude leuze uit de tijd van de lijfeigenschap luidt: alleenheerschappij, rechtgelovigheid, volk, waarbij met het laatste alleen het Groot-Russische wordt bedoeld. Zelfs de Oekraïeners worden als ‘van vreemde stam’ beschouwd, zelfs hun taal wordt vervolgd!

Laat ons een blik werpen op de bourgeoisie van Rusland, dit tot een weliswaar zeer bescheiden, maar in ieder geval toch tot deelname aan de macht, aan het systeem van wetgeving en bestuur van ‘3 juni,’ ‘geroepen’ is. Dat de oktobristen in deze kwestie in feite achter de rechtsen staan, daaraan behoeven we niet veel woorden te besteden. Jammer genoeg besteden sommige marxisten veel minder aandacht aan het standpunt van de liberale Groot-Russische bourgeoisie, de progressisten en de Kadetten. Degene echter, die dit standpunt niet met aandacht bestudeert, zal zich bij de behandeling van het recht der naties op zelfbeschikking onvermijdelijk aan abstracties en leeg gepraat bezondigen.

Vorig jaar dwong de polemiek van de ‘Pravda’ met de ‘Retsj’ , dit in het diplomatiek ontwijken van een direct antwoord op ‘pijnlijke’ vragen zo bedreven voornaamste orgaan van de Kadettenpartij, nochtans tot het afleggen van enkele waardevolle bekentenissen. De opwinding was ontstaan naar aanleiding van het congres van Oekraïense studenten te Lvov in de zomer van 1913. De professionele ‘Oekraïenist’ of Oekraïense medewerker van de ‘Retsj’, de heer Mogiljanski, publiceerde een artikel waarin hij een vloed van uitgelezen scheldwoorden (‘koortsdromen’, ‘avonturisme’ e.d.) uitstortte over het denkbeeld van afscheiding van de Oekraïne, dat door de nationaal-sociale Dontsov verdedigd en door genoemd congres goedgekeurd was.

Het blad ‘Rabotsjaja Pravda’, dat geenszins partij trok voor de heer Dontsov en zonder omhaal schreef dat hij een sociaal-nationalist was en dat vele Oekraïense marxisten het niet met hem eens waren, verklaarde echter, dat de toon van de ‘Retsj’ of, juister gezegd, het principiële standpunt van de ‘Retsj’ voor een Groot-Russische democraat of iemand die daarvoor wil doorgaan volkomen ongepast en ontoelaatbaar was. Nu mag de ‘Retsj’ heren van het soort Dontsov onmiddellijk weerleggen, maar voor een Groot-Russisch, zogenaamd democratisch blad is het principieel ontoelaatbaar, de vrijheid van afscheiding, het recht op afscheiding buiten beschouwing te laten.

Enige maanden later publiceerde de heer Mogiljanski in nr. 331 van de ‘Retsj’ ’toelichtingen’, nadat hij in het te Lvov verschijnende Oekraïense blad ‘Sljachi’ kennisgenomen had van de tegenwerpingen van de heer Dontsov, die o.a. de opmerking had gemaakt dat ‘alleen de Russische sociaal-democratische pers de chauvinistische uitval van de "Retsj" naar behoren besmeurd (gebrandmerkt?) heeft’. De ’toelichtingen’ van de heer Mogiljanski bestonden slechts uit een tot driemaal toe herhaald: ‘de kritiek op de recepten van de heer Dontsov heeft niets uitstaande met een afwijzen van het recht der naties op zelfbeschikking.’

‘Het moet gezegd worden,’ schreef de heer Mogiljanski, ‘dat ook het "recht der naties op zelfbeschikking" niet de een of andere fetisj’ (sic!) ‘is, waarop geen kritiek mag worden gebracht: ongezonde nationale levensvoorwaarden kunnen ongezonde tendensen op het gebied van de nationale zelfbeschikking teweegbrengen, en daarop wijzen wil nog niet zeggen dat men het recht der naties op zelfbeschikking ontkent.’

Zoals u ziet, was dit gepraat van een liberaal over een ‘fetisj’ geheel in de geest van Rosa Luxemburg. Klaarblijkelijk wilde de heer Mogiljanski een rechtstreeks antwoord ontwijken op de vraag of hij al dan niet het recht erkent op politieke zelfbeschikking, d. w.z. op afscheiding.

En de ‘Proletarskaja Pravda’ (nr. 4 van 11 december 1913) heeft dan ook zowel aan de heer Mogiljanski als aan de partij van de Kadetten deze vraag op de man af gesteld.

Het blad ‘Retsj’ publiceerde daarop (in nr. 340) een niet ondertekende, d.w.z. officiële redactionele verklaring als antwoord op deze vraag. Dit antwoord kan in drie punten worden samengevat:

1) In paragraaf 11 van het programma van de Kadettenpartij wordt rechtstreeks, nauwkeurig en duidelijk van ‘het recht op vrije culturele zelfbeschikking’ der naties gesproken.

2) De ‘Proletarskaja Pravda’ heeft volgens de ‘Retsj’ de begrippen zelfbeschikking en separatisme, de afscheiding van een bepaalde natie ‘op een hopeloze manier verward’.

3) ‘Inderdaad hebben de Kadetten zich nooit opgeworpen als verdedigers van het recht op "afscheiding der naties" van de Russische staat.’ (Zie ook ‘Het nationaal-liberalisme en het recht der naties op zelfbeschikking’ in de ‘Proletarskaja Pravda’ nr. 12 van 20 december 1913.)

Laten we om te beginnen onze aandacht aan het tweede punt van de verklaring van de ‘Retsj’ besteden. Hoe duidelijk toont het de heren Semkovski, Libman, Joerkevitsj en andere opportunisten aan, dat hun geleuter en gepraat over de zogenaamde ‘onduidelijkheid’ of ‘vaagheid’ van het begrip ‘zelfbeschikking’ in werkelijkheid, d.w.z. gezien de objectieve onderlinge klassenverhoudingen en de klassenstrijd in Rusland, slechts het eenvoudig herkauwen van de praatjes der liberaal-monarchistische bourgeoisie is!

Toen de ‘Proletarskaja Pravda’ de geleerde ‘constitutionele democraten’ van de ‘Retsj’ drie vragen stelde – 1. Ontkennen zij dat gedurende de hele geschiedenis van de internationale democratie, en vooral sinds het midden van de 19e eeuw, onder zelfbeschikking der naties juist politieke zelfbeschikking, het recht op het vormen van een zelfstandige nationale staat wordt verstaan? 2. Ontkennen zij dat het bekende besluit van het Internationale Socialistische Congres te Londen van 1896 ook hierop neerkomt? 3. Ontkennen zij dat Plechanov, die reeds in 1902 over zelfbeschikking schreef, daarmee juist de politieke zelfbeschikking bedoelde? – toen de ‘Proletarskaja Pravda’ deze drie vragen stelde, deden de heren Kadetten er het zwijgen toe!!

Zij antwoordden met geen woord, omdat zij niets wisten te antwoorden. Zwijgend moesten zij toegeven dat de ‘Proletarskaja Pravda’ ontegenzeglijk gelijk had.

Het geleuter van de liberalen over de onduidelijkheid van het begrip ‘zelfbeschikking’ en over het feit dat de sociaal-democraten dit ‘op een hopeloze manier’ met separatisme ‘verwarren’, is niets anders dan een poging om het vraagstuk onduidelijk te maken en zich te onttrekken aan de erkenning van een algemeen door de democratie gesteld beginsel. lndien de heren Semkovski, Libman en Joerkevitsj niet zulke onwetende lieden waren, zouden zij er zich zeker voor schamen in zulk een liberale geest voor de arbeiders te spreken.

Maar laat ons verder gaan. De ‘Proletarskaja Pravda’ heeft de ‘Retsj’ gedwongen toe te geven dat de woorden over ‘culturele’ zelfbeschikking in het programma van de Kadetten juist de betekenis van een ontkenning van politieke zelfbeschikking inhouden.

‘Inderdaad hebben de Kadetten zich nooit opgeworpen als verdedigers van het recht op "afscheiding der naties" van de Russische staat’, schreef de ‘Retsj’, en de ‘Proletarskaja Pravda’ heeft deze woorden niet voor niets aan de ‘Novoje Vremja’ en de ‘Zemsjtsjina’ aanbevolen als een voorbeeld bij uitnemendheid van de ‘loyaliteit’ van onze Kadetten. De ‘Novoje Vremja’, die zich natuurlijk de gelegenheid niet liet ontgaan iets van de ‘joden’ te zeggen en allerlei hatelijkheden aan het adres van de Kadetten te richten, verklaarde echter in nr. 13563:

‘Wat voor de sociaal-democraten als een axioma van politieke wijsheid geldt’ (d.w.z. de erkenning van het recht der naties op zelfbeschikking, op afscheiding) ‘begint tegenwoordig zelfs bij de Kadetten tot meningsverschillen aanleiding te geven’.

Door te verklaren dat zij zich ‘nooit hebben opgeworpen’ als verdedigers van het recht op afscheiding der naties van de Russische staat’, hebben de Kadetten zich in beginsel geheel en al op het standpunt van de ‘Novoje Vremja’ gesteld. Hierop berust o.a. ook het nationaal-liberalisme van de Kadetten, hun verwantschap met Poerisjkevitsj c.s., hun ideologisch-politieke en praktisch-politieke afhankelijkheid van dezen. ‘De heren Kadetten hebben geschiedenis gestudeerd,’ schreef de ‘Proletarskaja Pravda’, ‘en zij weten heel goed tot welke, op zijn zachtst uitgedrukt, "pogromachtige" acties dit traditionele recht van de heren Poerisjkevitsj c.s. van ‘bij de kraag grijpen en niets toelaten" in de praktijk vaak geleid heeft’. ‘Hoewel de Kadetten de feodale oorsprong en het karakter van de almacht van het slag Poerisjkevitsj zeer goed kennen, stellen zij zich desondanks geheel en al op het standpunt van de juist door deze klasse geschapen verhoudingen en de door haar getrokken grenzen. Hoewel zij er zeer goed van op de hoogte zijn hoe on-Europees, anti-Europees (Aziatisch zouden we zeggen, indien dit geen onverdiende minachting voor de Japanners en Chinezen inhield) de door deze klasse geschapen verhoudingen of vastgelegde grenzen zijn, erkennen de heren Kadetten deze toch als grenzen, waarbuiten men zich beslist niet begeven mag.

En dit betekent nu juist aanpassing en kruiperigheid ten aanzien van het slag Poerisjkevitsj; angst hun positie in gevaar te brengen, verdediging van het slag Poerisjkevitsj tegen de beweging van het volk, tegen de democratie. ‘In feite betekent dit aanpassing aan de feodale belangen en aan de ergste nationalistische vooroordelen van de heersende natie, in plaats van stelselmatige strijd tegen deze vooroordelen,’ schreef de ‘Proletarskaja Pravda’.

Als mensen die iets van geschiedenis afweten en zeggen dat zij democraten zijn, doen de Kadetten zelfs geen poging te verklaren dat de democratische beweging, die tegenwoordig zowel voor Oost-Europa als voor Azië kenmerkend is en die deze gebieden naar het voorbeeld van de beschaafde kapitalistische landen wil hervormen, in ieder geval niets mag veranderen aan de grenzen die in het feodale tijdperk tot stand zijn gekomen, het tijdperk van de almacht van het slag Poerisjkevitsj en van de rechteloosheid van brede lagen van de bourgeoisie en de kleine burgerij.

Dat de kwestie, die door de polemiek tussen de ‘Proletarskaja Pravda’ en de ‘Retsj’ ontstaan was geenszins alleen maar een literaire kwestie, maar een werkelijk actueel politiek vraagstuk was, bewees onder meer de jongste partijconferentie van de Kadetten de dato 23-25 maart 1914. In het officiële verslag van de ‘Retsj’ (or. 83 van 26 maart 1914) lezen wij over deze conferentie:

‘Ook de nationale vraagstukken werden bijzonder levendig besproken. De afgevaardigden uit Kiev, bij wie zich N. V. Nekrasov en A. M. Koljoebakin hadden aangesloten, wezen erop dat het nationale vraagstuk bezig is tot een belangrijke factor uit te groeien ‘die men met meer beslistheid tegemoet dient te treden dan tot dusver. F. F. Kokosjkin wees er echter op’ (dit ‘echter’ komt overeen met het ‘maar’ van Sjtsjedrin – ‘de oren groeien niet boven het voorhoofd uit, neen zeker niet’), ‘dat zowel het programma als de tot nog toe opgedane politieke ervaring tot een bijzonder voorzichtig omgaan met de "rekbare formules" van de "politieke zelfbeschikking der nationaliteiten" noodzaken.’

Deze in hoge mate belangwekkende beschouwingen tijdens de Kadettenconferentie verdienen de grootste aandacht van alle marxisten en alle democraten. (Tussen haakjes zij opgemerkt dat de ‘Kievskaja Mys1’ die kennelijk zeer goed geïnformeerd is en de gedachten van de heer Kokosjkin ongetwijfeld juist weergeeft, eraan toevoegde dat hij, natuurlijk als waarschuwing aan zijn opponenten, speciaal wees op het gevaar van het ‘uiteenvallen’ van de staat.)

Het officiële verslag van de ‘Retsj’ is virtuoos diplomatiek opgesteld om zo min mogelijk uit de doeken te doen en zoveel mogelijk te verbergen. Maar toch is in algemene trekken wel duidelijk wat zich op de Kadettenconferentie heeft afgespeeld. De afgevaardigden, liberale bourgeois die met de stand van zaken in de Oekraïne op de hoogte zijn en ‘linkse’ Kadetten, stelden de kwestie juist van de politieke zelfbeschikking der naties. Anders had de heer Kokosjkin beslist geen aanleiding gehad om tot een ‘voorzichtig omgaan’ met deze ‘formule’ te manen.

In het programma van de Kadetten, dat de afgevaardigden van de Kadettenconferentie vanzelfsprekend bekend was, is namelijk niet van politieke, maar van ‘culturele’ zelfbeschikking sprake. De heer Kokosjkin verdedigde het programma dus tegen de afgevaardigden uit de Oekraïne, tegen de linkse Kadetten; hij verdedigde de ‘culturele’ zelfbeschikking tegen de ‘politieke’. Het is volkomen duidelijk dat de heer Kokosjkin met zijn optreden tegen ‘politieke’ zelfbeschikking, waarbij hij in dreigende kleuren het gevaar van het ‘uiteenvallen van de staat’ afschilderde en de formule van ‘politieke zelfbeschikking’ (geheel in de geest van Rosa Luxemburg!) als ‘rekbaar’ kenschetste, het Groot-Russische nationaal-liberalisme verdedigde tegen de ‘meer linkse’ of meer democratische elementen in de Kadettenpartij en tegen de Oekraïense bourgeoisie.

Zoals uit het verraderlijke woordje ‘echter’ in het verslag van de ‘Retsj’ blijkt, heeft de heer Kokosjkin op de Kadetten-conferentie gezegevierd. Het Groot-Russische nationaal-liberalisme heeft onder de Kadetten getriomfeerd. Zal deze overwinning er niet toe bijdragen het inzicht bij enkele onverstandigen onder de Russische marxisten te verhelderen die in navolging van de Kadetten eveneens vrees begonnen te koesteren voor de ‘rekbare formule van de politieke zelfbeschikking der nationaliteiten’?

Laten wij ‘echter’ de gedachtegang van de heer Kokosjkin op zijn werkelijke betekenis nagaan. Door zich op de ’tot nog toe opgedane politieke ervaring’ te beroepen (klaarblijkelijk op de ervaring van het jaar 1905, toen de Groot-Russische bourgeoisie in angst zat over haar nationale privileges en de Kadettenpartij met deze angst eveneens angst aanjoeg) en door op het gevaar van het ‘uiteenvallen van de staat’ te wijzen, toonde de heer Kokosjkin uitstekend te begrijpen dat politieke zelfbeschikking niets anders kan betekenen dan het recht op afscheiding en vorming van een zelfstandige nationale staat. Het is nu de vraag hoe men deze vrees van de heer Kokosjkin moet beschouwen vanuit het standpunt van de democratie in het algemeen en vanuit dat van de proletarische klassenstrijd in het bijzonder?

De heer Kokosjkin wil ons doen geloven dat erkenning van het recht op afscheiding het gevaar van het ‘uiteenvallen van de staat’ vergroot. Dit is het standpunt van de politieagent Mymretsov met zijn devies: ‘bij de kraag grijpen en niets toelaten’. Vanuit het standpunt van de democratie, in het algemeen bezien, is het juist omgekeerd: de erkenning van het recht van afscheiding vermindert het gevaar van het ‘uiteenvallen van de staat’.

Het oordeel van de heer Kokosjkin is volledig in overeenstemming met de geest van de nationalisten, die op hun jongste congres tegen de ‘Mazepa’-Oekraïeners te keer gingen. De Oekraïense beweging, schreeuwden de heer Savenko en zijn medestanders, dreigt de verbondenheid van de Oekraïne met Rusland te verzwakken, omdat Oostenrijk door zijn tegemoetkomende politiek ten opzichte van de Oekraïne de Oekraïeners steeds sterker aan zich bindt!! Het blijft onbegrijpelijk, waarom dan Rusland niet kan proberen de verbondenheid van de Oekraïeners met Rusland met behulp van dezelfde methode te ‘versterken’, die de heer Savenko c.s. Oostenrijk verwijten, nl. door de Oekraïeners het vrijelijk gebruiken van hun moedertaal, zelfbestuur, een autonoom parlement enz. toe te staan?

De beschouwingen van de heren Savenko c.s. en Kokosjkin c.s. zijn volkomen gelijksoortig en gelijkelijk belachelijk en dwaas van de zuiver logische kant bezien. Is het niet duidelijk dat de Oekraïense nationaliteit des te hechter met een bepaald land verbonden zal zijn, naarmate deze nationaliteit een grotere vrijheid in dat land geniet? Het lijkt ons dat deze voor de hand liggende waarheid niet valt te ontkennen zonder volledig met alle premissen van de democratie te breken. Kan er echter voor een nationaliteit als zodanig een grotere vrijheid bestaan dan de vrijheid van afscheiding, dan de vrijheid een zelfstandige nationale staat te vormen?

Ten einde deze door de liberalen (en hen die hen domweg napraten) verwarde kwestie nog duidelijker te maken zullen wij een al heel eenvoudig voorbeeld aanhalen, n1. de kwestie van de echtscheiding. Rosa Luxemburg schrijft in haar artikel dat in een centraal geregeerde democratische staat – ook al staat de autonomie van de afzonderlijke gebieden onomstotelijk vast – de belangrijkste takken van wetgeving, met inbegrip van die inzake echtscheiding, onder de uitsluitende competentie van het centrale parlement behoren te vallen. Deze bezorgdheid om de vrijheid van echtscheiding door het centrale bewind van de democratische staat te waarborgen is volkomen begrijpelijk. De reactionairen zijn tegen vrijheid van echtscheiding, zij eisen dat men daar ‘voorzichtig mee zal omgaan’ en schreeuwen dat deze vrijheid ‘het uiteenvallen van het gezin’ betekent. De democraten zijn echter van mening, dat de reactionairen schijnheilig doen en in werkelijkheid pleiten voor de almacht van de politie en de bureaucratie, voor de privileges van een der geslachten en voor de ergste onderdrukking van de vrouw; zij zijn van mening dat vrijheid van echtscheiding in werkelijkheid de gezinsbanden niet ‘losser maakt’, maar deze integendeel versterkt op de in een beschaafde samenleving enig mogelijke en duurzame democratische grondslag.

De voorstanders van vrijheid van zelfbeschikking, d.w.z. van vrijheid van afscheiding, te beschuldigen van het bevorderen van separatisme is net zo dom en schijnheilig als de voorstanders van vrijheid van echtscheiding ervan te beschuldigen, dat zij daardoor de gezinsbanden helpen verwoesten. Op dezelfde wijze als in de burgerlijke maatschappij de verdedigers van de privileges en van de koopbaarheid, waarop het burgerlijke huwelijk berust, tegen de vrijheid van echtscheiding optreden, betekent in de kapitalistische staat het van de hand wijzen van de vrijheid van zelfbeschikking, d.w.z. van de afscheiding van de naties, slechts het verdedigen van de privileges van de heersende natie en van de politiemethoden in het bestuur ten nadele van de democratische methoden.

Ongetwijfeld is het door het geheel der kapitalistische maatschappelijke verhoudingen teweeggebrachte politieke geknoei somtijds oorzaak van een uiterst lichtzinnig en zelfs ronduit dwaas geklets van parlementsleden en publicisten over de afscheiding van deze of gene natie. Maar alleen reactionairen kunnen zich door een dergelijk geklets laten bang maken (of doen alsof). Wie voor democratie, d.w.z. voor het beslissen van staatsaangelegenheden door de massa der bevolking is, weet zeer goed dat er tussen het geklets van politicasters en het nemen van besluiten door de massa’s een hemelsbreed verschil is. De volksmassa’s kennen dankzij hun dagelijkse ervaringen zeer goed de betekenis van aardrijkskundige en economische betrekkingen, de voordelen van een uitgebreide markt en van een grote staat. Voor afscheiding zullen zij dan ook slechts te vinden zijn, wanneer nationale onderdrukking en nationale wrijvingen een samenleven volkomen ondraaglijk maken en iedere ontwikkeling der economische betrekkingen verstoren. In zo’n geval zijn het juist degenen die zich willen afscheiden die de belangen van de kapitalistische ontwikkeling en de vrijheid van klassenstrijd verdedigen.

Van welke kant men de beschouwingen van de heer Kokosjkin ook aanpakt, ze blijken steeds het toppunt van dwaasheid en een bespotting van de beginselen der democratie te zijn. Toch zit er in deze beschouwingen een zekere logica, en wel de logica van de klassenbelangen van de Groot-Russische bourgeoisie. Evenals de meerderheid van de Kadettenpartij dient de heer Kokosjkin als lakei de geldzakken van deze bourgeoisie. Hij verdedigt haar privileges in het algemeen, haar staatkundige privileges in het bijzonder; hij verdedigt ze te samen met Poerisjkevitsj, in een gelid met hem – hoewel Poerisjkevitsj meer vertrouwen heeft in de knoet van de lijfeigenschap. Kokosjkin c.s. daarentegen beseffen, dat deze knoet in 1905 een geduchte knauw heeft gekregen, en geven er de voorkeur aan het volk volgens de methoden der bourgeois te bedriegen, bv. door de kleinburgers en de boeren angst aan te jagen met het spook van het ‘uiteenvallen van de staat’ of door ze om de tuin te leiden met frasen over het samengaan van ‘volksvrijheid’ met de historische tradities enz.

De vijandschap van de liberalen tegen het principe van politieke zelfbeschikking der naties heeft slechts een enkele reële klassenbetekenis: nationaal-liberalisme, verdediging van de staatkundige privileges van de Groot-Russische bourgeoisie. En de opportunisten onder de Russische marxisten, die juist nu, in de periode van het systeem van de 3e juni, van leer zijn gaan trekken tegen het recht der naties op zelfbeschikking – zoals die liquidator Semkovski, de boendist Libman, de Oekraïense kleinburger Joerkevitsj en hoe ze verder heten mogen-, sukkelen in werkelijkheid eenvoudig achter het nationaal-liberalisme aan en trachten de arbeidersklasse met nationaal-liberale ideeën te demoraliseren.

Het belang van de arbeidersklasse en van haar strijd tegen het kapitalisme vereist de volledige solidariteit en de onverbrekelijke eenheid van de arbeiders van alle naties, vereist verzet tegen de nationalistische politiek van de bourgeoisie, van welke nationaliteit ook. Het zou derhalve een uit de weg gaan voor de taken van de proletarische politiek en het afhankelijk maken van de arbeiders van de politiek der bourgeoisie betekenen, niet alleen indien de sociaal-democraten het recht op zelfbeschikking, d.w.z. het recht op afscheiding der onderdrukte naties zouden ontkennen, maar ook wanneer zij ertoe zouden overgaan alle nationale eisen van de bourgeoisie van de onderdrukte naties te steunen. Het is de loonarbeider volkomen onverschillig of hij in hoofdzaak wordt uitgebuit door de Groot-Russische bourgeoisie, dan wel door de in haar schaduw staande bourgeoisie ‘van vreemde stam’, of dat dit gebeurt door de Poolse bourgeoisie dan wel door de in haar schaduw staande joodse bourgeoisie enz. De loonarbeider, die zich bewust is geworden van zijn klassenbelangen, laten de staatkundige privileges van de Groot-Russische kapitalisten even onverschillig als de beloften van de Poolse of Oekraïense kapitalisten die verzekeren dat de aarde een paradijs zal zijn zodra zij over staatkundige privileges beschikken. Het kapitalisme ontwikkelt zich en zal zich, hoe dan ook, verder blijven ontwikkelen, zowel in een bonte nationaliteitenstaat als in afzonderlijke nationale staten.

In elk geval blijft de loonarbeider een voorwerp van uitbuiting, en een vruchtbare strijd daartegen vereist dat het proletariaat onafhankelijk staat ten opzichte van het nationalisme, dat de proletariërs om zo te zeggen volstrekt neutraal blijven in de strijd van de bourgeoisie der verschillende naties om de hegemonie. Zelfs de geringste steun van het proletariaat van een of andere natie aan de privileges van de ‘eigen nationale bourgeoisie zal onvermijdelijk argwaan wekken bij het proletariaat van de andere natie, zal de internationale klassensolidariteit der arbeiders verzwakken en zal – tot vreugde der bourgeoisie – verdeeldheid onder hen zaaien. Ontkenning van het recht op zelfbeschikking of op afscheiding staat in de praktijk noodzakelijkerwijze gelijk aan ondersteuning van de privileges van de heersende natie.

Wij kunnen ons hiervan op nog overtuigender wijze vergewissen aan de hand van het voorbeeld van Noorwegens afscheiding van Zweden.

6. Noorwegens afscheiding van Zweden

Rosa Luxemburg koos juist dit voorbeeld en knoopte er de volgende beschouwingen aan vast:

‘Het jongste evenement in de geschiedenis der federatieve betrekkingen. Noorwegens afscheiding van Zweden, die indertijd door de sociaal-patriottische Poolse pers (zie de Krakause ‘Naprzod’) ijlings als een verheugende uiting van een krachtig en progressief streven naar staatkundige afscheiding werd gepresenteerd, sloeg al spoedig om in het overtuigende bewijs, dat federalisme en een daaruit voortvloeiende staatkundige afscheiding allerminst een uitdrukking van vooruitstrevendheid of democratie zijn. Na de zg. Noorse "revolutie", die bestond uit het afzetten en uitwijzen uit Noorwegen van de Zweedse koning, kozen de Noren in alle gemoedsrust een andere koning, nadat zij een voorstel tot stichting van een republiek bij volksstemming formeel van de hand hadden gewezen. Wat oppervlakkige aanbidders van elk soort nationale beweging en van iedere schijn van onafhankelijkheid een "revolutie" noemden, was eenvoudig een uiting van plattelands en kleinburgerlijk particularisme, van de wens een "eigen" koning voor zijn geld te hebben in plaats van een die door de Zweedse aristocratie was opgedrongen, een beweging dus die met revolutionaire geest beslist niets gemeen had. Tegelijkertijd heeft de geschiedenis van het uiteenvallen van de Zweeds-Noorse unie opnieuw bewezen, in hoeverre ook in dit geval de tot dan toe bestaande federatie slechts de uitdrukking was van zuiver dynastieke belangen en daardoor een vorm van monarchisme en reactie.’ (‘Przeglad’).

Dit is letterlijk alles wat Rosa Luxemburg over deze kwestie zegt!! Toegegeven, het is moeilijk de hulpeloosheid van het eigenstandpunt plastischer uit te drukken dan Rosa Luxemburg het met dit voorbeeld deed.

De kwestie waar het om ging was en is ook nu of de sociaal-democraten in een nationaal-heterogene staat een programma nodig hebben, waarin het recht op zelfbeschikking of op afscheiding wordt erkend.

Wat zegt het door Rosa Luxemburg zelf gekozen voorbeeld van Noorwegen nu ten aanzien van deze kwestie?

De schrijfster wringt zich in allerlei bochten, trekt op soms geestige wijze tegen de ‘Naprzod’ van leer, maar geeft geen antwoord op de vraag!! Rosa Luxemburg praat over alles en nog wat, maar zegt geen woord over de kern van de zaak!!

Ongetwijfeld hebben de Noorse kleinburgers, toen zij voor hun geld een eigen koning wilden hebben en bij het referendum tegen de oprichting van een republiek stemden, zeer kwalijke filistereigenschappen ten toon gespreid. Ongetwijfeld heeft de ‘Naprzod’ toen zij dit over het hoofd zag van even kwalijke en even filisterachige hoedanigheden blijk gegeven. Maar wat dan nog?

Het ging immers om het recht der naties op zelfbeschikking en om de houding van het socialistische proletariaat tegenover dit recht! Waarom antwoordt Rosa Luxemburg niet op deze vraag, waarom draait zij als een kat om de hete brij?

Men zegt, dat er voor een muis geen sterker roofdier bestaat dan de kat. Voor Rosa Luxemburg bestaat er kennelijk geen sterker roofdier dan de ‘frak’. Zo heet in de volksmond de ‘Poolse Socialistische Partij’, de zg. revolutionaire fractie, en het Krakause blaadje ‘Naprzod’ is het met de ideeën van deze ‘fractie’ eens. De strijd, die onze schrijfster tegen het nationalisme van deze fractie voert, heeft haar zo verblind dat zij alles uit het oog verliest en alleen maar de ‘Naprzod’ ziet. Zegt de ‘Naprzod’ ‘ja’, dan acht Rosa Luxemburg het haar heilige plicht onmiddellijk ‘neen’ te roepen, zonder er ook maar aan te denken dat zij daardoor niet haar onafhankelijkheid van de ‘Naprzod’ bewijst maar juist het tegendeel, haar vermakelijke afhankelijkheid van de ‘fracy’, alsmede haar onvermogen de dingen van een wat ruimer en diepgaander standpunt te bekijken dan dat van de Krakause molshoop. Zeker, de ‘Naprzod’ is een slecht en allerminst marxistisch blaadje, maar dat mag ons er toch niet van weerhouden het voorbeeld van Noorwegen, nu wij het eenmaal zelf gekozen hebben grondig te analyseren. Om dit op marxistische wijze te doen moeten wij ons niet met de slechte eigenschappen van de verschrikkelijke ‘fracy’ bezighouden, maar 1) met de concrete historische bijzonderheden van Noorwegens afscheiding van Zweden en 2) met de taken, waarvoor het proletariaat van beide landen zich bij de afscheiding gesteld zag.

Noorwegen is met Zweden door aardrijkskundige, economische en taalkundige banden verbonden, die niet minder hecht zijn dan die tussen vele niet-Russische, Slavische naties en de Groot-Russen. Maar de unie van Noorwegen met Zweden was niet vrijwillig, zodat Rosa Luxemburg geheel ten onrechte van een ‘federatie’ spreekt, eenvoudig omdat zij niet weet wat zij zeggen moet. Ten tijde van de napoleontische oorlogen werd Noorwegen door de monarchen aan Zweden uitgeleverd tegen de wil van de Noren, en de Zweden moesten troepen naar Noorwegen sturen om het te onderwerpen.

Daarna waren er tientallen jaren lang, ondanks de verstrekkende autonomie waarover Noorwegen beschikte (een eigen parlement enz.), voortdurend wrijvingen tussen Noorwegen en Zweden en poogden de Noren uit alle macht het juk van de Zweedse aristocratie af te werpen. In augustus 1905 slaagde zij daar tenslotte in: het Noorse parlement besloot de Zweedse koning niet langer als koning van Noorwegen te erkennen, en het referendum dat daarop onder de Noorse bevolking gehouden werd leverde een overweldigende meerderheid van stemmen (ongeveer 200.000 tegen enige honderden) op voor de volledige afscheiding van Zweden. Na enig weifelen legden de Zweden zich bij het feit van de afscheiding neer.

Dit voorbeeld laat ons zien op welke basis er onder de huidige economische en politieke verhoudingen gevallen van nationale afscheiding kunnen voorkomen en welke vorm zulk een afscheiding onder verhoudingen van politieke vrijheid en democratie somtijds aanneemt.

Geen enkele sociaal-democraat zal ontkennen, tenzij hij wil beweren geen enkele belangstelling te hebben voor kwesties van politieke vrijheid en democratie (in welk geval hij vanzelfsprekend niet langer sociaal-democraat zou zijn), dat dit voorbeeld in feite bewijst dat de klassenbewuste arbeiders verplicht zijn door het stelselmatig voeren van propaganda en het treffen van voorbereidingen eventuele conflicten over nationale afscheiding uitsluitend op zulk een wijze te doen oplossen als dit in 1905 tussen Noorwegen en Zweden geschiedde, niet echter ‘op z’n Russisch’. Juist dit wordt dan ook in de programma-eis van erkenning van het recht der naties op zelfbeschikking tot uitdrukking gebracht. Maar Rosa Luxemburg zag zich gedwongen wegens dit voor haar theorie onaangename feit haar toevlucht te nemen tot grimmige aanvallen op het filisterdom van de Noorse kleinburgers en op de Krakause ‘Naprzod’, want zij begreep heel goed hoezeer dit historische feit volkomen haar lege gepraat weerlegt, dat het zelfbeschikkingsrecht der naties een ‘utopie’ is, net zoiets als het recht ‘van gouden schalen te eten’ en dergelijke. Zulk gepraat geeft slechts uitdrukking aan een kleingeestig-zelfgenoegzaam opportunistisch geloof in de onveranderlijkheid van de krachtsverhouding tussen de nationaliteiten van Oost-Europa.

Laat ons verder gaan. Ten aanzien van de zelfbeschikking der naties, alsook van iedere andere kwestie, interesseert ons in de eerste plaats en hoofdzakelijk de zelfbeschikking van het proletariaat binnen de naties. Rosa Luxemburg heeft ook deze kwestie schroomvallig omzeild, daar zij wel voelde hoe pijnlijk het voor haar ’theorie’ zou zijn, indien deze kwestie aan het door haar gekozen voorbeeld van Noorwegen zou worden getoetst.

Welk standpunt heeft het Noorse en het Zweedse proletariaat in het conflict over de afscheiding ingenomen en welk standpunt had dit moeten zijn? De klassenbewuste Noorse arbeiders moesten natuurlijk na de afscheiding voor de republiek stemmen, en indien er socialisten waren die anders stemden, bewijst dit alleen maar hoezeer het Europees socialisme somtijds met stompzinnig, kleinburgerlijk opportunisme behept is. Daarover kan men niet van mening verschillen en wij roeren dit punt slechts aan omdat Rosa Luxemburg met gepraat over dingen die met de zaak niets te maken hebben de kern van de zaak tracht te verdoezelen. Wij weten niet of het Noorse socialistische programma de Noorse sociaal-democraten met betrekking tot het vraagstuk van de afscheiding verplichtte, zich aan een bepaalde mening te houden. Laten wij aannemen dat dit niet zo was, dat de Noorse socialisten de vraag onbeantwoord hadden gelaten in hoeverre de autonomie van Noorwegen voldoende vrijheid voor de klassenstrijd bood en in welke mate de eeuwige wrijvingen en conflicten met de Zweedse aristocratie afbreuk deden aan de vrijheid van het economische leven. Maar het staat onbetwistbaar vast dat het Noorse proletariaat partij moest kiezen tegen deze aristocratie en voor de Noorse boerendemocratie (hoe kleinburgerlijk deze laatste ook moge zijn).

En het Zweedse proletariaat? Zoals bekend propageerden de Zweedse landheren, daarbij gesteund door de Zweedse geestelijkheid, de oorlog tegen Noorwegen; en daar Noorwegen veel zwakker is dan Zweden en al eens een Zweedse invasie had moeten doorstaan, terwijl bovendien de Zweedse aristocratie binnenslands groot gezag heeft, betekende deze propaganda een zeer ernstige bedreiging. Men kan er vast van op aan, dat de Zweedse Kokosjkins de Zweedse massa’s langdurig en ijverig in demoraliserende zin hebben bewerkt door tot ‘voorzichtig omgaan’ met de ‘rekbare formules van de politieke zelfbeschikking der naties’ te manen, door met het ‘uiteenvallen van de staat’ te dreigen en door te beweren dat ‘volksvrijheid’ te verenigen is met de tradities van de Zweedse aristocratie. Er bestaat niet de minste twijfel aan dat de Zweedse sociaal-democratie verraad zou hebben gepleegd aan de zaak van het socialisme en van de democratie, indien ze niet met alle kracht had gestreden tegen de ideologie en de politiek van de landheren en de ‘Kokosjkins’ en indien ze behalve voor rechtsgelijkheid der naties in het algemeen (die ook door Kokosjkin C.s. erkend wordt) niet ook opgekomen was voor het recht der naties op zelfbeschikking en voor de vrijheid van N oorwegen zich af te scheiden.

Door deze erkenning van de kant der Zweedse arbeiders van het recht der Noren op afscheiding heeft het nauwe bondgenootschap van de Noorse en Zweedse arbeiders, hun hechte broederlijke klassensolidariteit alleen maar gewonnen. Want de Noorse arbeiders hebben zich ervan kunnen overtuigen dat de Zweedse arbeiders niet besmet zijn met Zweeds nationalisme en dat zij het broederlijke verbond met de Noorse proletariërs hoger stellen dan de privileges van de Zweedse bourgeoisie en aristocratie. Het verbreken van de door de Europese monarchen en Zweedse aristocraten aan Noorwegen opgedrongen banden heeft de banden tussen de Noorse en Zweedse arbeiders slechts hechter gemaakt. De Zweedse arbeiders hebben bewezen dat zij onder alle wisselvalligheden van de burgerlijke politiek – de burgerlijke verhoudingen maken een nieuwe gewelddadige onderdrukking van de Noren door de Zweden zeer wel mogelijk! – de volledig gelijke rechten en de klassensolidariteit van de arbeiders van beide naties in de strijd zowel tegen de Zweedse als de Noorse bourgeoisie zullen weten te handhaven en te verdedigen.

Hieruit blijkt overigens hoe ongefundeerd, ja gewoonweg van alle ernst gespeend de somtijds door de ‘fracy’ ondernomen pogingen zijn om de meningsverschillen tussen ons en Rosa Luxemburg uit te buiten tegen de Poolse sociaal-democratie. De ‘fracy’ zijn geen proletarische, geen socialistische, maar een kleinburgerlijke nationalistische partij, een soort Poolse sociaal-revolutionairen. Van eenheid tussen de Russische sociaal-democraten en deze partij is nooit sprake geweest en dat kon ook niet. Daar staat tegenover dat geen enkele Russische sociaal-democraat ooit ‘spijt’ heeft gehad van de toenadering tot de Pooise sociaal-democraten en de eenheid met dezen. De Poolse sociaal-democratie komt de geweldige historische verdienste toe, in het door en door van nationalistische strevingen en hartstochten vervulde Polen voor het eerst een werkelijk marxistische, werkelijk proletarische partij tot stand te hebben gebracht. Dat deze verdienste van de Poolse sociaal-democraten zo groot is, is niet te wijten aan de omstandigheid dat Rosa Luxemburg tegen paragraaf 9 van het programma der Russische marxisten onzin te berde heeft gebracht, maar in weerwil van deze betreurenswaardige omstandigheid.

Voor de Poolse sociaal-democraten heeft het ‘recht op zelfbeschikking’ natuurlijk niet zulk een grote betekenis als voor de Russische. Het is volkomen begrijpelijk dat de strijd tegen de door nationalisme verblinde Poolse kleinburgerij de Poolse sociaal-democraten heeft gedwongen, met bijzondere (misschien af en toe met wat te veel) ijver de "boog te sterk te spannen". Bij geen enkele Russische marxist is het ooit opgekomen de Poolse sociaal-democraten kwalijk te nemen dat zij tegen de afscheiding van Polen zijn. Wel begaan deze sociaal-democraten een fout als zij – zoals Rosa Luxemburg – trachten te betwisten dat het programma van de marxisten van Rusland het recht op zelfbeschikking behoort te bevatten.

Dit komt er namelijk op neer dat men een onder Krakause verhoudingen begrijpelijk standpunt zonder meer ook inneemt ten aanzien van alle andere volkeren en naties van Rusland, de Groot-Russen daarbij inbegrepen. Dit betekent dat men een ‘averechtse Poolse nationalist’ is, maar geen sociaal-democraat die een voor geheel Rusland geldend internationaal standpunt inneemt.

Want de internationale sociaal-democratie staat juist op het standpunt van de erkenning van het recht der naties op zelfbeschikking. Daar zullen wij het nu over hebben.

7. De resolutie van het Londense Internationale Congres van 1896

Deze resolutie luidt:

‘Het congres verklaart dat het voor het volledige richt op zelfbeschikking van alle naties opkomt en met de arbeiders van elk land sympathiseert, dat heden ten dage onder het juk van militair, nationaal of ander despotisme gebukt gaat; het roept de arbeiders van al deze landen op, zich in de rijen van de klassenbewuste arbeiders der gehele wereld te scharen, om samen met hen te strijden voor de overwinning op het internationale kapitalisme en voor het bereiken van de doelstellingen der internationale sociaal-democratie.’

Wij wezen er reeds op dat onze opportunisten, de heren Semkovski, Libman en Joerkevitsj, deze resolutie eenvoudig niet kennen. Maar Rosa Luxemburg kent haar wel en citeert de volledige tekst, waarin dezelfde uitdrukking gebruikt wordt als in ons programma: ‘zelfbeschikking’.

Nu zal men zich afvragen: hoe ontdoet Rosa Luxemburg zich van deze hindernis, die immers haar ‘originele’ theorie in de weg staat?

Wel, heel eenvoudig het zwaartepunt ligt hier in het tweede deel van de resolutie… in het declaratoire karakter ervan… slechts door een misverstand kan men zich er op beroepen!!

De onbeholpenheid en verwarring van onze schrijfster zijn eenvoudig verbazingwekkend. Gewoonlijk beroepen alleen opportunisten, die zich lafhartig aan een directe polemiek willen onttrekken, zich op het declaratoire karakter van consequent-democratische en socialistische programmapunten. Rosa Luxemburg bevindt zich ditmaal kennelijk niet voor niets in het droeve gezelschap van de heren Semkovski, Libman en Joerkevitsj. Zij kan niet besluiten ronduit te verklaren of zij de aangehaalde resolutie juist acht of niet. Zij draait er omheen en speelt verstoppertje, als hield zij de lezer voor zo onopmerkzaam en onwetend, dat hij het eerste gedeelte van de resolutie vergeet zodra hij aan het tweede toe is of nooit heeft gehoord van de debatten in de socialistische pers voor het congres in Londen.

Rosa Luxemburg vergist zich echter ten zeerste indien zij meent dat het haar ten aanschouwen van de klassenbewuste arbeiders van Rusland zo gemakkelijk zal lukken, een resolutie van de Internationale over een belangrijk principieel probleem met voeten te treden, zonder zich ook maar te verwaardigen deze kritisch te analyseren.

Tijdens de debatten die aan het Londense congres voorafgingen werd – voornamelijk in het tijdschrift van de Duitse marxisten ‘Die Neue Zeit’ – Rosa Luxemburgs standpunt uiteengezet, en dit standpunt heeft in wezen in de Internationale de nederlaag geleden! Hier gaat het in hoofdzaak om en dat moet in het bijzonder de Russische lezer in het oog houden.

De aanleiding tot de debatten werd gevormd door de kwestie van de onafhankelijkheid van Polen. Drie standpunten kwamen tot uiting:

1. Het standpunt van de ‘fracy’, voor wie Haecker optrad. Zij wilden dat de Internationale in haar programma de onafhankelijkheid van Polen zou erkennen. Dit voorstel werd niet aangenomen. Dit standpunt leed in de Internationale een nederlaag.

2. Het standpunt van Rosa Luxemburg: de Poolse socialisten moesten de onafhankelijkheid van Polen niet eisen. Gezien dit standpunt kon van het verkondigen van het recht der naties op zelfbeschikking zelfs geen sprake zijn. Ook dit standpunt leed in de Internationale de nederlaag.

3. Het standpunt, dat toentertijd het grondigst door Karl Kautsky werd ontwikkeld, die Rosa Luxemburg bestreed en de verregaande ‘eenzijdigheid’ van haar materialisme aantoonde. Volgens dit standpunt kon de Internationale momenteel de onafhankelijkheid van Polen niet in haar programma opnemen, maar de Poolse socialisten – zei Kautsky – konden een dergelijke eis wel degelijk stellen. Van socialistisch standpunt gezien is het volkomen verkeerd de noodzaak van nationale bevrijding te miskennen onder omstandigheden van nationale onderdrukking.

In de resolutie van de Internationale zijn dan ook de meest essentiële, fundamentele uitgangspunten van dit stand punt overgenomen: enerzijds de geheel openlijke en voor geen verkeerde uitleg vatbare erkenning van het onbeperkte recht van alle naties op zelfbeschikking; anderzijds de niet minder ondubbelzinnige oproep aan de arbeiders tot internationale eenheid in hun klassenstrijd.

Wij zijn van mening dat deze resolutie volkomen juist is en dat voor de landen van Oost-Europa en Azië in het begin van de 20e eeuw speciaal deze resolutie – en in het bijzonder haar beide delen in hun onverbrekelijke verband – de enig juiste richtlijn geeft voor de proletarische klassenpolitiek met betrekking tot het nationale vraagstuk.

Wij zullen iets uitvoeriger ingaan op de drie hierboven aangehaalde standpunten.

Zoals bekend waren Karl Marx en Friedrich Engels van mening dat het tot de onvoorwaardelijke plicht van de gehele West-Europese democratie en in het bijzonder van de sociaal-democratie behoorde, de eis tot onafhankelijkheid van Polen actief te ondersteunen. Voor de jaren ’40 en ’60 van de vorige eeuw, het tijdperk van de burgerlijke revolutie in Oostenrijk en Duitsland, het tijdperk van de ‘boerenhervorming’ in Rusland, was dit standpunt volkomen juist en het enige consequent democratische en proletarische standpunt. Zolang de volksmassa’s van Rusland en van de meeste Slavische landen nog in diepe slaap verzonken lagen, zolang er in deze landen geen zelfstandige, massale democratische bewegingen bestonden, zolang had de bevrijdingsbeweging van de landadel in Polen, niet alleen vanuit het standpunt van de gehele Russische en Slavische democratie bezien, maar ook vanuit die van geheel Europa, een reusachtige, primaire betekenis.

Terwijl dit stand punt van Marx voor de dertiger tot de zestiger of de vijftiger tot de zeventiger jaren van de 19e eeuw volkomen juist was, was dit niet langer het geval tegen het begin van de 20e eeuw. In de meeste Slavische landen en zelfs in een der achterlijkste Slavische landen, Rusland, ontwaakten zelfstandige democratische bewegingen en zelfs een zelfstandige proletarische beweging. Het Polen van de adel verdween en maakte plaats voor een kapitalistisch Polen. Onder deze omstandigheden moest Polen zijn uitzonderlijke positie in de revolutionaire beweging wel verliezen.

Toen de PPS (de ‘Poolse Socialistische Partij’, de tegenwoordige ‘fracy’) in 1896 een poging deed, Marx’ zienswijze uit een ander tijdperk te ‘behouden’, betekende dit reeds dat men de letter van het marxisme tegen de geest van het marxisme uitspeelde. Daarom hadden de Poolse sociaal-democraten volkomen gelijk toen zij tegen de nationalistische neigingen van de Poolse kleine burgerij optraden, de Poolse arbeiders aantoonden dat het nationale vraagstuk van secundaire betekenis was, voor het eerst een zuiver proletarische partij Polen oprichtten en het enorm belangrijke principe verkondigden van een zo nauw mogelijk bondgenootschap van de Poolse met de Russische arbeiders in hun klassenstrijd.

Betekent dit echter, dat de Internationale in het begin van de 20e eeuw de politieke zelfbeschikking der naties, hun recht op afscheiding, als een voor Oost-Europa en Azië overbodig principe mocht beschouwen? Dat zou een enorme absurditeit zijn geweest, (theoretisch) neerkomend op de erkenning dat in Turkije, Rusland en China een burgerlijk-democratische staatkundige hervorming tot stand was gekomen, hetgeen (praktisch) gelijk zou hebben gestaan met het aannemen van een opportunistische houding tegenover het absolutisme.

Neen. In Oost-Europa en Azië moet in het tijdperk van de reeds begonnen burgerlijk-democratische revoluties, in het tijdperk van het ontwaken en zich toespitsen van de nationale bewegingen, in het tijdperk waarin zelfstandige proletarische partijen ontstaan, de taak van deze partijen in de nationale politiek tweeledig zijn: enerzijds erkenning van het recht op zelfbeschikking voor iedere natie, want de burgerlijk-democratische hervorming is nog niet afgesloten en de arbeidersdemocratie verdedigt consequent, ernstig en oprecht, niet op liberale, niet op Kokosjkinse manier, de gelijkgerechtigdheid der naties; anderzijds een nauwe, onverbrekelijke eenheid in de klassenstrijd van de proletariërs van alle binnen een bepaalde staat levende naties, ondanks alle mogelijke wendingen in de geschiedenis van deze staat en in weerwil van alle mogelijke wijzigingen in de grenzen van sommige staten door de bourgeoisie.

Juist deze tweeledige taak van het proletariaat wordt geformuleerd in de resolutie van de Internationale, van 1896. En juist dit karakter draagt in haar principiële opzet de resolutie van de zomerconferentie van de Russische marxisten in 1913.

Er zijn mensen, aan wie het ’tegenstrijdig’ toeschijnt, dat deze resolutie in punt 4, waar het recht op zelfbeschikking, op afscheiding wordt erkend, aan het nationalisme als het ware een maximum ’toestaat’ (in werkelijkheid bevat de erkenning van het recht op zelfbeschikking van alle naties een maximum aan democratie en een minimum aan nationalisme), terwijl in punt 5 daarentegen de arbeiders tegen de nationalistische leuzen van welke bourgeoisie ook gewaarschuwd worden en waarin geëist wordt dat de arbeiders van alle naties zich hecht aaneensluiten tot internationaal eendrachtige proletarische organisaties. Dat hierin een ’tegenstrijdigheid’ zou schuilen, dat kunnen slechts zwakhoofdige lieden beweren die niet in staat zijn b.v. te begrijpen waarom de eenheid en de klassensolidariteit van het Zweedse en Noorse proletariaat gewonnen hebben toen de Zweedse arbeiders de vrijheid van Noorwegen, zich als zelfstandige staat af te scheiden, verdedigden.

Delen: Printen: