Corruptie in het hart van de Amerikaanse politiek

Jack Abramoff was jarenlang een topfiguur onder de lobbyisten in de Amerikaanse politiek. “Casino Jack“ werd hij genoemd. Als een bedrijf een wet nodig had, werd hij ingehuurd. Hij slaagde erin om dit steeds voor elkaar te krijgen, zelfs voor de meest dubieuze opdrachtgevers.

Patrick Ayers

Tussen 1995 en 2002 kreeg Abramoff zo’n 9 miljoen dollar voor zijn succesvol gelobby om te vermijden dat de wetgeving inzake minimumlonen van toepassing zou worden in Northern Mariana Islands, een Amerikaans protectoraatgebied. Hierdoor kunnen bedrijven in deze regio produceren terwijl de arbeiders maar 3 dollar per uur worden betaald.

In januari pleitte de super-lobbyist schuldig omdat hij negen Indianenstammen had opgelicht voor een bedrag van 80 miljoen dollar en omdat hij ambtenaren had omgekocht. De activiteiten van Abramoff worden onderzocht door de regering, wat een web van corruptie en fraude in de hoogste regionen van het Amerikaanse establishment kan blootleggen.

“Eens dit allemaal voorbij is, zal blijken dat dit het grootste schandaal van de afgelopen 50 jaar was, zowel wat betreft het aantal betrokkenen als de impact“. Zo stelde Stan Brand, een voormalige advocaat die vooral optrad voor ambtenaren die beschuldigd werden. “Het schandaal zal een impact hebben op hooggeplaatste parlementsleden en ambtenaren“. (Bloomberg News, 1/3/06)

Het gaat hier niet om een geval van één rotte appel. Het schandaal heeft de corrupte verhoudingen tussen bedrijven, lobbyisten, parlementsleden en de Amerikaanse regering. De affaire-Abramoff zal het ongenogen van de gewone Amerikanen tegenover de twee belangrijkste partijen nog versterken. Die partijen worden gecontroleerd door de grote bedrijven.

Politici te koop

Gedurende meer dan een decennium bouwde Abramoff aan zijn “invloedsimperium“ in Washington DC. Hij had directe toegang tot de leiding van de Republikeinen, zoals de voormalige fractieleider in het parlement, Tom DeLay, wiens voormalige kabinetschef Tony Rudy betrokken was in de zaken van Abramoff.

Hij had zelfs rechtstreekse banden met het Witte Huis, en dit via Karl Rove wiens medewerker Susan Ralston voorheen werkte bij Abramoff. Toen Tyco in de problemen kwam omwille van belastingsontduiking in 2002, contacteerde het bedrijf Abramoff omdat die bekend stond voor zijn goede connecties in het Witte Huis.

Minstens één parlementslid, de Republikein Bob Nety, erkende reeds dat hij betrokken was bij omkoping. Maar de feiten die bekend werden over de connecties en activiteiten van Abramoff, wijzen erop dat wellicht heel wat politici betrokken waren bij onfrisse praktijken.

Abramoff organiseerde een valse liefdadigheidsorganisatie met de naam US Family Network, om via die weg geld van cliënten naar ambtenaren en parlementsleden door te sluizen. Hij ontving parlementsleden in zijn restaurant, waar hij uitgebreid dineerde, samen met hen gokte of zelfs de tijd nam voor luxueuze golftrips naar Schotland.

Zijn bijnaam was “Casino Jack“ omdat hij erin slaagde om een aantal indianenstammen die actief waren in de gokindustrie enorm grote bedragen te laten betalen voor zijn tussenkomsten. Hij liet hen 10 tot 20 keer de normale bedragen betalen.

Op een bepaald ogenblik voerde Abramoff succesvol campagne tegen een casino dat in handen was van de Tigua-stam in Texas. Eens het casino gesloten was, keerde hij zijn kar en bood hij zijn diensten aan bij de Tiguas. Hij beloofde de stam dat hij het casino terug open zou krijgen indien ze hem tegen een hoge prijs zouden inhuren.

Negen stammen werden samen voor meer dan 82 miljoen dollar opgelicht door Abramoff en zijn partner Michael Scanlon, een voormalige werknemer van Tom DeLay. In totaal werden miljoenen dollars doorgesluisd naar parlementsleden, 195 Republikeinen en 88 Democraten.

Abramoff slaagde erin om goede banden uit te bouwen met de Christelijke Rechterzijde. Die spreken zich sterk uit tegen gokken. In 2001 gaf Abramoff miljoenen dollars aan Ralph Reed, het voormalige hoofd van de Christian Coalition, om de christelijke rechterzijde te mobiliseren tegen wetgeving die de winsten van de indianen zou kunnen bedreigen. De wetgeving zou het eenvoudiger gemaakt hebben om casino’s te openen, waardoor er meer concurrentie zou komen in de sector. Dat was een bedreiging voor de cliënten van Abramoff en dus deed hij beroep op de christelijke rechterzijde.

Recent uitgelekte emails maken duidelijk dat Reed wist dat een deel van het geld kwam van casino-eigenaars. Deze campagne werd ook gevoerd door prominente religieus-rechtse figuren zoals Pat Robertson en Jerry Fallwell.

Dit soort praktijken zegt veel over de zogenaamde morele agenda van de leiders van religieus-rechts. Terwijl ze spreken over Jezus, zijn ze in werkelijkheid bezig met de belangen van de grote bedrijven.

Het project K-Street

De activiteiten van Abramoff waren zowel nuttig voor hemzelf, zijn cliënten bij de bedrijven en de Republikeinse partij die miljoenen dollars steun voor haar verkiezingscampagne kreeg. De oorsprong van deze opvallende alliantie lag bij de verkiezingsoverwinning van de Republikeinen in 1994 toen ze een meerderheid verkregen in het parlement.

Om de Republikeinen aan de macht te houden begonnen Tom DeLay en de invloedrijke ultra-conservatief Grover Norquist een programma dat ze “K Street Project“ noemden, een plan om lobbygroepen vol te proppen met loyale republikeinen.

Een consumentenorganisatie, Public Citizen, beschreef hoe dit project in zijn werk ging: “In dit partnerschap werden bedrijven, handelsassociaties en lobbybedrijven onder druk gezet om alleen Republikeinen aan te nemen… Die lobbyisten helpen dan de Republikeinse leiding om alle Republikeinse verkozenen de standpunten van de partijleiding te laten stemmen in het parlement. De lobbyisten halen heel wat geld op bij hun cliënten om ervoor te zorgen dat er een Republikeinse meerderheid blijft in het palrment. In ruil voor hun rol, krijgen de lobbyisten toegang tot de plaatsen waar beslissingen worden genomen en is het mogelijk om specifieke wetgeving voor cliënten erdoor te krijgen.“

Het was duidelijk dat Abramoff misbruik maakte van het politieke proces door politici om te kopen. Dat is niets nieuw in de VS. Wel nieuw was de omvang van de corruptie.

Rol van de Democraten

Bij het losbreken van dit schandaal zorgde de verklaring van Abramoff dat hij namen zou noemen voor heel wat opschudding en zelfs openlijke paniek. Parlementsleden haastten zich om geld terug te storten dat op enigerlei wijze met Abramoff zou kunnen worden gelieerd. In zowel de Senaat als de Kamer zijn er nu stemmen voor een beperkte hervorming van de lobby-activiteiten.

Er zijn reeds verschillende pogingen geweest om iets te doen aan de rol en de impact van lobbyisten, maar die faalden allemaal. Er is in de praktijk niets veranderd: de bedrijven blijven de regering controleren.

We kunnen niet verwachten dat één van de twee grote partijen iets zal doen aan die rol van bedrijven. Ze zijn er immers allebei van afhankelijk. Dat verklaart mede waarom er de afgelopen jaren slechts een 10-tal onderzoeken waren naar de activiteiten van bedrijfslobbyisten.

Een anoniem parlementslid vertelde aan Newsweek dat de Republikeinse en Democratische leiders een “niet-aanvalspact“ hebben inzake dergelijke onderzoeken. Hij verklaarde ook: “Als zij ons zouden onderzoeken, dan zouden wij hen onderzoeken.“

Dit schandaal is niet het resultaat van enkele rotte appels. Het is eerder een algemene trend in een politiek systeem dat gebaseerd is op de steeds groter wordende kloof tussen bedrijven en superrijken enerzijds en de arbeiders en armen anderzijds.

De levensstandaard voor arbeiders is de afgelopen periode gestagneerd of achteruit gegaan. Tegelijk kenden bedrijven recordwinsten en groeide ook de lobby-industrie bijzonder snel. In 2004 werd in totaal zo’n 2 miljard dollar besteed aan lobbying. Het aantal lobbyisten in Washington is de afgelopen 5 jaar meer dan verdubbeld tot zo’n 37.000. Met andere woorden, er zijn 70 lobbyisten voor ieder verkozen parlementslid!

Dit leger van bedrijfsinvloed zet heel wat druk op de Amerikaanse politiek en zal de grote partijen blijven opkopen ten nadele van de arbeiders en de armen in heel de wereld.

Terwijl de Democraten dit schandaal proberen uit te buiten voor eigen electoraal voordeel bij de verkiezingen van dit najaar, is het duidelijk dat zij een integraal onderdeel vormen van dit systeem van lobbywerk. In 2004 haalden John Kerry en de Democraten ongeveer 2 miljard dollar op voor de presidentscampagne. Dat geld kwam grotendeels van de rijksten. En als er een senator is die meer geld dan alle anderen kreeg van lobbyisten, dan was dat John Kerry.

Het zal erop aankomen om in te gaan tegen corruptie en de greep van de bedrijfswereld op de regering. Daartoe is er nood aan een partij die echt opkomt voor de belangen van de miljoenen gewone mensen, en niet de miljonairs. Een partij van arbeiders, jongeren en onderdrukten die samen strijden tegen de grote bedrijven en de superrijken.

Opdat een nieuwe partij fundamenteel anders zou zijn dan de twee grote partijen, is het noodzakelijk dat deze partij democratische zou georganiseerd zijn waarbij iedere verkozen afgevaardigde rekenschap verschuldigd is aan de partijleden. Het is belangrijk tegenover corruptie en carrièrisme dat alle verkozen vertegenwoordigers niet meer verdienen dan een gemiddeld arbeidersloon. En voor een arbeiderspartij zou het logisch zijn om geen geld te aanvaarden van grote bedrijven.

De grote bedrijven in de VS hebben twee partijen, de Republikeinen en de Democraten. Waarom zouden de arbeiders en hun gezinnen ook geen eigen partij opzetten? Dat zal noodzakelijk zijn om komaf te maken met het rotte systeem van corruptie waarbij alles ten dienste staat van de winst van de grote bedrijven.

Delen: Printen: